ECLI:NL:HR:2008:BD0191

De vermindering van de boete is afhankelijk van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden. In de gevallen waarin de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden wordt de boete verminderd met 5% bij een overschrijding van de redelijke termijn met zes maanden of minder en met 10% bij een overschrijding van meer dan zes maanden doch niet meer dan twaalf maanden, met dien verstande dat de omvang van de vermindering niet meer bedraagt dan € 2500, en geen vermindering wordt toegepast indien de boete minder is dan € 1000. De Hoge Raad zal in een dergelijk geval volstaan met het oordeel dat de geconstateerde verdragsschending voldoende is gecompenseerd met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, lid 1, van het EVRM. In de gevallen waarin de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden zal de Hoge Raad naar bevind van zaken handelen.

Uitspraak

Nr. 42.763

19 december 2008

Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X Holding B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage van 8 november 2005, nr. BK-04/02942, betreffende een aan belanghebbende opgelegde boete.

1. Het geding in feitelijke instantie

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2001 een naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, alsmede een boete. De boetebeschikking is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.

Het Hof heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 1 april 2008 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie, vernietiging van de uitspraak van het Hof en vermindering van de boete.

3. Beoordeling van de klacht

De klacht kan niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klacht niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling ambtshalve van de duur van de procedure in cassatie

4.1. Ten aanzien van de gevolgen van een overschrijding van de redelijke termijn in strafzaken heeft de Hoge Raad zijn rechtspraak samengevat en aangepast in zijn arrest van 17 juni 2008, nr. S 01946/07, NJ 2008, 358. Ook zijn rechtspraak in belastingzaken verdient enige aanpassing, namelijk voor gevallen waarin een fiscale bestuurlijke boete in het geding is en de berechting in de cassatieprocedure niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden. In afwijking van onderdeel 4.12 van zijn arrest van 22 april 2005, nr. 37984, BNB 2005/337, zal de Hoge Raad bij het bieden van compensatie voor de hieruit voortvloeiende schending van artikel 6 van het EVRM voortaan de hierna onder 4.2 te vermelden uitgangspunten hanteren:

4.2. Toetsing door de Hoge Raad als feitenrechter

4.2.1. De Hoge Raad oordeelt in volle omvang over de eventuele overschrijding van de redelijke termijn (mede) als gevolg van het tijdsverloop ná de uitspraak waartegen beroep in cassatie is ingesteld.

4.2.2. De vermindering van de boete is afhankelijk van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden.

4.2.3. In de gevallen waarin de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden wordt de boete verminderd:

1. met 5% bij een overschrijding van de redelijke termijn met zes maanden of minder;

2. met 10% bij een overschrijding van de redelijke termijn met meer dan zes maanden doch niet meer dan twaalf maanden;

een en ander met dien verstande dat:

– de omvang van de vermindering in deze gevallen niet meer bedraagt dan € 2500, en

– geen vermindering wordt toegepast indien het gaat om een boete die minder beloopt dan € 1000. De Hoge Raad zal in een dergelijk geval volstaan met het oordeel dat de geconstateerde verdragsschending voldoende is gecompenseerd met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, lid 1, van het EVRM.

4.2.4. In de gevallen waarin de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden zal de Hoge Raad naar bevind van zaken handelen.

4.3. In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld op 22 november 2005. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, levert wat de cassatieprocedure betreft een overschrijding op van de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden, evenwel met zo weinig meer dan twaalf maanden dat de Hoge Raad geen aanleiding vindt de boete met meer dan 10% te verminderen.

5. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

  • verklaart het beroep in cassatie ongegrond,
  • vernietigt de uitspraak van het Hof en die van de Inspecteur, en
  • vermindert de boete tot € 19.774.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C.J.J. van Maanen, C. Schaap, J.W.M. Tijnagel en A.H.T. Heisterkamp, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2008.

Eén gedachte over “ECLI:NL:HR:2008:BD0191”

  1. In het arrest van 3 maart 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:1777, wordt verwezen naar onderhavig arrest.

    24. Door de hoogste bestuursrechtelijke instanties is vaste jurisprudentie ontwikkeld met betrekking tot schending van de redelijke termijn van berechting. Deze houdt kort gezegd in dat in reguliere bestuursrechtelijke procedures, waar de gemachtigde naar verwijst, met toepassing van artikel 8:73 Awb een schadevergoeding wordt toegekend wanneer de redelijke termijn is overschreden. De hoogste bestuursrechters hanteren dit uitgangspunt evenwel niet in procedures waaraan bestraffende sancties ten grondslag liggen. In die zaken wordt, in navolging van het arrest van de (belastingkamer van de) Hoge Raad van 19 december 2008 (vindplaats ECLI:NL:HR:2008:BD0191), een matiging van de sanctie toegepast wanneer de redelijke termijn van berechting is overschreden. Voor een immateriële schadevergoeding is slechts plaats wanneer matiging niet mogelijk is omdat de sanctie geheel is vernietigd of ongedaan gemaakt (vgl. het arrest van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 september 2010, vindplaats ECLI:NL:RVS:2010:BN7011). In fiscale zaken blijft matiging achterwege bij een sanctie lager dan € 1000,-. In dat geval wordt volstaan met het oordeel dat de geconstateerde verdragsschending voldoende is gecompenseerd met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, van het EVRM (vgl. voormeld arrest van de Hoge Raad van 19 december 2008).

    Het hof overweegt in deze WAHV-zaak vervolgens het volgende.

    25. In (inmiddels bestendige) jurisprudentie is bepaald dat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg ten hoogste twee jaar bedraagt, waarbij de termijn aanvangt op het moment dat vanwege het bestuursorgaan jegens de beboete persoon een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een boete zal worden opgelegd. De procedure in bezwaar of administratief beroep is in deze termijn begrepen; de termijn eindigt met de uitspraak van de rechtbank. De redelijke termijn in hoger beroep bedraagt eveneens ten hoogste twee jaren vanaf het moment dat het rechtsmiddel is ingesteld (vgl. ABRvS, 29 januari 2014; ECLI:NL:RVS:2014:188 en CBb 28 maart 2013; ECLI:NL:CBB:2013:BZ6866).
    
    26. Net als in bestuursrechtelijke procedures inzake bestraffende sancties ligt in WAHV-zaken een sanctie aan de procedure ten grondslag. Het hof past daarom voortaan bij een beroep op schending van de redelijke termijn van berechting – overeenkomstig de bestuursrechtelijke rechtspraak inzake bestraffende sancties – het hiervoor besproken beoordelingskader toe. Tot een materieel andere uitkomst voor de betrokkene zal dit in het algemeen niet leiden, aangezien het sanctiebedrag van WAHV-sancties (thans) altijd minder dan € 1000,- bedraagt.
    
    In deze WAHV-zaak bedraagt de administratieve sanctie minder dan € 1000,-. Daarom volstaat het hof met het oordeel dat de geconstateerde verdragsschending voldoende is gecompenseerd met de vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, van het EVRM.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *