ECLI:NL:HR:2006:AU7141

Art. 6 EVRM is niet van toepassing op de in art. 26a WAHV voorziene rechtsgang in hoger beroep na verzet tegen maatregelen strekkende tot verhaal van de administratieve sanctie. Het cassatiemiddel stelt de vraag aan de orde of onder omstandigheden een verplichting tot zodanige matiging van het griffierecht en/of van de zekerheidstelling voortvloeit uit art. 6.1 EVRM, zoals het hof heeft geoordeeld. Voor het antwoord op die vraag is beslissend of art. 6.1 EVRM op de onderhavige procedure van toepassing is. Uit art. 26.3 WAHV volgt dat de verzetprocedure die hier aan de orde is slechts het onderzoek naar de rechtmatigheid van de inning d.m.v. verhaal betreft, zonder dat de rechtmatigheid van de sanctie zelf nog voorwerp van onderzoek kan zijn en zonder dat aan de betrokkene verdere lasten kunnen worden opgelegd. In deze omstandigheden kan niet gezegd worden dat de verzetprocedure het vaststellen van een “criminal charge” betreft. Evenmin is sprake van de “determination of civil obligations” omdat aan de rechter die in de verzetprocedure beslist niet de bevoegdheid toekomt geldelijke verplichtingen van de betrokkene vast te stellen.

Uitspraak

23 mei 2006
Strafkamer
nr. 03197/05 CW
SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie in het belang der wet van de Advocaat-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden tegen een beschikking van het Gerechtshof te Leeuwarden van 22 april 2004, nummer WAHV 04/00074, op het hoger beroep in de verzetprocedure ingevolge art. 27, zesde lid, Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV) in de zaak van:

[betrokkene], wonende te [woonplaats].

1. Procesgang

1.1. Wegens een gedraging, geconstateerd op kenteken, is aan de betrokkene bij inleidende beschikking een administratieve sanctie opgelegd van € 86,-. Tegen de uitgevaardigde beschikking is geen beroep bij de Officier van Justitie ingesteld. De beschikking is derhalve onherroepelijk geworden. Omdat de sanctie niet tijdig werd voldaan, is deze overeenkomstig art. 23, tweede lid, WAHV van rechtswege verhoogd met € 21,50. Omdat de betrokkene nalatig is gebleven de sanctie en de daarop gevallen verhoging tijdig geheel te voldoen, is overeenkomstig art. 25, eerste lid, WAHV het inmiddels verschuldigde bedrag verder verhoogd.

1.2. Daar betaling uitbleef, is de Officier van Justitie met toepassing van art. 27 WAHV overgegaan tot het nemen van verhaal zonder dwangbevel. Tegen de kennisgeving van verhaal door de Officier van Justitie heeft de betrokkene op de voet van art. 27, zesde lid, WAHV verzet gedaan bij de Kantonrechter in de Rechtbank te ‘s-Hertogenbosch.

De Kantonrechter heeft dit verzet bij beschikking van 22 december 2003 ongegrond geoordeeld, overwegende dat:

"volgens de uitdrukkelijke bepaling van de wet het verzet zich niet [kan] richten tegen de beschikking waarbij de sanctie werd opgelegd, doch uitsluitend tegen de wijze waarop de betaling van de sanctie kan worden afgedwongen. Niet gebleken is dat daarbij onjuistheden zijn begaan op grond waarvan de kennisgeving van verhaal behoort te worden vernietigd."

1.3. Vervolgens heeft de betrokkene tegen de beslissing van de Kantonrechter op de voet van art. 27, zesde lid, in verbinding met art. 26a, eerste lid, WAHV een beroepschrift ingediend bij het Gerechtshof te Leeuwarden, inhoudende:

"De administratieve sancties die u mij heeft opgelegd zijn ongegrond daar ik deze auto niet meer in mijn bezit heb. Vanaf januari 2000 staat genoemde auto wegens overtreding in VEURNE (BELGIE) (...) Er is mij nooit ofte nimmer een bewijs van inbeslagname toegezonden. Wat ik dus ook niet kan aantonen. Heb meerdere keren geprobeerd om [de] betreffende auto weer in mijn bezit te krijgen, wat niet is gelukt. Gaarne het griffierecht terug te brengen tot nihil (...)."

1.4. Bij brief van 14 januari 2004 heeft de Griffier van voornoemde Rechtbank aan de betrokkene medegedeeld dat het ingestelde hoger beroep slechts ontvankelijk is na voorafgaande zekerheidstelling van het nog verschuldigde bedrag en van alle kosten (in totaal € 180,51) en dat de betrokkene een griffierecht van € 205,- verschuldigd is. De betrokkene heeft hierop aan de Griffier van de Rechtbank een uitkeringsspecificatie doen toekomen. Vervolgens heeft de Griffier de stukken naar het Hof verzonden onder mededeling dat het griffierecht niet is voldaan. Evenmin is door de betrokkene zekerheid gesteld.

1.5. Bij tussenbeschikking van 10 maart 2004 heeft het Hof de hoogte van het te betalen griffierecht en de zekerheidstelling gematigd en bepaald dat de Griffier van de Rechtbank de betrokkene de gelegenheid dient te geven om alsnog zekerheid bij het Centraal Justitieel Incasso- bureau te stellen tot een bedrag van € 48,25 en griffierecht te betalen tot een bedrag van € 21,75.

1.6. Bij beschikking van 22 april 2004, waarin de inhoud van evengenoemde tussenbeschikking is overgenomen, heeft het Hof, na te hebben vastgesteld dat de betrokkene het gematigde bedrag aan zekerheidstelling en griffierecht had voldaan, de beschikking van de Kantonrechter van 22 december 2003 bevestigd.

2. De bestreden beschikking

De van de bestreden beschikking deel uitmakende tussenbeschikking houdt, voorzover hier van belang, het volgende in:

"3.15. Naar het oordeel van het hof is het volgens de wet verschuldigde griffierecht in hoger beroep thans echter in zijn algemeenheid dermate hoog dat kan worden gesproken van een prohibitief tarief, hetgeen strijdig is met het recht op toegang tot een onafhankelijke rechter. Dat in een concreet geval het griffierecht in debet kan worden gesteld, doet hieraan niet af, met name niet, omdat de verplichting tot het betalen van griffierecht bestaat naast de verplichting tot zekerheidstelling als bedoeld in art. 26a, tweede lid, WAHV.

3.16. Ter uitvoering van het bepaalde in art. 26a, derde lid, WAHV wordt door de griffier van vrijwel alle rechtbanken - in aansluiting bij art. 2, tweede lid, onder f, Wet tarieven in burgerlijke zaken - een griffierecht van € 87,- (bij Wet van 4 december 2003, Stb 500, met ingang van 1 februari 2004 vastgesteld op € 100,-) in plaats van € 205,- in rekening gebracht. Het hof acht dit in het licht van het voorafgaande een juiste handelwijze.

3.17. In aanmerking genomen, dat de betrokkene in het beroepschrift heeft verzocht om het griffierecht terug te brengen tot nihil, kan het retourneren van de brief van de griffier van de rechtbank d.d. 14 januari 2004 met daarbij een uitkerings-specificatie gevoegd, bezwaarlijk anders worden opgevat dan dat de betrokkene niet in staat is om het verschuldigde griffierecht te voldoen. Blijkens de door de betrokkene overgelegde uitkeringsspecificatie d.d. 11 november 2003 ontving de betrokkene in de maand oktober 2003 een bedrag van € 215,36.

3.18. Uitgaande van een bedrag van € 87,- en gelet op het bepaalde in art. 18, eerste lid, Wet tarieven in burgerlijke zaken dient het griffierecht derhalve voor 3/4 in debet te worden gesteld (= € 21,75). De betrokkene zal in de gelegenheid worden gesteld om dit bedrag te voldoen.

(...)

3.22. Naar het oordeel van het hof is in dit geval voldoende aannemelijk gemaakt dat het gevraagde bedrag aan zekerheidstelling een zodanige belemmering oplevert, dat toepassing van het stelsel van zekerheidstelling zou neerkomen op een ontoelaatbare beperking van het in art. 6 EVRM gegarandeerde recht op toegang tot een onafhankelijke rechterlijke instantie. Het hof vindt in de omstandigheden van het geval aanleiding om het totaal van het verschuldigde griffierecht en de te stellen zekerheid vast te stellen op een bedrag van € 70,-. Gelet op het onder 3.18. overwogene stelt het hof het bedrag van de te stellen zekerheid vast op € 48,25."

3. Geding in cassatie

De voordracht en vordering tot cassatie in het belang der wet van de Advocaat-Generaal Machielse strekken ertoe dat de Hoge Raad in het belang der wet de bestreden beschikking zal vernietigen, op de voet van art. 456, derde lid, Sv de rechtspunten zal beslissen en zal verstaan dat de te geven beslissing geen nadeel zal toebrengen aan daaruit door de genoemde betrokkene verkregen rechten. De voordracht en vordering zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

4. Het wettelijk kader

Art. 23 WAHV luidt:

"1. Uiterlijk binnen twee weken nadat een beschikking waarbij een administratieve sanctie is opgelegd, onherroepelijk is geworden, moet de administratieve sanctie zijn voldaan.

2. De sanctie wordt van rechtswege met vijfentwintig procent, doch ten minste € 4, verhoogd indien deze niet tijdig geheel wordt voldaan."

Art. 25, eerste lid, WAHV luidt:

"Indien degene aan wie een administratieve sanctie is opgelegd nalatig blijft de sanctie en de daarop gevallen verhoging geheel te voldoen binnen de in de aanmaning gestelde termijn van vier weken, wordt het inmiddels verschuldigde bedrag van rechtswege verder verhoogd met vijftig procent van het bedrag van de sanctie en de daarop inmiddels gevallen verhoging, doch ten minste € 11, en kan door de officier van justitie verhaal worden genomen op de goederen, de inkomsten en het vermogen van degene aan wie een administratieve sanctie is opgelegd, overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 26 en 27."

Art. 27 WAHV luidt – voorzover hier van belang – als volgt:

"1. Verhaal kan zonder dwangbevel worden genomen op:

a. inkomsten in geld uit arbeid van degene aan wie een administratieve sanctie is opgelegd;

b. pensioenen, wachtgelden en andere periodieke uitkeringen waarop degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd, aanspraak heeft;

c. het tegoed van een rekening bij een krediet-instelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, waarover degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd te eigen bate vermag te beschikken.

2. Verhaal met toepassing van het eerste lid geschiedt door middel van een schriftelijke kennisgeving van het openbaar ministerie dat met de inning van de administratieve sanctie is belast. (...).

(...)

6. Iedere belanghebbende kan binnen een week na de betekening van de in het tweede lid bedoelde kennisgeving bij met redenen omkleed verzetschrift verzet doen tegen het verhaal. Artikel 26, derde tot en met negende lid, en artikel 26a zijn van overeenkomstige toepassing.

(...)"

Art. 26 WAHV luidt – voorzover hier van belang – als volgt:

"3. Tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel kan verzet worden gedaan, hetwelk niet gericht zal kunnen zijn tegen de beslissing waarbij de administratieve sanctie werd opgelegd. (...).

4. Degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd, is een griffierecht verschuldigd. De griffier wijst de indiener van het verzetschrift op de verschuldigdheid van het griffierecht en deelt hem mee dat het verschuldigde bedrag binnen twee weken na de dag van verzending van zijn mededeling dient te zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank dan wel ter griffie te zijn gestort. Indien het bedrag niet binnen deze termijn is bijgeschreven of gestort, wordt het verzet niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

(...)

7. Indien de kantonrechter het verzet gegrond oordeelt, houdt de beschikking tevens in dat aan de indiener van het verzetschrift het door hem betaalde griffierecht wordt vergoed door de griffier. In de overige gevallen kan de kantonrechter bepalen dat het betaalde griffierecht wordt vergoed.

(...)

9. De kosten van het verhaal krachtens dit artikel worden op gelijke voet als de administratieve sanctie op degene aan wie deze sanctie is opgelegd verhaald. Onder de kosten van het verhaal zijn begrepen de invorderingskosten."

Art. 26a WAHV luidt – voorzover hier van belang – als volgt:

"1. De officier van justitie in het arrondissement Leeuwarden, alsmede degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd, kunnen tegen de beschikking van de kantonrechter binnen twee weken na de verzending van de mededeling van de beschikking van de kantonrechter hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden. Het beroepschrift wordt ingediend bij de griffie van de rechtbank die de beschikking heeft gegeven.

2. Degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd, is in zijn beroep slechts ontvankelijk na voorafgaande zekerheidstelling van het nog verschuldigde bedrag en van al de kosten. De zekerheid wordt gesteld bij het Centraal Justitieel Incassobureau te Leeuwarden, bedoeld in artikel 1 van het Besluit Instelling Centraal Justitieel Incassobureau, door storting op de rekening van het Centraal Justitieel Incassobureau. De griffier van de rechtbank wijst de indiener van het beroepschrift op de verplichting tot zekerheidstelling en deelt hem mee dat de zekerheidsteling dient te geschieden binnen twee weken na de dag van verzending van zijn mededeling. Indien de zekerheidstelling niet binnen deze termijn is geschied, wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

3. Degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd, is eveneens een griffierecht verschuldigd.

De griffier van de rechtbank wijst de indiener van het beroepschrift op de verschuldigdheid van het griffierecht en deelt mee dat het verschuldigde bedrag binnen twee weken na de dag van verzending van zijn mededeling dient te zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank dan wel ter griffie te zijn gestort. Indien het griffierecht niet binnen deze termijn is bijgeschreven of gestort, wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4. Nadat de zekerheidstelling en de bijschrijving of de storting van het griffierecht hebben plaatsgevonden of nadat de termijnen voor het stellen van de zekerheid en de betaling van het griffierecht ongebruikt zijn verstreken, zendt de griffier van de rechtbank het beroepschrift met de daarop betrekking hebbende stukken en een afschrift van de beschikking van de kantonrechter onverwijld ter griffie van het gerechtshof in."

Art. 2 Wet tarieven in burgerlijke zaken (WTBZ) luidde ten tijde van de indiening van het verzetschrift en het beroepschrift – voorzover hier van belang – als volgt:

"2. Het vast recht bij de rechtbanken bedraagt:
1°. In zaken te behandelen en te beslissen door de kantonrechter (...):
f. In alle andere gevallen € 87 indien eiser een natuurlijk persoon is (...).
3. Het vast recht bij de gerechtshoven (...) bedraagt:
a. (...).
e. € 205 in zaken in hoger beroep van een (...) beschikking van de kantonrechter (...)."

Art. 18, eerste lid, WTBZ luidt:

"Indien geen toevoeging overeenkomstig de Wet op de rechtsbijstand is verleend, stelt de griffier het vast recht verschuldigd door de betrokkene wiens inkomen blijkens de door deze over te leggen verklaring of de bescheiden als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van die wet niet meer bedraagt dan in artikel 35, derde lid onderdelen a tot en met f, onderscheidenlijk g tot en met l, van die wet is bedoeld, voor het drievierde deel, onderscheidenlijk voor de helft in debet."

Art. 18a, eerste lid, WTBZ luidt – voorzover hier van belang – als volgt:

"Indien tijdige overlegging van stukken als bedoeld in artikel 17, eerste en tweede lid, en artikel 18, eerste lid, is uitgebleven ten gevolge van omstandigheden die redelijkerwijs niet aan de betrokkene zijn toe te rekenen, stelt de griffier het vast recht op verzoek van de betrokkene alsnog gedeeltelijk, onderscheidenlijk voorlopig gedeeltelijk, in debet. (...)"

Art. 25 WTBZ luidt:

"1. Gedurende een maand na de mededeling van de uit het voorschot verrekende rechten en verschotten, en bij rechtstreekse betaling daarvan, binnen een maand na die betaling, kunnen hij van wie de rechten en verschotten zijn geheven alsmede, in het eerste geval de voorschotgever, in het tweede geval hij die de rechten en verschotten betaalde, bij het gerecht ter griffie waarvan voorschot werd gestort of werd betaald, rechtdoende in burgerlijke zaken, tegen de beslissing van de griffier, bij verzoekschrift, in verzet komen. Tegen de beslissing van de griffier omtrent de toepassing van artikel 18a kunnen de betrokkene en de voorschotgever, onderscheidenlijk degene die het vast recht betaalde, op overeenkomstige wijze gedurende een maand na de mededeling daarvan in verzet komen.

2. Tegen de beslissing van het gerecht is geen hogere voorziening toegelaten."

5. Beoordeling van het middel

5.1. Het middel behelst in de eerste plaats de klacht dat het Hof ten onrechte het in hoger beroep verschuldigde griffierecht heeft gematigd van € 205,- tot € 87,- en laatstgenoemd bedrag bovendien voor driekwart in debet heeft gesteld, zodat de betrokkene nog € 21,75 had te voldoen. In de tweede plaats klaagt het middel dat het Hof ten onrechte de in hoger beroep te betalen zekerheidstelling heeft gematigd van € 180,51 tot € 48,25.

5.2. Noch in de WAHV noch in de WTBZ is in een geval als het onderhavige aan het Hof de bevoegdheid toegekend het wettelijk griffierecht te matigen en/of in debet te stellen en evenmin om de verschuldigde zekerheid te verminderen. Het middel stelt de vraag aan de orde of onder omstandigheden een verplichting tot zodanige matiging van het griffierecht en/of van de zekerheidstelling voortvloeit uit art. 6, eerste lid, EVRM, zoals het Hof klaarblijkelijk heeft geoordeeld. Voor het antwoord op die vraag is beslissend of art. 6, eerste lid, EVRM op de onderhavige procedure – de in art. 26a WAHV voorziene rechtsgang in hoger beroep na verzet tegen maatregelen strekkende tot verhaal van de administratieve sanctie – van toepassing is.

5.3. Art. 6, eerste lid eerste volzin, EVRM luidt:

"In the determination of his civil rights and obligations or of any criminal charge against him, everyone is entitled to a fair and public hearing within a reasonable time by an independent and impartial tribunal established by law."

5.4. Uit art. 26, derde lid eerste volzin, WAHV volgt dat de verzetprocedure die hier aan de orde is slechts het onderzoek naar de rechtmatigheid van de inning door middel van verhaal betreft, zonder dat de rechtmatigheid van de sanctie zelf nog voorwerp van onderzoek kan zijn en zonder dat aan de betrokkene verdere lasten kunnen worden opgelegd. In deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat de verzetprocedure het vaststellen van een “criminal charge” betreft. Evenmin is sprake van de “determination of civil obligations” omdat aan de rechter die in de verzetprocedure beslist niet de bevoegdheid toekomt geldelijke verplichtingen van de betrokkene vast te stellen. Dat betekent dat, anders dan het Hof oordeelde, art. 6 EVRM op de verzetprocedure niet van toepassing is.

5.5. Voorzover de bestreden beschikking oordelen met betrekking tot het griffierecht en de zekerheidstelling bevat, ligt daaraan een onjuiste rechtsopvatting ten grondslag. Het middel is dus terecht voorgesteld.

6. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

7. Beslissing

De Hoge Raad:

  • Vernietigt in het belang van de wet de bestreden beschikking;
  • Verstaat dat deze beslissing geen nadeel toebrengt aan de door partijen verkregen rechten.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman en J.W. Ilsink, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 23 mei 2006.

Eén gedachte over “ECLI:NL:HR:2006:AU7141”

  1. In het arrest van 10 februari 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:1003, verwijst het hof naar onderhavig arrest.
    Onderhavig arrest is thans nog steeds actueel.

    6. Anders dan de gemachtigde is het hof van oordeel dat het bepaalde in artikel 6 van het EVRM niet meebrengt dat een betrokkene een rechtsmiddel kan instellen tegen de van rechtswege ingetreden verhoging. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 23 mei 2006 (ECLI:NL:HR:2006:AU7141, gepubliceerd op rechtspraak.nl) is het hof van oordeel dat artikel 6, eerste lid, van het EVRM niet van toepassing is ten aanzien van de opgelegde verhogingen als bedoeld in de artikelen 23 en 25 van de WAHV en/of de verzetprocedure als bedoeld in artikel 26 en 26a van de WAHV. Bij de vraag of een verhoging al dan niet terecht is opgelegd dan wel een dwangbevel terecht is uitgevaardigd, kan de rechtmatigheid van de sanctie zelf geen voorwerp van onderzoek meer zijn en gaat het slechts om de vraag naar de rechtmatigheid van de inning van de sanctie. Derhalve is geen sprake van een 'criminal charge' of een 'determination of civil obligations', zoals in voornoemd arrest van de Hoge Raad is overwogen (vgl. het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 9 oktober 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:7627). De omstandigheid dat bij of krachtens de WAHV niet is voorzien in de mogelijkheid van het instellen van beroep tegen de aan een betrokkene opgelegde verhoging is naar het oordeel van het hof dan ook niet in strijd met het EVRM.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *