ECLI:NL:HR:2000:AA7309

Voor wat betreft de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 2 jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Hetzelfde geldt voor hoger beroep.
In de regel behoort overschrijding van de redelijke termijn te leiden tot strafvermindering. Voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in zijn vervolging is slechts in uitzonderlijke gevallen plaats.

Uitspraak

3 oktober 2000
Strafkamer
nr. 00775/99

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek
gewezen arrest van het Gerechtshof te Amsterdam
van 4 maart 1998 in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op
[geboortedatum] 1965, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep – met vernietiging van een von-nis van de Politierechter in de Arron-disse-ments-rechtbank te Utrecht van 3 mei 1996 – de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 2 primair tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 1. Primair “opzetheling” en 2. subsidiair “schuldheling” veroordeeld tot acht weken gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de teruggave gelast van inbeslaggenomen voorwerpen zoals in het arrest vermeld.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte.

Namens deze heeft mr. M.W.G.J. IJsseldijk, advocaat te Utrecht, een schriftuur met een middel van cassatie ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

3. Beschouwingen naar aanleiding van het middel

3.1. Het middel bevat een klacht aangaande de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in onder meer art. 6, eerste lid, EVRM.

Het is de Hoge Raad bekend dat in de praktijk onduidelijkheid bestaat over de vraag wanneer sprake is van inbreuk op het recht van de verdachte op behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn en het rechtsgevolg dat aan een vastgestelde inbreuk op dat recht dient te worden verbonden. Daarom zal de Hoge Raad, voorzover dit past in de onderhavige zaak en zonder naar volledigheid te streven, enige algemene uitgangspunten en regels formuleren waarop zijn huidige rechtspraak over dit onderwerp is gebaseerd.

Toetsing door de Hoge Raad als feitenrechter

3.2. De Hoge Raad oordeelt in volle omvang over de eventuele overschrijding van de redelijke termijn (mede) als gevolg van het tijdsverloop ná de uitspraak waartegen beroep in cassatie is ingesteld.

3.3. Vooropgesteld moet worden dat onder overschrijding van de redelijke termijn mede begrepen is de overschrijding van de termijn voor het inzenden van de stukken naar de Hoge Raad nadat beroep in cassatie is ingesteld. Die inzendingstermijn is vooralsnog gesteld op 8 maanden.

3.4. Daarnaast worden bij de beantwoording van de vraag of de redelijke termijn overschreden is, de hierna vermelde uitgangspunten en factoren gehanteerd, voorzover zij in deze fase van het geding toepasselijk zijn.

3.5. Indien de Hoge Raad tot de bevinding komt dat er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn – waaronder dus de inzendingstermijn mede is begrepen – leidt dit slechts in uitzonderlijke gevallen tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in zijn vervolging, bijvoorbeeld wanneer in een eenvoudige zaak sprake is van een zeer ernstige overschrijding.

Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door strafvermindering. Strafvermindering blijft echter achterwege indien de overschrijding van de inzendingstermijn is gecompenseerd door een bijzonder voortvarende behandeling van het cassatieberoep.

3.6. De strafvermindering is afhankelijk van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden. Daarbij hanteert de Hoge Raad voor wat betreft de inzendingstermijn de volgende uitgangspunten:

a. Indien in de laatste feitelijke instantie een gevangenisstraf van ten hoogste 12 jaar is opgelegd, wordt (het onvoorwaardelijk gedeelte van) die straf met een zeker percentage verminderd, te weten:

  1. met 5% bij een geringe overschrijding, dat wil zeggen een overschrijding van de inzendingstermijn met 4 maanden of minder;
  2. met 8% bij een aanmerkelijke overschrijding, dat wil zeggen een overschrijding van de inzendingstermijn met meer dan 4 maanden doch niet meer dan 8 maanden;
  3. met 10% bij een ernstige overschrijding, dat wil zeggen een overschrijding van de inzendingstermijn met meer dan 8 maanden doch niet meer dan 12 maanden;
  4. met een naar bevind van zaken vast te stellen percentage in de – zeldzame – gevallen waarin de inzendingstermijn met meer dan 12 maanden is overschreden en ook in de gevallen waarin een gevangenisstraf van meer dan 12 jaar is opgelegd.

b. Indien toepassing van deze regels zou leiden tot een strafvermindering met minder dan een halve week, pleegt de Hoge Raad te volstaan met het oordeel dat de geconstateerde verdragsschending voldoende is gecompenseerd met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM. Ook in specifieke gevallen kan deze beslissing volgen (bijv. HR 7 maart 2000, NJB 2000, p. 858, nr. 57: overschrijding van de redelijke termijn in een voordeelsontnemingszaak welke in hoger beroep en in cassatie nagenoeg tegelijk met de strafzaak is behandeld, met vermindering van de in de strafzaak opgelegde en nog te ondergane straf, en HR 4 juli 2000, NJ 2000, 558: overschrijding van de redelijke termijn in een zaak waarin terbeschikkingstelling met dwangverpleging was bevolen).

c. Indien in de laatste feitelijke instantie een geldboete is opgelegd (al dan niet gecombineerd met enige voorwaardelijke straf) of de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is bevolen, pleegt het bedrag van de geldboete of maatregel in alle hiervoren genoemde gevallen om praktische redenen in beginsel te worden verminderd met 10%, met een afronding die afhankelijk is van de hoogte van de geldboete of maatregel.

d. Op vergelijkbare wijze als onder c aangeduid wordt een straf verminderd die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte gedurende een aantal uren.

Toetsing door de Hoge Raad als cassatierechter

3.7. Als cassatierechter onderzoekt de Hoge Raad het oordeel van de feitenrechter inzake het tijdsverloop vóór de uitspraak waartegen beroep in cassatie is ingesteld. Dat onderzoek wordt als volgt begrensd:

a. Het oordeel van de feitenrechter inzake de redelijke termijn kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst, in die zin dat de Hoge Raad alleen kan onderzoeken of het oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van alle omstandigheden van het geval. Van onbegrijpelijkheid zal overigens niet licht sprake zijn omdat een dergelijk oordeel sterk verweven pleegt te zijn met waarderingen van feitelijke aard die zich onttrekken aan een beoordeling door de cassatierechter.

b. Ook het rechtsgevolg dat de feitenrechter heeft verbonden aan de door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn, kan slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst.

3.8. Bij deze toetsing geldt als uitgangspunt dat de rechter ambtshalve dient te onderzoeken of inbreuk is gemaakt op de onderhavige garantie van art. 6, eerste lid, EVRM. Hij behoeft in zijn uitspraak echter alleen in de volgende gevallen te doen blijken van dat onderzoek:

a. Als ter terechtzitting door of namens de verdachte ter zake verweer is gevoerd, aangezien op een zodanig verweer een gemotiveerde beslissing dient te worden gegeven.

b. Als in een bij verstek berechte zaak waarin de dagvaarding niet aan de verdachte in persoon is betekend, het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel dat de redelijke termijn niet is overschreden, zonder nadere motivering onbegrijpelijk zou zijn.

3.9. Opmerking verdient dat in cassatie niet met vrucht kan worden geklaagd over de overschrijding van de redelijke termijn als gevolg van het tijdsverloop vóór de bestreden uitspraak:

a. Wanneer de zaak in laatste feitelijke aanleg in tegenwoordigheid van de verdachte en/of diens raadsman is behandeld en ter terechtzitting een dergelijk verweer niet is gevoerd, en

b. Wanneer de verdachte en/of diens raadsman daar niet zijn verschenen maar de dagvaarding aan de verdachte in persoon is betekend.

In deze gevallen moet immers worden aangenomen dat de verdachte niet langer dan redelijk is onder de sub 3.11 bedoelde dreiging van een (verdere) strafvervolging heeft geleefd.

3.10. Bij zijn toetsing van het oordeel van de feitenrechter inzake de redelijke termijn kent de Hoge Raad gewicht toe aan onder meer de volgende factoren.

Strekking van het onderhavige voorschrift

3.11. Evenals de vergelijkbare regel van art. 14, derde lid aanhef en onder c, IVBPR beoogt het voorschrift van art. 6, eerste lid, EVRM inzake de behandeling van een strafzaak binnen een redelijke termijn te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging zou moeten leven.

Naast de bescherming die aldus aan de verdachte wordt geboden zijn er andere factoren die nopen tot een voortvarende afhandeling van strafzaken, zoals de preventieve werking die geacht wordt uit te gaan van berechting en bestraffing, de gerechtvaardigde belangen van het eventuele slachtoffer van het feit, en de ongunstige invloed van het tijdsverloop op de beoordeling van de feiten als gevolg van de verbleking van de herinnering van – bijvoorbeeld – eventuele getuigen.

Aanvang van de redelijke termijn

3.12. Op het aan de verdachte toegekende recht op berechting binnen een redelijke termijn kan inbreuk worden gemaakt door het tijdsverloop, te rekenen vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Een meer specifieke regel daaromtrent valt niet te geven. Anders dan wel wordt aangenomen, dwingt art. 6 EVRM niet tot de opvatting dat het eerste verhoor van de verdachte door de politie steeds als zodanige handeling heeft te gelden. Wel dienen de inverzekeringstelling van de verdachte en de betekening van de inleidende dagvaarding als een zodanige handeling te worden aangemerkt.

Duur van de redelijke termijn

3.13. De redelijkheid van de duur van een strafzaak is afhankelijk van onder meer de volgende omstandigheden:

a. De ingewikkeldheid van de zaak. Daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de omvang van het verrichte onderzoek, waaronder begrepen een gerechtelijk vooronderzoek, alsmede de gelijktijdige berechting van zaken tegen medeverdachten en/of van andere zaken tegen de verdachte.

b. De invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop. Daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de naleving door de verdachte van wettelijke voorschriften die mede met het oog op de betekening van gerechtelijke stukken in het leven zijn geroepen, en het doen van verzoeken door de verdediging die leiden tot vertraging in de afdoening van de zaak.

c. De wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

Daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de mate van voortvarendheid die in het opsporingsonderzoek, het gerechtelijk vooronderzoek en/of het onderzoek ter terechtzitting is betracht.

3.14. Voor wat betreft de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 2 jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden als onder 3.13 vermeld.

3.15. Een uitzondering dient evenwel te worden aangenomen voor de gevallen waarin a. de verdachte in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeert, en/of b. het strafrecht voor jeugdigen is toegepast.

In zulke gevallen behoort de zaak in eerste aanleg binnen 16 maanden te zijn afgedaan, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden als onder 3.13 vermeld.

3.16. Voor de berechting van de zaak in hoger beroep geldt het onder 3.12-3.15 gestelde eveneens. Behoudens de onder 3.13 vermelde bijzondere omstandigheden behoort in die procesfase het geding met een einduitspraak te zijn afgerond binnen 2 jaar nadat het rechtsmiddel is ingesteld, en binnen 16 maanden indien de verdachte in voorlopige hechtenis verkeert en/of het strafrecht voor jeugdige personen is toegepast.

3.17. Daarnaast geldt in de appèlfase dat in de regel sprake is van overschrijding van de redelijke termijn indien de stukken van het geding meer dan 8 maanden na het instellen van het hoger beroep ter griffie van de appèlrechter zijn binnengekomen.

3.18. Aan overschrijding van de inzendingstermijn behoeven evenwel geen rechtsgevolgen te worden verbonden indien de zaak in hoger beroep alsnog met bijzondere voortvarendheid ter terechtzitting wordt aangebracht en behandeld. De overschrijding van de inzendingstermijn wordt daardoor gecompenseerd.

3.19. Van overschrijding van de redelijke termijn kan eveneens sprake zijn indien op grond van art. 366 Sv een verstekmededeling dient te worden betekend en het openbaar ministerie bij die betekening niet de nodige voortvarendheid heeft betracht.

Van de hier bedoelde vertraging is in elk geval geen sprake:

a. Indien de verstekmededeling binnen 1 jaar na de uitspraak rechtsgeldig is betekend 1. hetzij aan de verdachte in persoon, 2. hetzij op de voet van het bepaalde in art. 588, tweede of derde lid, Sv. In de onder 2 bedoelde gevallen komt een na de betekening opgetreden vertraging immers voor rekening van de verdachte omdat er redelijkerwijs van kan worden uitgegaan dat hij door die betekening op de hoogte is geraakt van de uitspraak.

b. Indien de verstekmededeling binnen 1 jaar na de uitspraak rechtsgeldig is betekend door de in art. 588, eerste lid onder b sub 3°, Sv voorziene uitreiking aan de griffier om reden dat de verdachte niet als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens noch een feitelijke woon- of verblijfplaats van hem bekend is, én indien tevens blijkt dat het openbaar ministerie vervolgens – naast de plaatsing van de verdachte in het opsporingsregister – tenminste eenmaal per jaar heeft getracht de verstekmededeling alsnog te betekenen hetzij aan de verdachte in persoon hetzij overeenkomstig het bepaalde in art. 588, tweede of derde lid, Sv.

3.20. Ook wanneer het tijdsverloop in de afzonderlijke fasen van de procedure niet van dien aard is dat geoordeeld moet worden dat de redelijke termijn is overschreden, valt niet uit te sluiten dat in bijzondere gevallen de totale duur van het geding zodanig is dat een inbreuk op art. 6, eerste lid, EVRM moet worden aangenomen.

Rechtsgevolgen van overschrijding van de redelijke termijn

3.21. In de regel behoort overschrijding van de redelijke termijn te leiden tot strafvermindering. Voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in zijn vervolging is slechts in uitzonderlijke gevallen plaats.

3.22. De strafvermindering is afhankelijk van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden. Algemene regels omtrent de wijze waarop de straf dient te worden verminderd, zijn niet te geven. In dit verband dient evenwel te worden opgemerkt dat behalve de oplegging van een straf die minder hoog is dan de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden, als strafvermindering geldt de oplegging van een straf die op grond van art. 9 Sr als minder zwaar moet worden aangemerkt, of die in (gedeeltelijk) voorwaardelijke vorm wordt opgelegd.

Motiveringseisen

3.23. Naast wat onder 3.8 is overwogen omtrent de motiveringseisen die te dezen worden gesteld, verdient met het oog op de door de Hoge Raad uit te oefenen controle nog het volgende opmerking:

a. In verband met het uitzonderlijk karakter van de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in zijn vervolging als sanctie op overschrijding van de redelijke termijn gelden voor deze beslissing zware motiveringseisen.

b. In geval van strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn behoort de rechter in zijn uitspraak aan te geven in welke vorm of mate de straf is verlaagd. Dit betekent dat in de uitspraak ook vermeld dient te worden welke straf zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden.

4. Beoordeling van het middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president

W.J.M. Davids als voor-zit-ter, en de raadsheren

F.H. Koster, G.J.M. Corstens, A.M.J. van Buchem-Spapens en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 3 oktober 2000.

Eén gedachte over “ECLI:NL:HR:2000:AA7309”

  1. ECLI:NL:PHR:2000:AA7309

    Conclusie

    Nr. 775/99
    Zitting 16 mei 2000
    Mr Machielse

    Conclusie inzake:
    [Verzoeker=verdachte]

    Edelhoogachtbaar College,

    1. Het gerechtshof te Amsterdam heeft verzoeker op 4 maart 1999 bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht weken wegens opzetheling en schuldheling. Bovendien heeft het hof de teruggave gelast van 31 in beslag genomen lederen jassen en een in beslag genomen televisietoestel.

    2. Mr H.J. Veen, advocaat te Utrecht, heeft cassatie ingesteld. Mr M.W.G.J. IJsseldijk, eveneens advocaat te Utrecht, heeft een schriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie.

    3. Het middel klaagt over schending van het recht om binnen redelijke termijn te worden berecht. Dat recht zou zijn geschonden door achtereenvolgens (1) het tijdverloop tussen de pleegdatum en de behandeling van de zaak in eerste aanleg; (2) het tijdverloop tussen het instellen van hoger beroep en de behandeling in appèl, en – wanneer ik het middel welwillend lees – (3) de behandeling van de zaak als geheel.

    3.1. Voor de beoordeling van het middel is het volgende tijdverloop van belang:

    24 en 26 november 1994: datum waarop de bewezenverklaarde feiten zijn gepleegd;

    30 november 1994: huiszoeking bij verzoeker, verzoeker aangehouden en in verzekering gesteld;

    1 december 1994: verzoeker bekent leren jassen te hebben geheeld;

    1 december 1994: verzoeker in vrijheid gesteld;

    7 februari 1996: dagvaarding eerste aanleg in persoon uitgereikt;

    3 mei 1996: behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg;

    15 mei 1996: verzoeker stelt zelf hoger beroep in;

    18 september 1996: stukken ingekomen ter griffie van het hof;

    22 januari 1998: dagvaarding hoger beroep wordt overeenkomstig art. 588, derde lid onder b, Sv betekend aan een door de geadresseerde mondeling gemachtigde;

    18 februari 1998: behandeling ter terechtzitting in hoger beroep bij verstek;

    4 maart 1998: arrest gewezen;

    4 maart 1999: eerste poging om de mededeling van de uitspraak te betekenen aan het GBA-adres;

    5 april 1999: mededeling van de uitspraak onjuist uitgereikt aan de echtgenote van verzoeker (onjuist omdat de schriftelijke machtiging niet aan de akte van uitreiking is gehecht);

    14 april 1999: namens verzoeker wordt beroep in cassatie ingesteld;

    26 juli 1999: stukken ingekomen ter griffie van de Hoge Raad;

    18 april 2000: eerste behandeling van de zaak ter zitting van de Hoge Raad.

    3.2. Voorzover de steller van het middel ervan uitgaat dat de redelijke termijn is beginnen te lopen op het moment dat de feiten werden gepleegd gaat het uit van een onjuiste opvatting. Dat is immers niet het moment waarop vanwege de Staat jegens de verdachte een handeling is verricht waaraan deze de verwachting heeft ontleend en in redelijkheid ook heeft kunnen ontlenen, dat het Openbaar Ministerie een strafvervolging tegen hem zal instellen.1 In cassatie kan naar mij dunkt worden uitgegaan van de dag waarop verdachte in verzekering is gesteld en waarop huiszoeking heeft plaatsgevonden. Het tijdverloop tussen die datum en de behandeling van de zaak in eerste aanleg is weliswaar lang maar met het verstrijken van iets meer dan zeventien maanden nog niet onredelijk.

    3.3.

    3.4. Ook het tijdverloop tussen het instellen van hoger beroep en de behandeling van de zaak ter terechtzitting acht ik niet onredelijk. Ten eerste niet omdat de stukken van het geding binnen acht maanden na het instellen van hoger beroep bij de griffie van het hof zijn ingekomen. Ik neem aan dat de termijn die de Hoge Raad hanteert om te beoordelen of de stukken tijdig zijn ingestuurd in de cassatiefase, evenzeer opgaat voor de beoordeling daarvan in de appèlfase.2 Ten tweede niet omdat het verstrijken van negentien maanden en drie dagen tussen het instellen van hoger beroep en de behandeling van het appèl ter terechtzitting weliswaar onwenselijk lang is maar nog niet onredelijk.

    3.5.

    3.4. Na enige aarzeling acht ik de behandeling van de zaak als geheel ook niet in strijd met het recht om binnen redelijke termijn te worden berecht. De twijfel rees doordat pas op 4 maart 1999 de eerste poging is gedaan om de mededeling van de uitspraak in hoger beroep te betekenen.3 Uit de stukken blijkt ten minste niet van een eerdere poging. Die twijfel werd enigszins verminderd doordat verzoeker zelf hoger beroep had ingesteld maar vervolgens kennelijk niet meer heeft geïnformeerd hoe het daar mee stond.

    3.6. Indien ik er van uit ga dat de huiszoeking en de inverzekeringstelling van verzoeker de dag markeren waarop de in art. 6, eerste lid, EVRM bedoelde termijn aanvangt,4 dan heeft de behandeling van de zaak als geheel iets meer dan vijf jaar en vier maanden in beslag genomen. Dat acht ik weliswaar onwenselijk lang, maar voor verzoeker – die niet gedetineerd was – niet in strijd met het recht om binnen redelijke termijn te worden berecht. Zie in dit verband HR 26 oktober 1999, NJ 2000, 143 waarin mijn ambtgenoot Jörg overschrijding van de redelijke termijn aannam omdat de behandeling van de zaak tot de eerste behandeling ter terechtzitting van de Hoge Raad vijf jaar en drie maanden in beslag had genomen. Uw Raad dacht daar anders over en verwierp het cassatieberoep. Bijzondere omstandigheden die tot het oordeel zouden kunnen leiden in deze zaak daarover anders zou moeten worden gedacht heb ik niet aangetroffen.

    3.7.

    3.6. Het middel faalt.

    4. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

    5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

    De Procureur-Generaal
    bij de Hoge Raad der Nederlanden

    1 Vgl. EHRM 10 december 1982, NJ 1987, 828 (Foti); HR NJ 1998, 289.
    2 HR 22 september 1998, NJ 1998, 814 rov. 4.2. (acht maanden, cassatiefase); HR 1 juni 1999, NJ 1999, 588 rov. 4.3. (iets meer dan elf maanden, appèlfase; HR 22 juni 1999, nr. 110.815, rov. 3.4. (iets minder dan elf maanden, appèlfase).
    3 Vgl. HR 11 januari 2000, nr. 111.799; HR 11 april 1995, DD 95.288.
    4 HR 22 maart 1988, NJ 1988, 861 rov. 5.3.

Reacties zijn gesloten.