ECLI:NL:GHLEE:2012:BY1539

De officier van justitie heeft -overigens zonder enige overweging aan dit verzoek te wijden- van het horen afgezien en het beroep ongegrond verklaard. Nu de betrokkene heeft verzocht om gehoord te worden en geen van voormelde afwijzingsgronden zich voordoet, heeft de officier van justitie er ten onrechte van afgezien de betrokkene te horen. Hier doet niet aan af dat de betrokkene geen telefoonnummer heeft opgegeven. Het opgeven van een telefoonnummer door een betrokkene in een beroepschrift is immers niet wettelijk voorgeschreven en het niet opgeven ervan betreft, gelet op artikel 7:17 Awb, geen wettelijke grond om van het horen af te zien. Het hof merkt daarbij op dat deze gronden restrictief moeten worden toegepast.

Uitspraak

WAHV 200.098.294
2 juli 2012
CJIB 147636917

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam
van 23 september 2011
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam genomen beslissing ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Op 13 juni 2012 is nog een brief van de betrokkene ontvangen

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 160,- opgelegd ter zake van “Parkeren op gehandicaptenparkeerplaats anders dan met motorvoert. op meer dan 2 wielen met geldige gehand. parkeerkaart”, welke gedraging zou zijn verricht op 9 november 2010 om 20.29 uur op de Putsebocht te Rotterdam met het voertuig met het kenteken [00-AB-AB].

2. De betrokkene voert aan dat de officier van justitie ten onrechte heeft nagelaten om hem te horen. Voorts ontkent de betrokkene dat hij de gedraging niet heeft betwist; dit is ter zitting van de kantonrechter namelijk niet ter sprake gekomen. Ook brengt de betrokkene naar voren dat hij niet bewust en ongewild een overtreding heeft begaan. Het was voor hem in het geheel niet duidelijk dat er sprake was van een gehandicaptenparkeerplaats. De betrokkene merkt daarbij op dat de situatie ter plaatse ten tijde van de gedraging net was gewijzigd en dat de wijze waarop de invalidenparkeerplaats was aangegeven sterk afweek van de wijze waarop dat voorheen het geval was. Ten slotte brengt de betrokkene naar voren dat kantonrechter bevooroordeeld op hem over kwam, nu deze ter zitting aangaf het niet nodig te vinden om de verbalisanten te horen, terwijl de betrokkene juist vraagtekens bij hun wijze van handelen had gezet. Ten slotte vraagt de betrokkene zich af of de kantonrechter die de uitspraak heeft gedaan wel dezelfde is als die de betrokkene ter zitting heeft gezien.

3. Het proces-verbaal van de beslissing van de kantonrechter geeft het hof geen aanknopingspunt voor de veronderstelling dat de kantonrechter die de uitspraak heeft gedaan niet dezelfde is als de kantonrechter die de betrokkene ter zitting heeft gezien. Het enkele feit dat de kantonrechter ter zitting een vrouw was, terwijl in de ondertekening van de uitspraak niet de aanduiding “mw” is gebruikt is daartoe onvoldoende. Hierin ziet het hof derhalve hierin geen grond om tot vernietiging van de beslissing dan de kantonrechter over te gaan.

4. Ingevolge artikel 7:16 Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 7, tweede lid, WAHV moet de officier van justitie de indiener van het administratief beroep in de gelegenheid stellen te worden gehoord. Hij kan daar alleen van afzien, indien het beroep kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, de betrokkene niet gehoord wil worden of de officier van justitie hem volledig gelijk geeft (vergelijk artikel 7:17 Awb).

5. Het hof stelt vast dat de betrokkene in zijn beroepschrift tegen de inleidende beschikking heeft aangegeven dat hij door de officier van justitie gehoord wenste te worden. De officier van justitie heeft -overigens zonder enige overweging aan dit verzoek te wijden- van het horen afgezien en het beroep ongegrond verklaard. Nu de betrokkene heeft verzocht om gehoord te worden en geen van voormelde afwijzingsgronden zich voordoet, heeft de officier van justitie er ten onrechte van afgezien de betrokkene te horen.

6. Anders dan de advocaat-generaal betoogt, doet hier niet aan af dat de betrokkene hierbij -in weerwil van de toelichting op de achterzijde van de inleidende beschikking- geen telefoonnummer heeft opgegeven. Het opgeven van een telefoonnummer door een betrokkene in een beroepschrift is immers niet wettelijk voorgeschreven (vergelijk artikel 6:5 Awb en artikel 6, tweede lid, WAHV) en het niet opgeven ervan betreft, gelet op het hiervoor vermelde artikel 7:17 Awb, geen wettelijke grond om van het horen af te zien. Het hof merkt daarbij op dat deze gronden restrictief moeten worden toegepast. Het hof acht hierbij mede van belang dat de betrokkene in zijn beroepschrift tegen de inleidende beschikking voldoende (adres)gegevens heeft opgegeven om bereikbaar te kunnen zijn voor de officier van justitie. Overigens wijst het hof erop dat, gelet op artikel 7:19, derde lid, Awb, het horen dient te geschieden in het openbaar en dat slechts met toestemming van de betrokkene kan worden volstaan met telefonisch horen.

7. Ingevolge artikel 6:22 Awb kan een besluit waartegen beroep is ingesteld, ondanks schending van een vormvoorschrift door het orgaan dat op het beroep beslist, in stand worden gelaten indien blijkt dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

8. Het horen in administratief beroep dient een aantal belangen. In de totstandkomings-geschiedenis van de Awb is, voor zover hier van belang, erop gewezen dat het horen ertoe kan dienen om degene die niet goed in staat is om zijn bezwaren schriftelijk te verwoorden, de gelegenheid te bieden de bezwaren mondeling toe te lichten, om nadere informatie van het overheidsorgaan te krijgen en verder om door uitwisseling van informatie en standpunten het vertrouwen van de burger in de overheid – ook als hij geen gelijk krijgt – te versterken.

9. In onderhavige zaak kan niet worden geoordeeld dat deze met het horen gediende belangen niet zijn geschaad en evenmin dat de betrokkene door het niet horen niet is benadeeld. De officier van justitie heeft in de fase van het administratief beroep niet een zodanige compensatie geboden dat geoordeeld zou kunnen worden dat – ondanks de schending van de hoorplicht – van benadeling geen sprake is.

10. Anders dan de kantonrechter heeft overwogen, is het hof van oordeel dat in onderhavige zaak de uitzondering van artikel 6:22 Awb zich niet voordoet. Weliswaar is de betrokkene in de gelegenheid gesteld om bij de kantonrechter te worden gehoord, maar het hof heeft bij arrest van 28 oktober 2009 (WAHV 200.010.379, te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJN: BK 1036) geoordeeld dat dit er niet toe leidt dat de betrokkene niet is benadeeld in zijn belangen die met het horen door de officier van justitie worden gediend. Daarbij heeft het hof opgemerkt dat de officier van justitie in het kader van de rechtsbescherming op grond van de WAHV een eigen relevante positie heeft en, anders dan de kantonrechter, ook op doelmatigheidsgronden sanctiebeschikkingen kan wijzigen of ongedaan maken, terwijl bovendien de kantonrechter eerst na voorafgaande zekerheidstelling aan de inhoudelijke bezwaren kan toekomen.

11. Dit brengt mee dat de kantonrechter ten onrechte het tegen de officier van justitie gerichte beroep van de betrokkene ongegrond heeft verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen. Dit betekent dat de overige bezwaren van de betrokkene tegen de beslissing van de kantonrechter geen bespreking behoeven. Het hof zal doen hetgeen de kantonrechter op de voet van artikel 13, eerste lid, WAHV, had behoren te doen, te weten het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren, die beslissing van de officier van justitie vernietigen en beoordelen of de onder 1. genoemde beschikking in stand kan blijven.

12. De ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB houdt, zakelijk weergegeven, in dat een Ford met het kenteken [00-AB-AB] op de onder 1 genoemde plaats en tijd op een gehandicaptenparkeerplaats stond geparkeerd.

13. Mede in aanmerking genomen dat de betrokkene niet heeft bestreden dat er bij de betreffende gehandicaptenparkeerplaats een verkeersbord E6 was geplaatst, is naar de overtuiging van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht.

14. Vervolgens dient het hof te beoordelen of er omstandigheden zijn die meebrengen dat het opleggen van een sanctie niet billijk is dan wel matiging daarvan gerechtvaardigd is.

15. Vooropgesteld wordt dat op grond van artikel 2, derde lid, WAHV de hoogte van de sanctie voor elke zogenoemde Muldergedraging is vastgesteld in de bij de wet behorende bijlage. De in hoge mate tariefsmatige afdoening van deze gedragingen brengt mee dat de omstandigheden van het concrete geval niet licht van invloed zullen zijn op de hoogte van de opgelegde sanctie. Slechts bijzondere omstandigheden kunnen leiden tot het oordeel dat het opleggen van een sanctie niet billijk is dan wel dat matiging daarvan gerechtvaardigd is.

16. Dat het voor de betrokkene niet duidelijk was dat er sprake was van een gehandicaptenparkeerplaats, is niet als een zodanige omstandigheid aan te merken. Zoals hiervoor is overwogen staat vast dat de betreffende parkeerplaats was voorzien van het bord E6. Van iedere weggebruiker mag worden verwacht dat hij oplettend is op de aanwezige bebording. Dit brengt mee dat de betrokkene zich, eventueel na het parkeren, er van had moeten vergewissen of parkeren op de beoogde parkeerplaats was toegestaan. Dit geldt temeer indien er sprake is van een bijzondere situatie, als hoedanig de wijziging van en bestaande verkeerssituatie kan worden aangemerkt. Dat de betrokkene dat in dit geval heeft nagelaten, het bord niet heeft opgemerkt, en daardoor onbewust en ongewild de gedraging heeft verricht, is daarom een omstandigheid die voor zijn rekening en risico dient te blijven. Dat de verbalisant die de bekeuring heeft opgelegd, de betrokkene niet (eerst) op de gedraging heeft aangesproken, maakt dat niet anders.

17. Overigens merkt het hof ten behoeve van de betrokkene nog op dat artikel 62 RVV 1990 de gedragsregel vaststelt dat weggebruikers verplicht zijn gevolg te geven aan verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden, zonder dat onderscheid wordt gemaakt of de verkeerstekens al dan niet met inachtneming van de daarvoor geldende wettelijke voorschriften zijn geplaatst. Het staat dan ook niet ter beoordeling van de weggebruiker of een verkeersbord overeenkomstig de voorschriften en terecht is geplaatst.

18. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het hof van oordeel dat de sanctie terecht aan de betrokkene is opgelegd. Derhalve zal het hof beslissen als na te melden.

19. Niet is gebleken dat de betrokkene proceskosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

Het gerechtshof:

  • vernietigt de beslissing van de kantonrechter.
  • verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie d.d. 6 januari 2011 en gegrond en vernietigt die beslissing;
  • verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *