ECLI:NL:GHLEE:2011:BR2226

Het hof gaat om. De betrokkene, een vof, is opgehouden te bestaan. Art. 25, lid 3, WAHV is alleen van toepassing op natuurlijke personen. Voor de vraag wat de gevolgen zijn voor de mogelijkheid van oplegging en handhaving van een sanctie aan een ander dan een natuurlijk persoon, indien deze is opgehouden te bestaan, dient aansluiting te worden gezocht bij het strafrecht.

Uitspraak

WAHV 200.081.802
11 juli 2011
CJIB 139817700
Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Roermond
van 26 januari 2011
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
gevestigd te [vestigingsplaats],
voor wie als gemachtigde optreedt mr. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Roermond genomen beslissing niet-ontvankelijk verklaard. Voorts heeft de kantonrechter het verzoek van betrokkene tot vergoeding van kosten afgewezen. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Anders dan de advocaat-generaal heeft betoogd ziet het hof geen aanleiding om het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, omdat door de gemachtigde van de betrokkene niet (opnieuw) een machtiging is overgelegd. Naar het oordeel van het hof wordt door de advocaat-generaal in zijn standpunt miskend dat niet-ontvankelijkverklaring op die grond slechts kan plaatsvinden nadat de gemachtigde in de gelegenheid is gesteld een machtiging over te leggen en de gemachtigde nalatig is gebleven een dergelijke machtiging te verstrekken. Voorts ziet het hof geen aanleiding om een machtiging op te vragen bij de gemachtigde. In het dossier bevindt zich een machtiging afgegeven door de vertegenwoordiger van de betrokkene. In de enkele omstandigheid dat de betrokkene, zijnde een vennootschap onder firma, nadien is opgeheven, ziet het hof geen reden om een nieuwe machtiging te verlangen.

2. Namens de betrokkene is aangevoerd dat de betrokkene, zijnde een vennootschap onder firma, is opgeheven per 14 april 2010. Die situatie dient gelijkgesteld te worden aan de situatie in artikel 25, derde lid, WAHV, waarin is bepaald dat het recht om verhaal te nemen vervalt door het overlijden van de betrokkene. Naar de mening van de gemachtigde heeft dit tot gevolg dat de kantonrechter het beroep gegrond had dienen te verklaren en de beslissing van de officier van justitie alsmede de inleidende beschikking had moeten vernietigen. In plaats daarvan heeft de kantonrechter overwogen dat de betrokkene geen belang meer had bij een behandeling van zijn beroep tegen de beslissing van de officier van justitie, aangezien het recht om verhaal te nemen is vervallen, en heeft hij het beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard. Wel heeft de kantonrechter overwogen dat de zekerheidstelling aan de betrokkene dient te worden gerestitueerd, zodat reeds daaruit het procesbelang volgt, aldus de gemachtigde.

3. Het hof oordeelt dat in artikel 14 WAHV geen beletsel aanwezig is om het hoger beroep ontvankelijk te achten. De door de kantonrechter gegeven beslissing komt neer op een niet-ontvankelijkverklaring van het beroep, terwijl de onderliggende sanctiebeslissing nog bestaat. Deze situatie valt daarom niet op een lijn te stellen met de situatie waarop het door de advocaat-generaal genoemde arrest van het hof van 8 november 2010 (WAHV 200.062.971, LJN BP2948 te raadplegen via rechtspraak.nl), betrekking heeft. Op grond van artikel 14, tweede lid, WAHV is het hoger beroep ontvankelijk.

4. Het hof stelt vast dat uit een door de gemachtigde overgelegd uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel blijkt dat de betrokkene per 14 april 2010 is ontbonden.

5. De WAHV kent geen bepaling waarin geregeld is welke de gevolgen zijn voor de mogelijkheid van oplegging en handhaving van een sanctie aan een ander dan een natuurlijke persoon, indien deze is opgehouden te bestaan. De WAHV geeft in artikel 25, derde lid, slechts een regeling voor de mogelijkheid van verhaal indien degene aan wie de sanctie is opgelegd is overleden. Gelet op de redactie van deze bepaling geldt deze slechts voor natuurlijke personen.

6. Het hof ziet, gelet op de directe en nauwe samenhang tussen gedragingen op grond van de WAHV enerzijds en strafrechtelijk gesanctioneerde overtredingen van op het verkeer betrekking hebbende voorschriften gesteld bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 anderzijds, aanleiding om voor het antwoord op de vraag welke de gevolgen zijn voor de mogelijkheid van oplegging en handhaving van een sanctie aan een ander dan een natuurlijke persoon, indien deze is opgehouden te bestaan, aansluiting te zoeken bij hetgeen in strafrechtelijk verband rechtens is. Dit komt erop neer dat indien bij het opleggen van de sanctie, de niet-natuurlijke persoon reeds voor derden kenbaar is opgehouden te bestaan, de bevoegdheid tot opleggen van de sanctie niet meer bestaat. Dit lijdt uitzondering indien de niet-natuurlijke persoon wordt voortgezet door een andere niet-natuurlijke persoon. In zodanig geval is de maatschappelijke realiteit beslissend voor de vraag of de sanctie aan de opvolgende niet-natuurlijke persoon kan worden opgelegd. Indien de niet-natuurlijke persoon na de oplegging van de sanctie voor derden kenbaar ophoudt te bestaan, heeft dit – en in zoverre komt het hof terug op zijn arrest van 22 mei 2002 (WAHV 01/00479, LJN AE3590 te raadplegen via rechtspraak.nl) – geen gevolgen voor de mogelijkheid van handhaving van de opgelegde sanctie. Evenmin komt door het enkele ophouden te bestaan van de niet-natuurlijke persoon de mogelijkheid van verhaal te vervallen.

7. Nu in het onderhavige geval de inleidende beschikking is opgelegd voordat de betrokkene, zijnde een vennootschap onder firma, was ontbonden, is er geen sprake van de situatie dat geen administratieve sanctie aan de betrokkene opgelegd had mogen worden dan wel niet gehandhaafd mag worden. Evenmin vervalt de mogelijkheid van verhaal. Dat brengt mee dat de beslissing van de kantonrechter niet in stand kan blijven, zij het op andere grond dan namens de betrokkene betoogd. Na vernietiging van de beslissing van de kantonrechter, zal het hof doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, te weten het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.

8. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 21,- opgelegd ter zake van “overschrijding maximum snelheid op autosnelwegen, met 5 km/h”, welke gedraging zou zijn verricht op 14 maart 2010 om 13.14 uur op de Rijksweg A73 links te Maasbracht met het voertuig met het kenteken [00-AB-AB].

9. Bij beslissing van 12 juli 2010 heeft de officier van justitie het beroep van de betrokkene tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard.

10. Namens de betrokkene is aangevoerd dat de officier van justitie ten onrechte niet inhoudelijk is ingegaan op de aangevoerde gronden van het beroep tegen de inleidende beschikking. Die gronden hielden in dat uit de foto van de gedraging blijkt dat de maximum toegestane snelheid 0 km/h bedroeg, zodat de betrokkene de maximumsnelheid niet kan hebben overschreden.

11. In WAHV-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

12. De ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB houdt onder meer het volgende in:

“De werkelijke snelheid stelde ik vast m.b.v. een voor de meting geteste, geijkte en op de voorgeschreven wijze gebruikte radarsnelheidsmeter/lusdetectiemethode.

Gemeten (afgelezen) snelheid: 129 km per uur.
Werkelijke (gecorrigeerde) snelheid: 125 km per uur.
Toegestane snelheid: 120 km per uur.
Overschrijding met: 5 km per uur.”

13. In het dossier bevindt zich verder eveneens een kopie van de foto van de betreffende gedraging. Hieruit volgt dat op 14 maart 2010, om 13.14 uur, is geconstateerd dat met het voertuig van de betrokkene met een (gemeten) snelheid werd gereden van 129 km/h. Op de gegevens op de foto staat vermeld dat de bordsnelheid 0 km/h bedroeg.

14. In het dossier bevindt zich een door de verbalisant ingevuld formulier (statiefcontrole) met algemene gegevens over de betreffende snelheidsmeting. Hierop staat vermeld dat de maximumsnelheid ten tijde van de gedraging 120 km/h bedroeg en dat die maximumsnelheid niet door middel van een verkeersbord werd aangegeven.

15. Gelet op het vorenstaande ziet het hof in hetgeen namens de betrokkene is aangevoerd geen aanleiding te twijfelen aan de vaststelling dat met het voertuig van de betrokkene de maximumsnelheid is overschreden. Het hof kan de gemachtigde niet volgen in zijn redenering dat er geen maximumsnelheid van toepassing was. Uit de verklaring van de verbalisant blijkt immers dat er geen verkeersbord aanwezig was dat een afwijkende maximumsnelheid aangaf, zodat op grond van artikel 21, aanhef en onder a, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 op de betreffende autosnelweg een maximumsnelheid gold van 120 km/h.

16. In het licht van hetgeen de betrokkene heeft aangevoerd en het vorenstaande in aanmerking genomen, is het hof van oordeel dat de officier van justitie kon volstaan met de gegeven motivering van zijn beslissing.

17. Naar het oordeel van het hof heeft de officier van justitie derhalve een juiste beslissing gegeven, zodat het hof het beroep tegen die beslissing ongegrond zal verklaren.

18. Nu de beslissing van de kantonrechter dient te worden vernietigd, ziet het hof aanleiding om de door de betrokkene verzochte kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand te vergoeden, voor zover die kosten betrekking hebben op de procedure van het hoger beroep. Naar het oordeel van het hof komen die proceskosten op grond van het toepasselijke Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking. Door de gemachtigde van de betrokkene zijn de volgende proceshandelingen verricht: het indienen van een hoger beroepschrift en het indienen van een nadere toelichting op het hoger beroep. Voor het indienen van een beroepschrift dient één punt te worden toegekend en voor het indienen van een nadere toelichting een halve punt. De waarde per punt bedraagt € 437,-. Gelet op de aard van de zaak beoordeelt het hof het gewicht van de zaak als licht (wegingsfactor 0,5). Dit leidt tot de volgende berekening: 1,5 x € 437,- x 0,5 = € 327,75.

Beslissing

Het gerechtshof:

  • vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 327,75, te betalen door overboeking op bankrekeningnummer [rekeningnummer] ten name van Meerts te Beegden.

Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Beswerda en Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Kuiper als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

2 gedachten over “ECLI:NL:GHLEE:2011:BR2226”

  1. Na ECLI:NL:GHLEE:2002:AE3590 gaat het hof om naar deze uitspraak. Zie punt 5 en 6 voor de motivering.
    De nieuwe richtlijn uit deze uitspraak wordt tot op heden bevestigd en toegepast:
    Arrest van 21 maart 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:2368
    Arrest van 08 juni 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:4558
    Arrest van 13 oktober 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:7670

    Bijvoorbeeld het arrest van 21 maart 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:2368:

    2. De gemachtigde voert in de nadere toelichting op het hoger beroep aan dat de [betrokkene] ten tijde van de gedraging al bijna drie jaar niet meer bestond. De onderneming is weliswaar overgedragen, maar niet aan een opvolgend rechtspersoon. Een natuurlijk persoon heeft de zaak voortgezet. Aangezien de [betrokkene] op 1 januari 2011 is opgehouden te bestaan kan de sanctie niet aan deze rechtspersoon opgelegd worden.
    
    ...
    
    6. Uit de stukken van het dossier blijkt dat de betrokkene ten tijde van het opleggen van de sanctie reeds voor derden kenbaar was opgehouden te bestaan. Dit brengt mee dat er geen bevoegdheid bestond voor het opleggen van de sanctie. Dit lijdt enkel tot uitzondering, zo volgt uit het hiervoor aangehaalde arrest van 11 juli 2011, indien de niet-natuurlijke persoon wordt voortgezet door een andere niet-natuurlijke persoon. Daarvan is in onderhavige zaak geen sprake.
  2. Zie ook ECLI:NL:GHARL:2015:7670. In deze zaak is de gedraging verricht op 23 januari 2012 en de sanctie is opgelegd aan de oude VOF. Uit een uittreksel van de Kamer van Koophandel blijkt dat er nu sprake is van een eenmanszaak. Deze eenmanszaak wordt sinds 31 december 2011, hetgeen op 2 januari 2012 in het handelsregister is geregistreerd, gedreven door een bij de VOF betrokken vennoot. Verder blijkt dat de bedrijfsactiviteiten van de VOF met dezelfde bedrijfsmiddelen door deze eenmanszaak zijn voorgezet. Uit de stukken van het dossier blijkt dat de betrokkene ten tijde van het opleggen van de sanctie reeds voor derden kenbaar was opgehouden te bestaan. Dit brengt mee dat er geen bevoegdheid bestond voor het opleggen van de sanctie. Dit lijdt enkel tot uitzondering, zo volgt uit het aangehaalde arrest, indien de niet-natuurlijke persoon wordt voortgezet door een andere niet-natuurlijke persoon.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *