ECLI:NL:GHLEE:2009:BJ3210

Het hof gaat om. Undue delay leidt niet langer tot vernietiging van de inleidende beschikking. Het hof zal voortaan volstaan met de vaststelling dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden.

Uitspraak

WAHV 200.007.460
21 juli 2009
CJIB 89093865683
Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Utrecht
van 5 februari 2008
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
gevestigd te [woonplaats] (Duitsland).

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Utrecht genomen beslissing niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal heeft een reactie gegeven op de nadere toelichting op het beroep.

Beoordeling

1. Ingevolge het bepaalde in artikel 14, eerste lid, WAHV in verbinding met de artikelen 6:24, 6:7 en 6:8 Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient het hoger beroep te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen een termijn van zes weken, welke termijn aanvangt op de dag na die waarop een afschrift van de bestreden beslissing aan de betrokkene is toegezonden.

2. Blijkens de gedingstukken is de bestreden beslissing op 5 februari 2008 aan de betrokkene toegezonden. De beroepstermijn eindigde derhalve op 18 maart 2008. Het beroepschrift is gedateerd 31 maart 2008 en het is blijkens een daarop gesteld stempel op 4 april 2008 bij het CJIB ingekomen. Het hoger beroep is dus niet tijdig ingesteld.

3. Artikel 6:11 Awb bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4. Indien moet worden aangenomen dat een betrokkene de Nederlandse taal niet voldoende beheerst, brengt het bepaalde in artikel 6 van het Europese verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) mee, dat mededelingen die betrekking hebben op de wettelijke vereisten waaraan moet zijn voldaan wil het beroep bij de rechter ontvankelijk zijn, moeten worden gedaan in een taal die zij redelijkerwijze geacht kan worden te beheersen. Bij gebreke daarvan is het in artikel 6 EVRM besloten liggende recht op toegang tot de rechter niet gewaarborgd.

5. Aangenomen moet worden dat de betrokkene de Nederlandse taal niet beheerst, aangezien zij in Duitsland gevestigd is en steeds in de Duitse taal heeft gecorrespondeerd.

6. Onder de beslissing van de kantonrechter is de betrokkene in de Nederlandse taal gewezen op de mogelijkheid om daartegen hoger beroep in te stellen. Nu de rechtsmiddelenverwijzing niet in de Duitse taal is gesteld, kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat de betrokkene in verzuim is geweest. Het hof acht het hoger beroep daarom ontvankelijk.

7. In hoger beroep is niet bestreden, dat de betrokkene niet binnen de in artikel 11, derde lid, WAHV gestelde termijn zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de opgelegde administratieve sanctie en evenmin dat de betrokkene dit verzuim niet binnen een nader gestelde termijn heeft hersteld.

8. Het hof stelt vast dat de betrokkene vanaf de beslissing van de officier van justitie van 1 augustus 2006 tot aan de verzending van de mededeling omtrent het doorsturen van het dossier naar de kantonrechter op 28 november 2007 niets van de zijde van justitie heeft vernomen. Deze vertraging is niet te wijten aan de betrokkene, maar aan de omstandigheid dat de CVOM de op 16 augustus 2006 en op 31 augustus 2006 verzonden zekerheidsbrieven heeft voorzien van een onjuiste adressering en de omstandigheid dat de CVOM de op 28 augustus 2007 verzonden zekerheidsbrief ten onrechte heeft verzonden aan de huurder van het voertuig. Van enige voortvarendheid in het vervolg van de procedure waarmee de genoemde periode van vertraging zou kunnen worden gecompenseerd is het hof niet gebleken.

9. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het hof van oordeel dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden.

10. Het hof heeft in gevallen, waarin de redelijke termijn van berechting werd overschreden geoordeeld, dat dit tot gevolg diende te hebben, dat de inleidende beschikking werd vernietigd.

De Hoge Raad heeft bij zijn arrest van 15 november 1994 (NJ 1995/187) in verband met de overschrijding van de redelijke termijn in een WAHV-zaak de bij de inleidende sanctie op 250 gulden gestelde sanctie verlaagd tot 100 gulden.

De Hoge Raad heeft bij zijn arrest van 3 oktober 2000 (LJN AA7309, NJ 2000/721) algemene uitgangspunten en regels geformuleerd waarop zijn rechtspraak ter zake van de overschrijding van de redelijke termijn op dat moment was gebaseerd. Ten aanzien van geldboetes werd het navolgende overwogen:

"indien in de laatste feitelijke instantie een geldboete is opgelegd (….) pleegt het bedrag van de geldboete (…) in alle (….) gevallen om praktische redenen in beginsel te worden verminderd met 10%, met een afronding die afhankelijk is van de hoogte van de geldboete (….)."

Gelet op de omstandigheid dat de laatstgenoemde uitspraak geen rechtstreekse betekenis had en kon hebben op WAHV-zaken, nu de beoordeling daarvan in laatste instantie inmiddels door het hof geschiedde, heeft het hof als uitgangspunt gehanteerd, gelet op de geringe hoogte van de meeste opgelegde sancties en indachtig dat – althans in een groot deel van de gevallen – de sanctie reeds als zekerheid is gesteld, dat bij overschrijding van de redelijke termijn van berechting de inleidende beschikking werd vernietigd.

11. Bij arrest van 17 juni 2008 (LJN BD2578, NJ 2008/358) heeft de Hoge Raad de regels inzake overschrijding van de redelijke termijn herijkt.

In overweging 3.6.2. van dat arrest wordt, zakelijk weergegeven, overwogen dat onder meer bij een geldboete waarvan het onvoorwaardelijk deel minder beloopt dan € 1000,- geen vermindering wordt toegepast, maar wordt volstaan met het oordeel dat de geconstateerde verdragsschending voldoende is gecompenseerd met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, EVRM.

Het hof is van oordeel, dat deze herijking van de regels inzake overschrijding van de redelijke termijn in strafzaken noopt tot herziening van de rechtspraak van het hof met betrekking tot de gevolgen van overschrijding van de redelijke termijn in WAHV-zaken.

Immers, indien het hof het eerder ingenomen standpunt handhaaft ten aanzien van de sanctionering van de overschrijding van de redelijke termijn, betekent dit bijvoorbeeld dat degene die met een zodanig hoge snelheid rijdt dat sprake is van een strafbaar feit, en degene die een gedraging begaat, waarbij letsel of schade is toegebracht en om die reden niet meer onder het regiem van de WAHV valt, slechts worden gecompenseerd door de vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden, terwijl in WAHV-zaken de compensatie maximaal zou zijn. Het hof zal dan ook voortaan volstaan met de constatering als onder 9. gedaan.

12. Aangezien de betrokkene geen zekerheid heeft gesteld, zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

Beslissing

Het gerechtshof:

  • bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mrs. Poelman, Beswerda en Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Van der Heide als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

Eén gedachte over “ECLI:NL:GHLEE:2009:BJ3210”

  1. In het arrest van 3 maart 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:1777, wordt verwezen naar onderhavig arrest.

    23. Het hof heeft bij een beroep op schending van de redelijke termijn van berechting in WAHV-zaken tot nu toe steeds aansluiting gezocht bij de rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot schending van de redelijke termijn van berechting in strafzaken (vgl. het arrest van het hof van 21 juli 2009, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHLEE:2009:BJ3210). De Hoge Raad hanteert als zijn uitgangspunt in de strafrechtspraak dat sancties bij schending van de redelijke termijn moeten worden gematigd. Bij (onder meer) geldboetes onder de € 1000,- geldt dit niet; dan wordt volstaan met de constatering dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, van het EVRM.

    Toekenning van schadevergoeding in geval van schending van de redelijke termijn van berechting is afhankelijk van het feit of aan de zaak een bestraffende sancties ten grondslag ligt en of matiging van de sanctie (on)mogelijk is. Als matiging van de sanctie mogelijk is, vindt dat alleen plaats als de sanctie € 1.000,- of hoger is.

    24. Door de hoogste bestuursrechtelijke instanties is vaste jurisprudentie ontwikkeld met betrekking tot schending van de redelijke termijn van berechting. Deze houdt kort gezegd in dat in reguliere bestuursrechtelijke procedures, waar de gemachtigde naar verwijst, met toepassing van artikel 8:73 Awb een schadevergoeding wordt toegekend wanneer de redelijke termijn is overschreden. De hoogste bestuursrechters hanteren dit uitgangspunt evenwel niet in procedures waaraan bestraffende sancties ten grondslag liggen. In die zaken wordt, in navolging van het arrest van de (belastingkamer van de) Hoge Raad van 19 december 2008 (vindplaats ECLI:NL:HR:2008:BD0191), een matiging van de sanctie toegepast wanneer de redelijke termijn van berechting is overschreden. Voor een immateriële schadevergoeding is slechts plaats wanneer matiging niet mogelijk is omdat de sanctie geheel is vernietigd of ongedaan gemaakt (vgl. het arrest van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 september 2010, vindplaats ECLI:NL:RVS:2010:BN7011). In fiscale zaken blijft matiging achterwege bij een sanctie lager dan € 1000,-. In dat geval wordt volstaan met het oordeel dat de geconstateerde verdragsschending voldoende is gecompenseerd met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, van het EVRM (vgl. voormeld arrest van de Hoge Raad van 19 december 2008).
    
    25. In (inmiddels bestendige) jurisprudentie is bepaald dat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg ten hoogste twee jaar bedraagt, waarbij de termijn aanvangt op het moment dat vanwege het bestuursorgaan jegens de beboete persoon een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een boete zal worden opgelegd. De procedure in bezwaar of administratief beroep is in deze termijn begrepen; de termijn eindigt met de uitspraak van de rechtbank. De redelijke termijn in hoger beroep bedraagt eveneens ten hoogste twee jaren vanaf het moment dat het rechtsmiddel is ingesteld (vgl. ABRvS, 29 januari 2014; ECLI:NL:RVS:2014:188 en CBb 28 maart 2013; ECLI:NL:CBB:2013:BZ6866).

    Het hof hanteert in WAHV-zaken ook dit beoordelingskader als in bestuursrechtelijke procedures inzake bestraffende sancties.

    26. Net als in bestuursrechtelijke procedures inzake bestraffende sancties ligt in WAHV-zaken een sanctie aan de procedure ten grondslag. Het hof past daarom voortaan bij een beroep op schending van de redelijke termijn van berechting – overeenkomstig de bestuursrechtelijke rechtspraak inzake bestraffende sancties – het hiervoor besproken beoordelingskader toe. Tot een materieel andere uitkomst voor de betrokkene zal dit in het algemeen niet leiden, aangezien het sanctiebedrag van WAHV-sancties (thans) altijd minder dan € 1000,- bedraagt.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *