ECLI:NL:GHLEE:2007:BA0208

In casu sprake van onredelijke vertraging in de berechting. De betrokkene heeft telkens binnen korte termijn beroep ingesteld. Tussen het tijdstip van ontvangst van de stukken ter griffie van de rechtbank en het tijdstip van verzending van de stukken naar de griffie van het hof ligt een termijn van zestien maanden, welke gekenmerkt is door enkele periodes van langdurige en onverklaarbare inactiviteit van de zijde van de justitiële autoriteiten. Vertraging is in casu derhalve uitsluitend te wijten aan de justitiële autoriteiten. Vernietiging van de inleidende beschikking.

Uitspraak

WAHV 06/01206
9 januari 2007
CJIB 79078692927
Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Maastricht
van 29 december 2005
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Maastricht ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van Euro 95,- opgelegd ter zake van “niet zoveel mogelijk rechts houden op een autoweg of autosnelweg”, welke gedraging zou zijn verricht op 6 december 2004 om 17:38 uur op de Hulsberg in de gemeente Nuth met het voertuig met kenteken [kenteken]

3.2. De betrokkene ontkent de gedraging te hebben verricht. Zij stelt dat het, gelet op het tijdstip van de dag en haar snelheid van 100 km per uur, niet mogelijk is geweest dat zij “voortdurend” links heeft gereden, zoals de verbalisant heeft verklaard. Gedurende de procedure bij de kantonrechter heeft de betrokkene bij brief van 30 juli 2005 geklaagd over de lange duur van die procedure. Zij heeft daarom verzocht te worden geïnformeerd over de geldende wettelijke termijnen.

3.3. Anders dan de betrokkene veronderstelt schrijft de WAHV de kantonrechter niet voor binnen welke termijn op het beroep dient te worden beslist. Niettemin kenmerkt de WAHV zich door een, in vergelijking met de strafrechtelijke afdoening, vereenvoudigde procedure gericht op een meer doelmatige afdoening van lichte verkeersovertredingen. In deze procedure wordt van de betrokkene die een beroep wil doen op rechtsbescherming een actief optreden verwacht, gebonden aan korte en in beginsel fatale termijnen. Daartegenover mag van de bestuurlijke en rechterlijke autoriteiten, die in de procedure in het algemeen niet of slechts aan termijnen van orde gebonden zijn worden verwacht, dat zij met de nodige voortvarendheid de zaak behandelen.

Of en wanneer sprake is van onredelijke vertraging in de berechting is, naast het gebrek aan voortvarendheid bij de afhandeling van de zaak in de verschillende stadia van de procedure, afhankelijk van onder meer de ingewikkeldheid van de zaak en de invloed van de betrokkene en/of de gemachtigde op het procesverloop. Het oordeel, dat er sprake is van onredelijke vertraging in de berechting wordt bepaald door de omstandigheden van het concrete geval. Veelal zal er dan sprake zijn van perioden van inactiviteit van de bevoegde autoriteiten zonder aanwijsbare en aanvaardbare oorzaak. Een dergelijke periode van inactiviteit kan echter worden gecompenseerd door een grotere mate van voortvarendheid in het vervolg van de procedure.

3.4. Uit de stukken van het geding blijkt het volgende. De gedraging heeft plaatsgevonden op 6 december 2004. De inleidende beschikking is op 19 januari 2005 verzonden. De betrokkene heeft op 25 januari 2005 beroep ingesteld tegen de inleidende beschikking. De beslissing van de officier d.d. 17 februari 2005 is op 18 februari 2005 verzonden. De betrokkene heeft op 21 februari 2005 beroep ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie. Door de betrokkene is op 8 april 2005 zekerheid gesteld. De stukken van het geding zijn op 27 juni 2005 ter griffie van de rechtbank ontvangen. Bij brief van 24 oktober 2005 heeft de griffier van de rechtbank de betrokkene uitgenodigd voor de zitting van de kantonrechter op 15 december 2005. De beslissing van de kantonrechter is op 6 maart 2006 naar de betrokkene verzonden. Bij brief van 18 maart 2006 heeft de betrokkene tegen die beslissing hoger beroep ingesteld. De griffier van de rechtbank heeft het beroepschrift alsmede de stukken van het geding op 17 oktober 2006 verzonden naar het hof.

3.5. Het hof stelt vast dat tussen het tijdstip van verzending van de inleidende beschikking en de beslissing op het hoger beroep een periode van nagenoeg vierentwintig maanden is verlopen. Volgens vaste jurisprudentie van het hof rechtvaardigt die periode op zichzelf nog niet het oordeel dat van onredelijke vertraging in de berechting sprake is geweest. Het hof stelt echter vast dat de stukken van het geding, na ontvangst van de zekerheidstelling, niet binnen de voorgeschreven termijn van 6 weken naar de griffie van de rechtbank zijn verzonden, terwijl de officier van justitie het beroep van de betrokkene ongegrond had verklaard en heroverweging niet tot een ander oordeel had geleid. Tussen het tijdstip van ontvangst van de stukken ter griffie van de kantonrechter en het tijdstip van verzending van de stukken naar de griffie van het hof ligt een termijn van 16 maanden, welke gekenmerkt is door enkele periodes van langdurige en onverklaarbare inactiviteit van de zijde van de justitiële autoriteiten. Zo is de beslissing van de kantonrechter bijna negen weken na de datum van de beslissing bekendgemaakt aan de betrokkene, en zijn de stukken van het geding ruim acht maanden na ontvangst van het hoger beroepschrift naar het hof verzonden.

3.6. Het vorenoverwoge brengt het hof tot het oordeel dat in deze zaak sprake is geweest van onredelijke vertraging in de berechting, welke vertraging uitsluitend is te wijten aan enkele periodes van langdurige inactiviteit van de zijde van de justitiële autoriteiten. Dit brengt mee dat het hof de beslissing van de kantonrechter, de beslissing van de officier van justitie en de inleidende beschikking zal vernietigen, en dat hetgeen de betrokkene tot zekerheid heeft gesteld aan haar dient te worden gerestitueerd. Niet gebleken is van kosten van de zijde van de betrokkene die voor vergoeding in aanmerking komen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

  • verklaart het ingestelde beroep gegrond;
  • vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
  • vernietigt de beslissing van de officier van justitie d.d. 17 februari 2005, gedagtekend op 2 maart 2005, alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nummer 79078692927 de administratieve sanctie is opgelegd;
  • bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 WAHV tot zekerheid is gesteld, te weten een bedrag van Euro 95,-, door de advocaat-generaal aan haar wordt gerestitueerd.

Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. Zomer als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.