ECLI:NL:GHLEE:2006:AW1929

Voor de vraag welke maximumsnelheid op een weg mag worden gereden is niet bepalend hoe de weg zich aan de weggebruiker voordoet, maar met welke borden deze is aangeduid. Alleen dan zou sprake zijn van schending van het beginsel dat gelijke gevallen gelijk moeten worden behandeld, wanneer zonder (juridisch) geldige reden ten nadele van de betrokkene zou zijn afgeweken van het met betrekking tot gedragingen als de onderhavige geldende beleid. Gesteld noch gebleken is dat daarvan in casu sprake is. De norm van de ter plaatse geldende maximumsnelheid is onverkort gehandhaafd en dat is geen afwijking ten nadele van de betrokkene ten opzichte van het geldende beleid. Het feit dat de officier van justitie en de kantonrechter het beroep in andere zaken met betrekking tot een situatie die zich elders voordeed gegrond achten, levert evenmin een dergelijke afwijking op. Geen schending gelijkheidsbeginsel.

Uitspraak

WAHV 06/00013
22 maart 2006
CJIB 59081355308
Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank te ‘s-Hertogenbosch
van 16 november 2005
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement ‘s-Hertogenbosch ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van Euro 100,- opgelegd ter zake van “overschrijding van de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom (gedragsregel) meer dan 20 km/h en t/m 25 km/h” (feitcode S100D), welke gedraging zou zijn verricht op 16 maart 2005 om 13.57 uur op de Udenseweg in Veghel.

3.2. Het betoog van de betrokkene strekt er toe dat de gedraging is verricht onder omstandigheden die oplegging van een sanctie niet billijken. De betrokkene had ten tijde van de snelheidsmeting de stellige indruk dat hij ter plaatse de bebouwde kom reeds had verlaten. De situatie is later duidelijk geworden, na het plaatsen van extra borden.

Hij beroept zich hierbij ook op het gelijkheidsbeginsel. Hij verwijst onder overlegging van een beslissing van de officier van justitie van 22 mei 2003 in de zaak met CJIB-nummer 59059664016 en kopieën uit “de Gelderlander” van 19 april 2003 en 23 april 2003 naar het feit dat in vergelijkbare zaken, waarin onduidelijk was in hoeverre sprake was van rijden binnen de bebouwde kom, beslist werd dat het de overtreders niet aan te rekenen was dat er te snel was gereden.

3.3. De bij de feitcode behorende gedraging betreft een overtreding van artikel 20, onder a, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990).

Volgens deze bepaling geldt binnen de bebouwde kom voor motorvoertuigen een maximumsnelheid van 50 km per uur.

Verkeersbord H1 Bebouwde kom
Verkeersbord H1 Bebouwde kom
Verkeersbord H2 Einde bebouwde kom
Verkeersbord H2 Einde bebouwde kom
Verkeersbord A1 Maximumsnelheid
Verkeersbord A1 Maximumsnelheid

3.4. Voor de vraag welke maximumsnelheid op een weg mag worden gereden is niet bepalend hoe de weg zich aan de weggebruiker voordoet, maar met welke borden deze is aangeduid. Gesteld noch gebleken is dat ter plekke door plaatsing van het bord H2 de bebouwde kom was geëindigd. In casu gold de aanduiding “bebouwde kom”(bord H1) derhalve onverminderd. Het enkele feit dat bij de betrokkene de indruk bestond dat hij inmiddels de bebouwde kom had verlaten, kan dan ook niet leiden tot het oordeel dat de gedraging is verricht onder omstandigheden die oplegging van een sanctie niet billijken. Dit wordt niet anders door de omstandigheid dat nadien, zoals uit de overgelegde afschriften van foto’s blijkt, borden met daarop het opschrift “Let op”, een controlesymbool en een bord model A1 “50” zijn geplaatst.

3.5. Met betrekking tot het beroep op het gelijkheidsbeginsel overweegt het hof het volgende. Alleen dan zou sprake zijn van schending van het beginsel, dat gelijke gevallen gelijk moeten worden behandeld, wanneer zonder (juridisch) geldige reden ten nadele van de betrokkene zou zijn afgeweken van het met betrekking tot gedragingen als de onderhavige geldende beleid. Gesteld noch gebleken is dat daarvan in casu sprake is. De norm van de ter plaatse geldende maximumsnelheid is onverkort gehandhaafd, en dat is geen afwijking ten nadele van de betrokkene ten opzichte van het geldende beleid. Het feit dat de officier van justitie en de kantonrechter het beroep in andere zaken, met betrekking tot een situatie die zich elders voordeed, gegrond achtten levert evenmin een dergelijke afwijking op.

3.6. Uit het voorgaande vloeit dat het hoger beroep ongegrond is en dat de beslissing van de kantonrechter dient te worden bevestigd.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

  • bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Wagtendonk, in tegenwoordigheid van mr. Hiemstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

Eén gedachte over “ECLI:NL:GHLEE:2006:AW1929”

Reacties zijn gesloten.