ECLI:NL:GHLEE:2003:AM5326

Betrokkene heeft buiten noodzaak over de vluchtstrook of vluchthaven gereden. Er was sprake van filevorming en hij heeft door ongeveer honderd meter voor de afrit de vluchtstrook te gebruiken de doorstroming van het verkeer bevorderd en daarbij het overige verkeer op geen enkele wijze heeft gehinderd of in gevaar heeft gebracht. Volgens het hof is dit niet een noodgeval in de zin van art. 43, derde lid RVV 1990.
Al zou een voor de betrokkene op de vluchtstrook rijdende automobilist niet zijn bekeurd, dan nog is er geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel, nu niet is gebleken dat in dit geval zonder (juridisch) geldige reden ten nadele van de betrokkene is afgeweken van het met betrekking tot gedragingen als de onderhavige geldende beleid.
Dat de officier van justitie niet heeft beslist binnen de in Awb gestelde termijn, verbindt niet het gevolg dat de inleidende beschikking moet worden vernietigd. Een overschrijding van deze termijn laat onverlet dat nog steeds op het beroepschrift kan worden beslist zij het dat de betrokkene niet de beslissing van de officier van justitie behoeft af te wachten maar in beroep kan gaan bij de kantonrechter.

Uitspraak

WAHV 03/00598
8 oktober 2003
CJIB 19050471340
Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank te Zutphen
van 26 mei 2003
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats],

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Zutphen ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 144,- opgelegd ter zake van “als weggebruiker buiten noodzaak over de vluchtstrook of vluchthaven rijden”, feitcode R465A, welke gedraging zou zijn verricht op 29 maart 2002 op de A28 in Oldebroek met het voertuig met het kenteken [kenteken].

3.2. De betrokkene ontkent niet de gedraging te hebben verricht, doch stelt zich op het standpunt dat de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden het opleggen van een sanctie niet billijken. Hiertoe voert de betrokkene – kort samengevat – aan, dat er ter hoogte van de afslag Wezep sprake was van filevorming en dat hij door ongeveer honderd meter voor de afrit de vluchtstrook te gebruiken de doorstroming van het verkeer heeft bevorderd en daarbij het overige verkeer op geen enkele wijze heeft gehinderd of in gevaar heeft gebracht. Volgens de betrokkene is er sprake van afwezigheid van materiële wederrechtelijkheid.

3.3. De in feitcode R465A vermelde gedraging is een overtreding van art. 43, derde lid, RVV 1990, dat luidt als volgt:

"Behoudens in noodgevallen is het de weggebruikers verboden op een autosnelweg of autoweg gebruik te maken van de vluchtstrook, de vluchthaven of de berm."

3.4. Het aanvullend proces-verbaal van de verbalisant d.d. 18 december 2002 houdt onder meer het volgende in:

"De reden dat ik, verbalisant, betrokkene niet heb staandegehouden is dat wij op weg waren naar (...) een verkeersongeval wat op dat moment de hoogste prioriteit had. De reden die betrokkene aanvoert om rechts langs de file over de rechter vluchstrook te rijden getuigt niet van een noodzaak. Ter plaatse van de file reed het overige verkeer stapvoets over de doorgaande rijbaan. Er was ter plaatse geen indicatie om op eigen initiatief een "bevordering voor de doorstroming van het verkeer" te bewerkstelligen. (...) Ik, verbalisant, zag dat een personenauto, voorzien van het kenteken [kenteken], over een afstand van minimaal tweehonderd meter over de rechter vluchtstrook rechts langs de file reed."

3.5. Hetgeen de betrokkene aanvoert als reden om gebruik te maken van de vluchtstrook, hetgeen er in de kern van de zaak op neer komt, dat hij de file wenste te ontwijken, valt niet onder hetgeen te beschouwen is als een noodgeval in de zin van art. 43, derde lid RVV 1990.

3.6. Met betrekking tot de eigen invulling die de betrokkene geeft aan de reikwijdte van het bovenstaande verbod, met name in het licht van hetgeen door hem wordt opgemerkt ten aanzien van het zijns inziens ontbreken van hinder of gevaar voor andere weggebruikers, overweegt het hof het volgende.

Bij de invoering van het RVV 1990 is in vergelijking met het RVV 1966 als uitgangspunt gekozen, dat niet voor iedere denkbare situaties concrete voorschriften worden beoogd, maar dat de wetgeving moet worden beperkt tot de basisregels. De nota van toelichting op het RVV 1990 houdt in dit verband onder meer in:

"Bij het opstellen van het RVV 1990 is geprobeerd een evenwicht te vinden tussen wat voorgeschreven moet worden en wat aan het inzicht van de verkeersdeelnemers overgelaten dient te worden. De optelsom moet zijn: een veilig en ordelijk verloop van het verkeer. Zo is er een aantal basisregels uit de bus gekomen waaraan in beginsel onder alle omstandigheden moet worden voldaan."

De wetgever heeft dus ten aanzien van de in het RVV 1990 opgenomen regels niet willen weten van een handelen naar eigen inzicht als door de betrokkene voorgestaan.

3.7. Hetgeen de betrokkene aanvoert is derhalve niet van dien aard, dat geoordeeld zou moeten worden, dat de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden het opleggen van een administratieve sanctie niet billijken dan wel dat een lager bedrag van de sanctie zou moeten worden vastgesteld.

3.8. De betrokkene voert verder aan, dat de politie haar bevoegdheid te buiten is gegaan door zelf de betrokkene rechts op de afrit te passeren en dat hem niet gebleken is dat dit noodzakelijk was voor de uitvoering van de aan de politie opgedragen taken.

3.9. Uit het relaas van de verbalisant blijkt dat deze op weg was naar een verkeersongeval en dat op dat moment dat de hoogste prioriteit had. Gelet hierop kan naar het oordeel van het hof niet worden gezegd dat de politie haar bevoegdheid te buiten is gegaan door de betrokkene rechts op de afrit te passeren.

3.10. Ook voert de betrokkene aan, dat een voor hem rijdende automobilist eveneens gebruik maakte van de vluchtstrook en dat hij ervan uitgaat dat deze niet is bekeurd, hetgeen volgens de betrokkene in strijd is met het gelijkheidsbeginsel.

3.11. Het aanvullend proces-verbaal van de verbalisant d.d. 15 januari 2003 houdt in, dat hij niet heeft geconstateerd dat door andere voertuigen ter plaatse dezelfde overtreding is gepleegd. Het hof ziet geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant. Het verweer van de betrokkene mist derhalve feitelijke grondslag. Maar ook al zou een voor de betrokkene op de vluchtstrook rijdende automobilist niet zijn bekeurd, dan nog is er geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel, nu niet is gebleken dat in dit geval zonder (juridisch) geldige reden ten nadele van de betrokkene is afgeweken van het met betrekking tot gedragingen als de onderhavige geldende beleid.

3.12. Tenslotte voert de betrokkene aan, dat de officier van justitie niet heeft beslist binnen de in art. 7:24, tweede lid, Awb gestelde termijn. De betrokkene stelt zich hierbij op het standpunt, dat de administratieve sanctie door dezelfde rechtspersoon is opgelegd als de rechtspersoon die op het administratief beroep heeft beslist, nu beide onderdeel uitmaken van de rechtspersoon Staat der Nederlanden. Kennelijk beoogt de betrokkene daarmee aan te voeren, dat de inleidende beschikking zou moeten worden vernietigd.

3.13. Wat er zij van het verweer van de betrokkene, dat in casu de uitzonderingstermijn van het tweede lid van art. 7:24 Awb van toepassing zou zijn, kan reeds op grond van het navolgende dit verweer de betrokkene niet baten. Immers, anders dan de betrokkene kennelijk wil verbindt de wet aan overschrijding van de termijnen van art. 7:24 Awb niet het gevolg, dat de inleidende beschikking wordt vernietigd. Een overschrijding van deze termijn laat onverlet dat nog steeds op het beroepschrift kan worden beslist (vgl. de Memorie van Toelichting op art. 7:10 Awb, Kamerstukken II, 1988-1989, 21 221, nr. 3, blz. 152) zij het dat de betrokkene niet de beslissing van de officier van justitie behoeft af te wachten maar ingevolge art. 6:12 Awb in beroep kan gaan bij de kantonrechter.

3.14. Het gaat de bevoegdheid van de rechter te buiten om met voorbijgaan van het door de wetgever gekozen stelsel aan overschrijding van de termijnen van art. 7:24 Awb een andere sanctie te verbinden dan de wetgever aangewezen acht.

3.15. Gelet op het vorenoverwogene zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

  • bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Poelman en Van Dijk, in tegenwoordigheid van mr. Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

Eén gedachte over “ECLI:NL:GHLEE:2003:AM5326”

Reacties zijn gesloten.