ECLI:NL:GHLEE:2003:AF7658

Uitspraak

WAHV 02/01144
26 maart 2003
CJIB 19044682942
Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank te Amsterdam
van 16 september 2002
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
gevestigd te [plaatsnaam].

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen, maar heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. In hoger beroep is niet bestreden, dat de betrokkene niet binnen de in art. 11, derde lid, WAHV gestelde termijn zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de opgelegde administratieve sanctie en evenmin dat de betrokkene dit verzuim niet binnen een nader gestelde termijn heeft hersteld.

3.2. De betrokkene voert aan, dat zij meerdere malen heeft verzocht om toezending van wettig en overtuigend bewijs van de overtreding, dat zij geen enkel bewijsstuk heeft mogen ontvangen, dat zij daarom niet behoefde te reageren op de brieven van de officier van justitie, dat zij wegens het retour zenden van de acceptgiro ook niet kon betalen en dat zij, aangezien de overtreding niet is begaan, vrijgesproken dient te worden.

3.3. Uit de gedingstukken blijkt het volgende.

3.4. Aan de betrokkene is als kentekenhoudster bij inleidende beschikking d.d. 5 september 2001 een administratieve sanctie van ƒ 60,– (Euro € 27,23) opgelegd ter zake van “overschrijding van de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom (gedragsregel); tot en met 10 km per uur”, welke gedraging zou zijn verricht op 26 juli 2001 op de Wibautstraat thv 3 te Amsterdam.

3.5. Bij brief van 5 september 2001 heeft de betrokkene tegen deze beschikking beroep ingesteld. Hierbij is verzocht om wettig en overtuigend bewijs van de gedraging. Bij brief van 24 oktober 2001 aan de officier van justitie heeft de betrokkene dit verzoek herhaald.

3.6. Bij beslissing met als verzenddatum 5 februari 2002 heeft de officier van justitie het beroep ongegrond verklaard.

3.7. Bij brief van 4 februari 2002 heeft de betrokkene gereageerd op de beslissing van de officier van justitie. Onder retournering van voornoemde beslissing heeft de betrokkene haar verzoek om toezending van wettig en overtuigend bewijs van de gedraging herhaald en aangegeven niet eerder dan na in bezit gesteld te zijn van het gevraagde bewijs haar grieven kenbaar te kunnen maken.

3.8. Bij brief van 14 februari 2002 heeft de officier van justitie de betrokkene mededeling gedaan van de verplichting tot het stellen van zekerheid.

3.9. Bij brief van 24 februari 2002 aan de officier van justitie verklaart de betrokkene vorenbedoelde brief van 14 februari 2002 retour te zenden, omdat niet is gereageerd op de verzoeken in haar brieven van 24 oktober 2001 en 4 februari 2002 om toezending van bewijs en dat eerst na beantwoording van die brieven een beroepschrift zal worden ingediend.

3.10. Bij brief van 28 februari 2002 heeft de officier van justitie de betrokkene nogmaals mededeling gedaan van de verplichting tot het stellen van zekerheid.

3.11. Bij brief van 4 maart 2002 aan de officier van justitie, herhaalt de betrokkene – zakelijk weergegeven – hetgeen zij in haar brief van 4 februari 2002 heeft geschreven, met dien verstande dat zij stelt dat eerst na het hebben kunnen indienen van een beroepschrift het stellen van zekerheid verplicht is.

3.12. Het hof overweegt omtrent de gang van zaken het volgende.

3.13. Ingevolge art. 7:16 Awb in verbinding met art. 7, tweede lid, WAHV moet de officier van justitie indien de betrokkene administratief beroep heeft ingesteld tegen de inleidende beschikking, de indiener van het beroep in de gelegenheid stellen te worden gehoord. Van het horen kan op grond van het bepaalde in art. 7:17 Awb worden afgezien, buiten de onder a en b genoemde gevallen van kennelijke niet-ontvankelijkheid en kennelijke ongegrondheid, wanneer de indiener van het beroep heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht om te worden gehoord. Indien niet van het horen wordt afgezien dient de officier van justitie ingevolge art. 7:18 Awb het beroepschrift en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende tenminste een week ter inzage te leggen. Bij de oproeping voor het horen moet onder meer te worden vermeld waar en wanneer de stukken ter inzage zullen liggen. De indiener van het beroep kan van die stukken tegen vergoeding van ten hoogste de kosten afschriften verkrijgen.

3.14. Op 9 oktober 2001 is de betrokkene de ontvangst van het beroepschrift tegen de inleidende beschikking door de officier van justitie bevestigd. In deze ontvangstbevestiging is, – zakelijk weergegeven – de betrokkene verzocht om binnen een week na dagtekening te kennen te geven of zij van het recht om gehoord te worden gebruik wilde maken. Op dit verzoek is door de betrokkene in haar brief van 24 oktober 2001 niet gereageerd. Hoewel de tekst van art. 7:17 Awb evenals art. 7:3 Awb volgens de letterlijke tekst een expliciete verklaring van de betrokkene vereist, dat zij geen gebruik wil maken van het recht te worden gehoord, voordat van het horen van de betrokkene mag worden afgezien, blijkt uit de Memorie van Antwoord op art. 7:3 Awb (Kamerstukken II, 1990 -1991, 21 221, nr. 5) dat in de visie van de indieners van het wetsontwerp ook “in reactie – ook door niet voor een bepaalde redelijke termijn te reageren – op een schriftelijke uitnodiging” kan worden vastgesteld dat de indiener van een beroepschrift niet wenst te worden gehoord. In het kader van de procedure in WAHV-zaken brengt een redelijke uitleg van het bepaalde in art. 7:17 onder c Awb mee, dat wanneer op een verzoek om aan te geven of men wil worden gehoord niet wordt gereageerd, dit door de officier van justitie mag worden beschouwd als een verklaring dat de indiener van het beroepschrift geen gebruik wil maken van het recht te worden gehoord. Wanneer van het horen wordt afgezien hoeven de stukken ook niet ter inzage te worden gelegd.

3.15. Dat neemt niet weg, dat het openbaar ministerie ook buiten het bepaalde in art. 7:18 Awb aan de betrokkene op diens verzoek stukken waarin het bewijs van de gedraging ligt besloten, – met name het zaakoverzicht en indien aanwezig de foto’s van de gedraging -, (tegen betaling van ten hoogste de kosten) kan doen toekomen, waardoor mogelijk het horen van de betrokkene achterwege kan blijven. In ieder geval dient door de officier van justitie op een verzoek om toezending van bewijs te worden gereageerd.

3.16. Wat er zij van het ontbreken van een reactie op de brieven van de betrokkene, er is op het beroep van de betrokkene door de officier van justitie een beslissing gegeven. Tegen de beslissing van de officier van justitie kan de betrokkene binnen de termijn als bedoeld in art.6:7 Awb beroep instellen. De beroepstermijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt. In casu is de beslissing bekendgemaakt op 5 februari 2002.

3.17. Ingevolge art. 11, eerste lid, WAHV worden het beroepschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken door de officier van justitie aan de rechtbank ter kennis gebracht binnen zes weken nadat de indiener zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de sanctie, dan wel nadat de termijn daarvoor is verstreken.

3.18. De laatste volzin van art. 11, derde lid, WAHV bepaalt dat indien de zekerheidstelling niet binnen de termijn is geschied het beroep door de kantonrechter niet-ontvankelijk wordt verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

3.19. Art. 11, vierde lid, WAHV luidt als volgt:

"Alle op een beroepschrift betrekking hebbende stukken worden, indien zekerheidstelling heeft plaatsgevonden, nedergelegd ter griffie van de rechtbank. Hiervan wordt door de griffier mededeling gedaan aan degene die het beroep heeft ingesteld. De betrokkene of zijn gemachtigde kan binnen een door de kantonrechter bepaalde en aan hem door de griffier medegedeelde termijn, deze stukken inzien en daarvan afschriften of uittreksels vragen. Op de voor de verstrekking van afschriften en uittreksels aan de betrokkene of zijn gemachtigde in rekening te brengen vergoedingen is het ter zake bepaalde bij of krachtens de Wet tarieven in burgerlijke zaken van overeenkomstige toepassing.".

3.20. Gelet op het samenstel van voormelde bepalingen dient een betrokkene eerst zekerheid te stellen, alvorens aan haar of haar gemachtigde afschriften of uittreksels van de stukken worden verstrekt.

3.21. Bij de beoordeling gaat het hof van het volgende uit. Bij brief van 5 september 2001 is de betrokkene expliciet in beroep gegaan tegen de inleidende beschikking. Hieruit volgt, dat de betrokkene zich kennelijk wilde verzetten tegen het opleggen van de sanctie. De zinsnede in de brief van 4 september 2002: “Zodra wij het bewijs hebben zullen we in verweer komen en onze grieven kenbaar maken. Daarna pas kan u eventueel een uitspraak doen en niet eerder.” kon, nu de beslissing van de officier van justitie reeds was gegeven, in redelijkheid opgevat worden als een beroepschrift tegen die beslissing.

3.22. Nu de betrokkene geen zekerheid heeft gesteld – aan de stelling van de betrokkene, dat zij geen zekerheid kon stellen nu zij stukken had geretourneerd, is terecht voorbijgegaan, nu deze omstandigheid geheel voor risico van de betrokkene komt – heeft de kantonrechter terecht kunnen afzien van verstrekking van de door de betrokkene gevraagde stukken. De beslissing van de kantonrechter komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

3.23. Voor zover de betrokkene zou moeten worden gehouden aan de stelling die zij heeft betrokken, dat zij geen beroep heeft ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie en derhalve ook geen zekerheid behoefde te stellen, geldt, dat de termijn om tegen de beslissing van de officier van justitie beroep in te stellen inmiddels verstreken is, terwijl het hof in hetgeen door de betrokkene is aangevoerd geen verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding aanneemt, zodat de betrokkene ook in dat geval terecht niet-ontvankelijk is verklaard, zij het op grond van termijnoverschrijding.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

  • bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, Van Dijk en Weenink, in tegenwoordigheid van mr. Hiemstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.