ECLI:NL:GHLEE:2002:AE3505

De betrokkene stelt zich op het standpunt dat ter plaatse geen sprake is van een doorgetrokken streep, maar dat de streep moet worden aangemerkt als een streep ter geleiding van het verkeer. De betrokkene voert daartoe aan, dat het begin van de streep vervuild en slecht onderhouden is, zodat er bij nameting van de door de verbalisant gemeten 22 meter, er slechts 19 meter herkenbaar is. Gelet op de verklaring van de verbalisant, alsmede gelet op de door de betrokkene overgelegde foto’s, staat vast dat ter plaatse van de gedraging sprake is van een doorgetrokken streep. Voor zover het verweer van de betrokkene dat een deel van de streep vervuild en slecht onderhouden is, is het hof van oordeel dat het niet ter beoordeling van de weggebruiker staat of een verkeersteken overeenkomstig de voorschriften en terecht is geplaatst.

Uitspraak

WAHV 02/00047
15 mei 2002
CJIB 39710220
Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter te Delft
van 10 oktober 2001
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement ‘s-Gravenhage ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van fl 250,- (= Euro 113,45) opgelegd ter zake van “de doorgetrokken streep overschrijden tussen rijstroken/op paden met verkeer in beide richtingen naar links”, welke gedraging zou zijn verricht op 30 januari 2001 op de Vlielandseweg te Pijnacker.

3.2. De betrokkene stelt zich op het standpunt dat ter plaatse geen sprake is van een doorgetrokken streep in de zin van art. 6, eerste lid, BABW, maar dat de streep moet worden aangemerkt als een streep ter geleiding van het verkeer als bedoeld in art. 6, tweede lid, BABW. De betrokkene voert daartoe aan, dat het begin van de streep vervuild en slecht onderhouden is, zodat er bij nameting van de door de verbalisant gemeten 22 meter, er slechts 19 meter herkenbaar is. De betrokkene voert voorts aan dat men, indien er wel sprake is van een verbodstreep, een bord met inhalen verboden mag verwachten.

3.3. Art. 76, aanhef en onder a, RVV 1990 luidt: Een doorgetrokken streep heeft de volgende betekenis: a. indien de streep zich bevindt tussen rijstroken dan wel op paden, met verkeer in beide richtingen: bestuurders mogen de streep niet naar links overschrijden en zich niet links van de streep bevinden, tenzij aan de rechter zijde van de doorgetrokken streep een onderbroken streep is aangebracht.

3.4. Art. 6 BABW luidt voor zover hier van belang:

1. De verkeerstekens op het wegdek die een gebod of verbod betreffen zijn de verkeerstekens genoemd in (...) de artikelen 76 tot en met 81 van het RVV 1990.

2. Andere verkeerstekens op het wegdek kunnen worden aangebracht ter geleiding van het verkeer, ter herinnering aan de ter plaatse geldende maximumsnelheid en ter aanduiding van andere omstandigheden.

3.5. Art. 4 van § 2 Hoofdstuk IV Uitvoeringsvoorschriften BABW inzake verkeerstekens houdt in:

4. De doorgetrokken streep als bedoeld in art. 76 van het RVV 1990
Uitvoering

De minimumlengte van de doorgetrokken streep bedraagt 20 m.

3.6. Het ambtsedig proces-verbaal van de verbalisant van 23 april 2001 houdt in:

"Bij een door mij ter plaatse ingesteld onderzoek op woensdag 18 april 2001, zag ik dat de streep vrij kort was. De streep is door mij nagemeten en is 22 meter lang. De streep is niet overgespoten".

3.7. Het hof ziet geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant. Gelet op deze verklaring, alsmede gelet op de door de betrokkene overgelegde foto’s, staat vast dat ter plaatse van de gedraging sprake is van een doorgetrokken streep als bedoeld in art. 76 RVV 1990. Hieruit volgt dat er geen sprake is van een streep als bedoeld in art. 6, tweede lid, BABW.

3.8. Voor zover het verweer van de betrokkene dat een deel van de streep vervuild en slecht onderhouden is, zodat er van de 22 slechts 19 meter herkenbaar is, met zich meebrengt dat de streep niet met inachtneming van de daaromtrent geldende wettelijke voorschriften is geplaatst, is het hof van oordeel dat het niet ter beoordeling van de weggebruiker staat of een verkeersteken overeenkomstig de voorschriften en terecht is geplaatst. Dat is slechts anders in het geval dat de situatie klaarblijkelijk zo afwijkend is van die waarop het verkeersteken betrekking heeft dat bij het gevolg geven aan dat teken de veiligheid op de weg in gevaar zou worden gebracht (vgl. HR 4 december 1984, VR 1985/39, niet opgenomen op kilese.nl). Daarvan is in casu geen sprake.

3.9. Tenslotte overweegt het hof dat geen rechtsregel verplicht tot het plaatsen van een inhaalverbodsbord, indien een doorgetrokken streep is aangebracht.

3.10. Gelet op het vorenoverwogene zal het hof de bestreden beslissing bevestigen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

  • bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mrs. Kalsbeek, Huisman en Van Dijk, in tegenwoordigheid van mr. Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.