ECLI:NL:GHLEE:2002:AE3467

Van een betrokkene die tegen een beslissing van de officier van justitie in beroep gaat bij de kantonrechter mag worden verlangd dat hij terstond van een adreswijziging kennis geeft aan de officier van justitie die de beslissing heeft genomen en bij wie het beroepschrift is ingediend dan wel aan de kantonrechter die bevoegd is over de zaak te oordelen. Als zodanige kennisgeving kan niet worden aangemerkt opgave van de adreswijziging aan de afdeling bevolking van de gemeente waar de betrokkene ten tijde van de gedraging stond ingeschreven. Ziet de betrokkene af van bedoelde kennisgeving aan de officier van justitie of de kantonrechter, dan komt de omstandigheid dat hij daardoor aan de hem opgelegde verplichtingen niet of niet tijdig kan voldoen, doordat stukken hem niet of niet tijdig hebben bereikt, voor zijn rekening.

Uitspraak

WAHV 01/00643
1 mei 2002
CJIB 28636684
Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter te Delft
van 14 november 2001
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement ‘s-Gravenhage niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen, maar heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. In hoger beroep is niet bestreden, dat de betrokkene niet binnen de in art. 11, derde lid, WAHV gestelde termijn zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de opgelegde administratieve sanctie en evenmin dat de betrokkene dit verzuim niet binnen een nader gestelde termijn heeft hersteld.

3.2. De betrokkene voert aan dat hij niet op de door art. 11, derde lid, WAHV voorgeschreven wijze is ingelicht over de verplichting tot zekerheidstelling. Hiertoe voert de betrokkene – zakelijk weergegeven – aan, dat de enige mededeling omtrent de verplichting tot het stellen van zekerheid die hem heeft bereikt de brief is van de griffier van het kantongerecht van 15 oktober 2001 en dat dit geen correcte mededeling is.

3.3. Bij de stukken van het geding bevinden zich twee aan de betrokkene gerichte brieven van 10 maart 2000 en 9 maart 2001 van de officier van justitie omtrent zekerheidstelling. Beide brieven zijn gericht aan het adres [oud adres] Dit is het adres van de betrokkene zoals het wordt vermeld in het beroepschrift aan de officier van justitie. Blijkens een uittreksel uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens is de betrokkene met ingang van 15 december 2000 woonachtig op het adres [nieuw adres]

3.4. Gelet op het feit dat eerstgenoemde brief aan het in het beroepschrift aan de officier van justitie vermelde adres is gezonden en dat niet is gebleken dat dit schrijven als onbestelbaar is teruggezonden en de stukken ook overigens niets behelzen waaruit kan volgen dat dit schrijven de betrokken niet heeft bereikt, gaat het hof ervan uit dat de betrokkene de brief van 10 maart 2000 heeft bereikt.

3.5. Van een betrokkene die tegen een beslissing van de officier van justitie in beroep gaat bij de kantonrechter mag worden verlangd dat hij (teneinde aan de hem in het kader van de in die procedure op te leggen verplichtingen te kunnen voldoen) terstond van een adreswijziging kennis geeft aan de officier van justitie die de beslissing heeft genomen en bij wie het beroepschrift is ingediend dan wel aan de kantonrechter die bevoegd is over de zaak te oordelen. Als zodanige kennisgeving kan niet worden aangemerkt opgave van de adreswijziging aan de afdeling bevolking van de gemeente waar de betrokkene ten tijde van de gedraging stond ingeschreven. Ziet de betrokkene af van bedoelde kennisgeving aan de officier van justitie of de kantonrechter, dan komt de omstandigheid dat hij daardoor aan de hem opgelegde verplichtingen niet of niet tijdig kan voldoen, doordat stukken hem niet of niet tijdig hebben bereikt, voor zijn rekening. Dat laatste kan uitzondering lijden wanneer er voor de officier van justitie of de kantonrechter aanleiding bestaat om bij de gemeentelijke basisadministratie opgave te vragen van het aldaar ingeschreven adres en die opgave inhoudt dat het geldende adres een ander is dan het aan de officier van justitie of de kantonrechter bekende adres en van deze mag worden verwacht dat het stukken met het oog op de gerechtvaardigde belangen van de betrokkene zendt naar het in de gemeentelijke basisadministratie opgenomen adres.

3.6. Nu niet is gebleken dat de betrokkene de officier van justitie bij wie het beroepschrift is ingediend kennis heeft gegeven van zijn adreswijziging en de officier ook overigens niet op de hoogte kon zijn van de adreswijziging van de betrokkene -de brief van 9 maart 2001 is immers niet als onbestelbaar teruggezonden-, komt de omstandigheid dat deze brief de betrokkene niet heeft bereikt voor zijn rekening.

3.7. Dat de brief van de griffier van het kantongerecht van 15 oktober 2001, waarin de betrokkene in de gelegenheid wordt gesteld om zekerheid te stellen, geen correcte mededeling in de zin van art. 11 WAHV is, doet niet terzake, aangezien in deze zaak, gelet op het vorenoverwogene, ervan moet worden uitgegaan dat de betrokkene tweemaal op correcte wijze in de gelegenheid is gesteld om te voldoen aan de verplichting zekerheid te stellen en de WAHV niet ertoe verplicht dat de griffier van het kantongerecht de betrokkene een extra gelegenheid biedt om zekerheid te stellen.

3.8. Nu geen zekerheid is gesteld, heeft de kantonrechter het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard.

3.9. De betrokkene voert tevens aan, dat de termijn die inmiddels is verstreken tussen de gedraging en de berechting van deze zaak, zo lang is dat daarom aan de officier van justitie het recht van vervolging moet worden ontzegd (het hof begrijpt: de inleidende beschikking behoort te worden vernietigd) of dat de sanctie moet worden gematigd.

3.10. Onder omstandigheden kan de eis dat zekerheid wordt gesteld in strijd komen met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals wanneer reeds ten tijde van het verzoek tot het stellen van zekerheid vaststaat dat behandeling van de zaak tot geen andere beslissing kan leiden dan vernietiging van de inleidende beschikking. Op het tijdstip waarop de mededeling van de officier van justitie van 9 maart 2001 aan de betrokkene omtrent de verplichting tot zekerheidstelling is verzonden was daarvan geen sprake. Gelet hierop dient de beslissing van de kantonrechter te worden bevestigd. Derhalve komt het hof niet toe aan de vraag of in casu het recht van de betrokkene op behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is geschonden.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

  • bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mrs. Vellinga, Huisman en Van Dijk, in tegenwoordigheid van mr. Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.