ECLI:NL:GHARL:2019:6851

Bij het negeren van het bord C6 (geslotenverklaring) schrijft geen rechtsregel voor dat het onderbord in de omschrijving van de de inleidende beschikkingen moet worden opgenomen. Verkeersbord C6 in combinatie met een onderbord voor een milieuzone voor personen-, bestel- en vrachtauto’s is niet in strijd met artikel 67 RVV. Een milieuzone is niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

Uitspraak

WAHV 200.225.248
WAHV 200.225.251
27 augustus 2019
CJIB 200812121
CJIB 200616804

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
zittingsplaats Leeuwarden

Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissingen
van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam
van 8 september 2017
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [A] .

De beslissingen van de kantonrechter

De kantonrechter heeft de beroepen van de betrokkene tegen de beslissingen van de officier van justitie gegrond verklaard, de beslissingen van de officier van justitie vernietigd en de beroepen tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissingen van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen verweerschriften in te dienen.
Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikkingen: een administratieve sanctie van € 90,- opgelegd ter zake van “handelen in strijd met een geslotenverklaring voor motorrijtuigen op meer dan twee wielen, bord C6 bijlage I RVV 1990”, welke gedraging zou zijn verricht op 18 augustus 2016 om 14.33 uur op de Abram van Rijckevorselweg te Rotterdam met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] ;
 een administratieve sanctie van € 90,- opgelegd ter zake van “handelen in strijd met een geslotenverklaring voor motorrijtuigen op meer dan twee wielen, bord C6 bijlage I RVV 1990”, welke gedraging zou zijn verricht op 11 augustus 2016 om 12.11 uur op de Abraham van Stolkweg te Rotterdam met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY].

2. De betrokkene stelt allereerst dat de omschrijving in de inleidende beschikkingen niet voldoet aan de daaraan op grond van artikel 6 van het Europese verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) te stellen eisen. Het in de omschrijving van de overtreding enkel opnemen van het bord C6, zonder daarbij het onderbord te vermelden, is naar de mening van de betrokkene onvoldoende. De vervolgde moet immers weten waarvan hij wordt verdacht en waartegen hij zich moet verdedigen. Daarnaast stelt de betrokkene dat hem de (vooraankondigings)borden ten tijde van het vaststellen van de betreffende gedragingen niet zijn opgevallen, laat staan dat hij deze heeft gelezen. De betrokkene is tevens van mening dat de combinatie van bord C6 met het hier gebruikte onderbord niet geldig is, nu een onderbord dat betrekking heeft op een verbodsbord moet zijn vormgegeven door het gebruik van symbolen in combinatie met het woord “uitgezonderd”. Artikel 8 Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW) jo. artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) ziet op deze situatie. Door het betreffende onderbord alleen van tekst te voorzien, is naar de mening van de betrokkene in strijd met deze bepalingen gehandeld. Het hof begrijpt de betrokkene aldus dat de hier aan de orde zijnde combinatie niet als een geldig verkeersteken kan worden gezien. Tot slot is de betrokkene het standpunt toegedaan dat de motivering van de beslissing op tal van onderdelen tekortschiet.

3. Ingevolge het bepaalde in artikel 4, eerste lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) dient de inleidende beschikking een korte omschrijving van de gedraging te bevatten van de gedraging terzake waarvan zij is gegeven. De gedraging in deze zaken betreft het negeren van het bord C6. Geen rechtsregel schrijft voor dat het onderbord in deze omschrijving moeten worden opgenomen. Het hof stelt voorts vast dat de inleidende beschikkingen gegevens bevatten met betrekking tot het kenteken van het voertuig, de aard, plaats en tijd van de gedraging, hetgeen voldoende informatie oplevert om de gedraging waarop de inleidende beschikkingen betrekking hebben duidelijk te maken. Het verweer faalt.

4. De verklaringen van de buitengewoon opsporingsambtenaar [B], die de sancties heeft opgelegd, zoals opgenomen in de zaakoverzichten van deze zaken, houden onder meer het volgende in:

“Overtreden artikel:
62 jo. bord C6 RVV 1990 (…)
Opmerkingen ambtenaar 1:
Bord geslotenverklaring C06. De overtreding is geautomatiseerd geconstateerd en op een digitale foto vastgelegd door een camera die op enkele meters na bord C06 is geplaatst. (…)”

5. In beide dossiers bevindt zich een algemeen proces-verbaal opgemaakt door de buitengewoon opsporingsambtenaar [C] in mei 2016, waarin voor zover hier van belang als volgt wordt verklaard:

“De Milieuzone gemeente Rotterdam en de bebording
 Vanaf 1 januari 2016 is er een milieuzone ingesteld voor personen-, bestel- en vrachtauto's (….);
(….)
 De milieuzone van de gemeente Rotterdam wordt aangeduid door middel van het RVV
verkeersbord C6 met onderbord met daarop de tekst 'vrachtauto (voertuigsymbool)
euro III en lager, bestel- en personenauto (beide voertuigsymbool) diesel 31-12-2000 en
ouder, bestel en personenauto 30-06-1992 en ouder, milieuzone' (….);
 Op iedere toegangsweg van de milieuzone wordt de grens aangegeven door een
dergelijk C6 verkeerbord met onderbord. Iedere bestuurder die de milieuzone inrijdt
passeert het C6 verkeersbord. (…)”

6. Artikel 67 van het RVV 1990 houdt in – voor zover hier van belang -:

1. Onder verkeersborden aangebrachte onderborden kunnen inhouden:
a. een nadere uitleg van het verkeersbord;
b. ingeval op een onderbord uitsluitend symbolen voorkomen: het verkeersbord geldt slechts voor de aldus aangeduide weggebruikers of het aldus aangeduide verkeersgedrag;
c. ingeval op een onderbord het woord "uitgezonderd" in combinatie met symbolen voorkomt: het verkeersbord geldt niet voor de aldus aangeduide weggebruikers of het aldus aangeduide verkeersgedrag.
2. Indien het beoogde verkeersgedrag wordt aangegeven door middel van teksten of tekens al dan niet in combinatie met symbolen, blijkt het beoogde verkeersgedrag uit het onderbord.
3. (….)

7. Artikel 67 van het RVV 1990 bepaalt wat onder verkeersborden aangebrachte onderborden kunnen inhouden. De hiervoor onder 4. beschreven combinatie van bord C6 met het onderbord is hiermee niet in strijd. De opvatting van de betrokkene berust op een onjuiste lezing van deze bepaling. Voor zover de betrokkene van mening is dat het onderbord strijdig is met het in artikel 8 BABW bepaalde, merkt het hof op dat het vaste jurisprudentie is dat de uitvoeringsvoorschriften van het BABW zich slechts richten tot de wegbeheerder en dat een individuele weggebruiker daaraan geen rechten kan ontlenen. Naar het oordeel van het hof kan van het hier aan de orde zijnde onderbord, gecombineerd met bord C6, daarom niet worden gezegd dat het niet als geldig verkeersteken kan worden beschouwd.

8. Het hof stelt daarnaast vast dat volgens vaste jurisprudentie van het hof het niet ter beoordeling van de weggebruiker staat of een verkeersteken overeenkomstig de voorschriften en terecht is geplaatst. Dat is slechts anders in het geval de situatie klaarblijkelijk zo afwijkend is van die waarop het verkeersteken betrekking heeft dat bij gevolg geven aan dat teken de veiligheid op weg in gevaar zou worden gebracht (vergelijk Hoge Raad 4 december 1984, gepubliceerd in Verkeersrecht 1985, 39). Dat is hier niet het geval.

9. Nu de betrokkene feitelijk niet betwist dat hij op de genoemde data en tijdstippen met zijn personenauto, een dieselvoertuig van voor 1 januari 2001, op de genoemde locaties was en dat hij daaraan voorafgaand een verkeersbord C6 met daaronder het bord met daarop – voor zover hier van belang – een voertuigsymbool van een bestel- en personenauto en de tekst “diesel 31-12-2000 en ouder, (….), milieuzone” heeft gepasseerd, staat vast dat de gedragingen zijn verricht.

10. Het hof overweegt verder dat het enkele gegeven dat de gedragingen zijn verricht op zichzelf niet betekent dat de sancties terecht zijn opgelegd. Uit artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv volgt immers dat geen sanctie mag worden opgelegd indien dat, gelet op de omstandigheden waaronder de gedraging is verricht, niet billijk is.

11. De betrokkene bestrijdt dat de gemeente bevoegd is milieuzones voor personenauto’s in te stellen. Die bevoegdheid komt slechts toe aan de Rijksoverheid. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft de betrokkene kamerstukken overgelegd waaruit naar voren komt dat de Minister van Infrastructuur en Milieu op 19 mei 2016 aan de Tweede Kamer laat weten dat het Ministerie bezig is met het ontwikkelen van een verkeersbord dat gebruikt kan worden voor het instellen van milieuzones voor bestel- en personenauto’s.

12. Artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv brengt mee dat indien, zoals hier, in het kader van de aanwending van rechtsmiddelen tegen de oplegging van de sanctie op grond van de Wahv, de rechtmatigheid van de bebording en het daaraan ten grondslag liggende verkeersbesluit wordt betwist, door de officier van justitie in administratief beroep en de rechter zal moeten worden onderzocht of dat besluit ten tijde van de gedraging rechtskracht had en of dat besluit niet later in een bestuursrechtelijke procedure is vernietigd of met terugwerkende kracht tot (vóór) het tijdstip van de gedraging is ingetrokken. Dat onderzoek, waartoe overigens slechts reden bestaat indien ter zake een met redenen omkleed en zo mogelijk met stukken onderbouwd verweer is gevoerd, strekt ertoe dat wordt vastgesteld dat de verplichting om gevolg te geven aan een verkeersteken, die voortvloeit uit de aanwezige bebording, stoelt op een deugdelijke wettelijke grondslag. Zo’n grondslag is vereist om het niet gevolg geven aan die verplichting te bestraffen met de oplegging van een sanctie, die inbreuk maakt op het eigendomsrecht van een betrokkene (vgl. het arrest van 9 november 2018, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2018:9801).

13. Aan de met borden aangegeven geslotenverklaring ligt het verkeersbesluit “Milieuzone Rotterdam” van 16 november 2015 ten grondslag. Dat besluit had ten tijde van de gedraging rechtskracht en is niet later in een bestuursrechtelijke procedure vernietigd of met terugwerkende kracht ingetrokken. Dat die geslotenverklaring ten tijde van de gedragingen geen deugdelijke wettelijke grondslag had of evident in strijd is met een ieder verbindende bepaling van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie dan wel rechtstreeks werkende bepalingen van Europees recht, blijkt niet. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 6 juni 2018, in een procedure tegen vorenbedoeld verkeersbesluit, geoordeeld dat er geen redenen zijn voor vernietiging van het verkeersbesluit (gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:RVS:2018:1861). Het hof volgt dit oordeel in het kader van de hem voorgelegde beoordeling van de billijkheid van de sanctieoplegging.

14. De stelling van de betrokkene dat er sprake is van discriminatie omdat andere dan de in het verkeersbesluit “Milieuzone Rotterdam” omschreven voertuigen wel het gebied in mogen rijden, wordt begrepen als een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Nu er op basis van dit verkeersbesluit een controleerbaar onderscheid kan worden gemaakt tussen de verschillende (categorieën van) voertuigen die het gebied in mogen rijden, is er geen sprake van gelijke gevallen. Van schending van het gelijkheidsbeginsel ten aanzien van de betrokkene zou slechts sprake zijn indien zonder (juridische) geldige reden ten nadele van de betrokkene zou zijn afgeweken van het met betrekking tot gedragingen als de onderhavige geldende beleid (vgl. Hof Leeuwarden, 8 oktober 2003, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHLEE:2003:AM5326). Daarvan is het hof niet gebleken. Het hof verwerpt daarom het beroep op het gelijkheidsbeginsel. Voor zover de betrokkene er nog op wijst dat de uitvoering van het besluit tot ongelijkheid kan leiden tussen weggebruikers die de Nederlandse taal al dan niet machtig zijn, gaat het hof daaraan voorbij. Zou daar al sprake van zijn, dan wordt de betrokkene, die de Nederlandse taal beheerst, daardoor immers niet in enig rechtens te beschermen belang getroffen.

15. Het voorgaande betekent dat de grondslag voor het verkeersteken zodanig is dat voor het in strijd met artikel 62 RVV 1990 niet opvolgen daarvan een sanctie mag worden opgelegd.

16. Voor zover de betrokkene nog heeft aangevoerd dat hij de (vooraankondigings) borden vanwege de drukte of anderszins heeft gemist, is dit een omstandigheid waarvan de gevolgen voor zijn eigen rekening komen. Van weggebruikers wordt verwacht dat zij oplettend zijn en van tot hen gerichte bebording kennisnemen.

17. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die meebrengen dat het opleggen van de sancties niet billijk is.

18. Met de betrokkene stelt het hof vast dat de kantonrechter niet volledig op alle door hem aangevoerde argumenten heeft gereageerd. Dit leidt tot de navolgende beslissing.

Beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissingen van de kantonrechter met verbetering van gronden.

Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Pullens als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *