ECLI:NL:GHARL:2017:2902

De Hoge Raad heeft de kentekenaansprakelijkheid niet in strijd met het (internationale) recht geoordeeld. Vervolgens is het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) tot hetzelfde oordeel gekomen. Dat een dergelijke rechtsfiguur in strijd zou zijn met het Duitse rechtssysteem, maakt het voorgaande niet anders, nu de betreffende gedraging op Nederlands grondgebied heeft plaatsgevonden. De stelling dat de toegang tot het recht wordt onthouden of belemmerd, is daarop gebaseerd dat door het betalen van zekerheid feitelijk geen beroep meer toekomt op de door de gemachtigde bedoelde Duitse regeling waarin wel toepassing wordt gegeven aan het schuldprincipe. Zoals de Hoge Raad eerder heeft geoordeeld is het stellen van zekerheid niet in strijd met het in artikel 6, tweede lid, van het EVRM vervatte vermoeden van onschuld. De omstandigheid dat de Duitse regelgeving meer mogelijkheden kent tot disculpatie, doet hieraan niet af.

Uitspraak

WAHV 200.171.392
4 april 2017
CJIB 182113285

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
zittingsplaats Leeuwarden

Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland
van 29 mei 2015
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats] (Duitsland),
voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde],
kantoorhoudende te [vestigingsplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 205,- opgelegd ter zake van “overschrijding maximum snelheid op autosnelwegen, met 24 km/h (verkeersbord A1)”, welke gedraging zou zijn verricht op 7 juni 2014 om 10:14 uur op de trajectcontrole A2 links te Nieuwer ter Aa met het voertuig met het kenteken [kenteken].

2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de betrokkene ten tijde van de snelheidsovertreding niet zelf in de auto heeft gereden. Het betreft een auto die in familieverband door negen verschillende personen wordt gebruikt. Verschillende getuigen kunnen bevestigen dat de betrokkene op de bewuste dag niet in Nederland was en niet met de auto heeft gereden. In Duitsland kent men niet het principe van kentekenaansprakelijkheid. Dat is namelijk in strijd met het schuldprincipe. Verder worden Nederlandse sancties als deze in Duitsland door de Duitse autoriteiten niet ten uitvoer gelegd indien de kentekenhouder tijdig in Nederland bezwaar heeft gemaakt en de kentekenhouder zich daarbij, zoals hier, heeft beroepen op het ontbreken van persoonlijke schuld, dus heeft aangevoerd dat hij op het desbetreffende tijdstip niet zelf het voertuig bestuurde. Ook als het bezwaar in Nederland wordt afgewezen, leidt dat tot weigering van de executie in Duitsland. Het stelsel van zekerheidstelling ontneemt aan deze regeling echter haar betekenis, omdat de sanctie dan al is betaald zodat incasso in Duitsland dan niet meer nodig is. Daardoor ontstaat een situatie die, volgens de gemachtigde, strijd oplevert met het in artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Immers, door de eis van voorafgaande zekerheidstelling wordt de betrokkene effectief de toegang tot het recht onthouden.

3. Het hof stelt voorop dat op de handhaving van de verkeersregels op Nederlands grondgebied het Nederlandse recht van toepassing is, ongeacht de nationaliteit van de kentekenhouder of bestuurder van het voertuig waarmee de gedraging is verricht. In Nederland geldt dat in zaken die op grond van de WAHV worden afgedaan, de kentekenhouder, op de voet van artikel 5 WAHV, aansprakelijk is voor betaling van de sanctie voor een gedraging die is begaan met een voertuig waarvan het kenteken op zijn naam staat indien niet aanstonds is vastgesteld wie de bestuurder daarvan was op het moment van de gedraging. De WAHV biedt de kentekenhouder van het voertuig waarmee de gedraging is verricht niet de mogelijkheid om zich van zijn aansprakelijkheid voor de gedraging te bevrijden door de bestuurder van het betreffende voertuig bekend te maken. De mogelijkheden tot disculpatie zijn beperkt tot de in artikel 8 WAHV genoemde situaties. Desgewenst heeft de betrokkene wel de mogelijkheid om het bedrag van de sanctie op de bestuurder te verhalen.

4. De Hoge Raad heeft deze kentekenaansprakelijkheid bij uitspraak van 15 juli 1993 (NJ 1994,177) niet in strijd met het (internationale) recht geoordeeld. Vervolgens is het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) bij uitspraak van 19 oktober 2004 (nr. 66273/01, gepubliceerd in Verkeersrecht 2005,1 met noot Si) tot hetzelfde oordeel gekomen, inhoudende dat de kentekenaansprakelijkheid van artikel 5 van de WAHV niet in strijd is met artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en de in dat artikel gewaarborgde onschuldpresumptie. Dat een dergelijke rechtsfiguur in strijd zou zijn met het Duitse rechtssysteem, maakt het voorgaande niet anders, nu de betreffende gedraging op Nederlands grondgebied heeft plaatsgevonden.

5. De betrokkene heeft in deze zaak zekerheid gesteld voor de betaling van de sanctie en de administratiekosten. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene inhoudelijk beoordeeld. In dit opzicht kan niet worden geoordeeld dat de betrokkene de toegang tot de rechter is onthouden. De stelling van de gemachtigde dat de betrokkene de toegang tot het recht niettemin in deze situatie effectief wordt onthouden of belemmerd, is daarop gebaseerd dat de betrokkene door het betalen van zekerheid feitelijk geen beroep meer toekomt op de door de gemachtigde bedoelde Duitse regeling waarin wel toepassing wordt gegeven aan het schuldprincipe. Deze argumentatie komt er in de kern op neer dat zekerheidstelling in strijd is met de in artikel 6, tweede lid, van het EVRM gewaarborgde onschuldpresumptie.

6. Zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 9 november 1993 (NJ 1994, 198) heeft geoordeeld is het op straffe van niet-ontvankelijkheid van het beroep stellen van zekerheid niet in strijd met het in artikel 6, tweede lid, van het EVRM vervatte vermoeden van onschuld, omdat de zekerheidstelling niet vooruitloopt op de vraag of een gedraging in de zin van de WAHV is verricht en de verdedigingsmiddelen waarover een betrokkene kan beschikken niet worden beperkt. De omstandigheid dat de Duitse regelgeving meer mogelijkheden kent tot disculpatie, doet hieraan niet af. Dit bezwaar treft gelet hierop geen doel.

7. Niet is betwist dat met het voertuig waarvan het kenteken op naam van de betrokkene was gesteld, de in overweging 1. genoemde gedraging is verricht. Er zijn geen omstandigheden aangevoerd die meebrengen dat de inleidende beschikking op de voet van artikel 8 WAHV moet worden vernietigd.

8. Gelet hierop is de sanctie bij inleidende beschikking terecht aan de betrokkene opgelegd. De kantonrechter heeft het beroep terecht ongegrond verklaard. Het hof zal die beslissing bevestigen.

9. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, ziet het hof geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten. Het hof zal het kostenverzoek afwijzen.

Beslissing

Het gerechtshof:

  • bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
  • wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Dörholt als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *