ECLI:NL:GHARL:2017:1838

De onschuldspresumptie zoals neergelegd in artikel 6, tweede lid, van het EVRM, verzet zich niet tegen het in WAHV-zaken gehanteerde uitgangspunt dat de ambtsedige verklaring van de verbalisant, zoals weergegeven in het zaakoverzicht, in beginsel een voldoende grondslag kan bieden voor de vaststelling dat de gedraging is verricht maar dat dit anders is indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten of omstandigheden aanvoert die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van die verklaring. Dat oordeel van de kantonrechter is door de gemachtigde niet betwist. Ook dit bezwaar brengt niet mee dat de beslissing van de kantonrechter niet in stand kan blijven.

Uitspraak

WAHV 200.168.201
6 maart 2017
CJIB 180784590

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
zittingsplaats Leeuwarden

Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam
van 1 april 2015
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
gevestigd te [vestigingsplaats],
voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde],
kantoorhoudende te [plaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard. Voorts heeft de kantonrechter het verzoek van de betrokkene tot vergoeding van kosten afgewezen.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene voert in hoger beroep aan dat geen sprake is van een kennelijk ongegrond beroep zodat de officier van justitie de betrokkene had moeten horen. Dat de betrokkene niet heeft verzocht om te worden gehoord maakt dit niet anders aangezien de officier van justitie de betrokkene ingevolge artikel 7:16 onder d Awb (het hof begrijpt: artikel 7:17, aanhef en onder d, Awb) niet in de gelegenheid heeft gesteld om aan te geven dat hij gehoord wil worden. De mededeling op de inleidende beschikking kan niet als zodanig worden aangemerkt omdat die mededeling niet afkomstig is van het beroepsorgaan maar van het CJIB.

2. Ingevolge artikel 7, tweede lid, van de WAHV juncto artikel 7:16 van de Awb moet de officier van justitie de indiener van het administratief beroep in de gelegenheid stellen te worden gehoord. Ingevolge artikel 7:17, aanhef en onder d, Awb, kan van het horen worden afgezien indien de indiener niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord.

3. Het is het hof ambtshalve bekend dat de rechtsmiddelenverwijzing onder de inleidende beschikking in dit verband de volgende passage bevat:

"Eventueel kunt u aangeven of u uw beroep telefonisch wilt toelichten (gehoord worden). Vermeld dit dan in uw brief samen met het telefoonnummer waarop u tijdens kantooruren bereikbaar bent."

4. Het hof stelt vast dat in het namens de betrokkene ingediende administratief beroepschrift niet in reactie op voormelde mededeling is aangegeven dat de betrokkene wenste te worden gehoord door de officier van justitie.

5. Gelijk het hof in zijn arrest van 18 april 2016 (gepubliceerd op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2016:3027) heeft overwogen, kan voormelde mededeling aan de officier van justitie worden toegerekend en brengt de omstandigheid dat de betrokkene reeds bij de toezending van de sanctiebeschikking en niet eerst na ontvangst van het beroepschrift door de officier van justitie wordt geïnformeerd, niet mee dat niet wordt voldaan aan hetgeen artikel 7:17, aanhef en onder d, Awb voorschrijft. Weliswaar moet worden vastgesteld dat met de mededeling op inadequate wijze tot uitdrukking wordt gebracht wat het recht om te worden gehoord inhoudt, maar gesteld noch gebleken is dat de betrokkene er om die reden van heeft af gezien de officier van justitie te verzoeken te worden gehoord. Gelet daarop heeft de officier van justitie er van kunnen afzien de betrokkene naar aanleiding van het ingestelde beroep te horen. De stelling van de gemachtigde dat de officier van justitie niet heeft voldaan aan de hoorplicht, gaat dus niet op.

6. De gemachtigde betwist voorts het oordeel van de kantonrechter dat artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in WAHV-procedures niet (ten volle) van toepassing zou zijn. De gemachtigde stelt dat deze bepaling wel degelijk van toepassing is.

7. De kantonrechter heeft, in reactie op de stelling van de gemachtigde dat de inleidende beschikking wegens strijd met de onschuldpresumptie van artikel 6 EVRM onrechtmatig is, overwogen dat de toets die de rechter aanlegt anders is dan in het strafrecht. In het strafrecht wordt de verdachte voor onschuldig gehouden totdat de schuld van de verdachte wettig en overtuigend bewezen is. In Mulderzaken is de aankondiging van de beschikking en het daarop gebaseerde zaakoverzicht in het dossier in beginsel een voldoende grondslag om vast te stellen dat de betrokkene de gedraging heeft begaan. Het is vervolgens aan betrokkene om aannemelijk te maken dat hij de gedraging niet heeft verricht.

8. De kantonrechter heeft hiermee -in minder gelukkige bewoordingen- tot uitdrukking gebracht dat de onschuldspresumptie zoals neergelegd in artikel 6, tweede lid, van het EVRM, zich niet verzet tegen het in WAHV-zaken gehanteerde uitgangspunt dat de ambtsedige verklaring van de verbalisant, zoals weergegeven in het zaakoverzicht, in beginsel een voldoende grondslag kan bieden voor de vaststelling dat de gedraging is verricht maar dat dit anders is indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten of omstandigheden aanvoert die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van die verklaring. Dat oordeel van de kantonrechter is door de gemachtigde niet betwist. Ook dit bezwaar brengt niet mee dat de beslissing van de kantonrechter niet in stand kan blijven.

9. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen. Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld.

Beslissing

Het gerechtshof:

  • bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
  • wijst het verzoek om toekenning van proceskostenvergoeding af.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Dörholt als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *