ECLI:NL:GHARL:2017:1829

Betrokkene heeft een half jaar op zijn gehandicaptenparkeerkaart moeten wachten, omdat de gemeente de aanvraag eerder ten onrechte niet in behandeling had genomen. Betrokkene heeft geparkeerd zonder een geldige parkeerkaart achter de voorruit. Omdat de betrokkene voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij in aanmerking kwam voor een gehandicaptenparkeerkaart en daarover had kunnen beschikken als zijn aanvraag daartoe met de vereiste voortvarendheid was behandeld, is de advocaat-generaal van mening dat de sanctie gematigd dient te worden.

Uitspraak

WAHV 200.167.062
6 maart 2017
CJIB 175160535

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
zittingsplaats Leeuwarden

Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Alkmaar
van 20 februari 2015
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 360,- opgelegd ter zake van “parkeren op gehandicaptenparkeerplaats zonder duidelijk zichtbare geldige gehandicaptenparkeerkaart”, welke gedraging zou zijn verricht op 9 augustus 2013 om 15.35 uur op de Schuijteskade te Hoorn met het voertuig met het kenteken [kenteken] .

2. De betrokkene stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat de kantonrechter op onjuiste gronden een beslissing heeft genomen, omdat de kantonrechter heeft overwogen dat de betrokkene een beroep heeft gedaan op de omstandigheid dat hij nog niet in het bezit was van een gehandicaptenparkeerplaats. Dit is niet juist. De betrokkene had namelijk in zijn beroepschrift als bijzondere omstandigheden aangevoerd waarom hij nog niet over een gehandicaptenparkeerkaart beschikte, maar dit is niet meegenomen in de overwegingen van de kantonrechter. In hoger beroep legt de betrokkene uit dat hij een half jaar op zijn gehandicaptenparkeerkaart heeft moeten wachten, omdat de gemeente [gemeente] de aanvraag eerder ten onrechte niet in behandeling had genomen.

3. Het hof stelt vast dat de betrokkene in zijn beroepschrift tegen de beslissing van de officier van justitie heeft aangevoerd dat hij heeft geparkeerd zonder een geldige parkeerkaart achter de voorruit, omdat hij die op dat moment niet bij de hand had. Voor de reden van het ontbreken van die parkeerkaart verwijst hij naar zijn beroepschrift tegen de inleidende beschikking. Hierin heeft hij echter enkel aangegeven dat hij (nog) niet in het bezit was van een invalidenparkeerkaart. Dat de betrokkene problemen had met de gemeente Schagen omtrent de aanvraag van een invalidenparkeerkaart is dus niet eerder dan in hoger beroep naar voren gebracht. Derhalve treft de klacht van de betrokkene, dat de kantonrechter deze omstandigheden niet in zijn beslissing heeft meegenomen, geen doel.

4. Gelet op de stukken in het dossier en in aanmerking genomen dat de betrokkene de gedraging niet ontkent, is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Vervolgens dient het hof te beoordelen of, gelet op de door de betrokkene aangevoerde omstandigheden, er reden is een sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen.

5. De advocaat-generaal stelt zich in dit kader op het standpunt dat in de hoogte van de sanctie onderscheid dient te worden gemaakt tussen voldoende mobiele verkeersdeelnemers die ten koste van de beschermde doelgroep gebruik maken van een gehandicaptenparkeerplaats en verkeersdeelnemers die aannemelijk maken tot die doelgroep te behoren, maar om uiteenlopende redenen geen duidelijke zichtbare gehandicaptenparkeerkaart in het voertuig aanwezig hadden. Omdat de betrokkene voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij in aanmerking kwam voor een gehandicaptenparkeerkaart en daarover had kunnen beschikken als zijn aanvraag daartoe met de vereiste voortvarendheid was behandeld, is de advocaat-generaal van mening dat de sanctie gematigd dient te worden tot een bedrag van € 90,-.

6. In aanmerking nemend dat de officier van justitie in het kader van de WAHV-procedure, op de voet van artikel 9, tweede lid, WAHV, een eigen bevoegdheid heeft om in een concrete zaak vast te stellen wat het bedrag van de sanctie dient te zijn, zal het hof de advocaat-generaal hierin volgen en het bedrag van de sanctie matigen tot € 90,-. Naar het oordeel van het hof is er met voornoemde matiging voldoende rekening gehouden met de bijzondere omstandigheden waaronder de gedraging is begaan. Het hof ziet daarom geen aanleiding om over te gaan tot een verdergaande matiging of achterwege laten van het sanctiebedrag.

7. Het voorgaande brengt mee dat het hof de beslissing van de kantonrechter zal vernietigen, het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond zal verklaren en, met vernietiging van de beslissing van de officier van justitie in zoverre, het bedrag van de sanctie in de inleidende beschikking zal wijzigen.

Beslissing

Het gerechtshof:

  • vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
  • verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;
  • wijzigt, met vernietiging van de beslissing van de officier van justitie in zoverre, het bedrag van de sanctie in de inleidende beschikking in € 90,-;
  • bepaalt dat van het aan zekerheid gestelde bedrag een bedrag van € 270,- aan de betrokkene wordt gerestitueerd.

Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Verstraaten als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *