ECLI:NL:GHARL:2017:1777

Het hof past voortaan bij een beroep op schending van de redelijke termijn van berechting het beoordelingskader toe dat wordt toegepast in de bestuursrechtelijke rechtspraak waaraan een bestraffende sanctie ten grondslag ligt: er is sprake van schending van de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6 van het EVRM wanneer de procedure in eerste aanleg – inclusief administratief beroep – langer dan twee jaar heeft geduurd. Voor het hoger beroep bedraagt de redelijke termijn van berechting eveneens ten hoogste twee jaar. Bij sancties onder de € 1000,-, wordt de sanctie niet gematigd, maar volstaan met de vaststelling dat artikel 6 van het EVRM is geschonden.
De betrokkene wilde in persoon worden gehoord door de officier van justitie. Gelet op de wetsgeschiedenis is telefonisch horen in beginsel geen volwaardig alternatief voor een hoorzitting. Aan de omstandigheid dat de betrokkene niet heeft verzocht om te worden gehoord, kan in dit geval niet de betekenis toekomen dat de officier van justitie op de voet van 7:17, aanhef en onder d, AWB ervan heeft kunnen afzien de betrokkene (in persoon) te horen.

Uitspraak

WAHV 200.163.164
3 maart 2017
CJIB 175730833

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
locatie Leeuwarden

Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag
van 8 december 2014
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats] .

Het tussenarrest

Het hof heeft in de onderhavige zaak op 31 oktober 2016 een tussenarrest gewezen.
De inhoud van dat arrest wordt als ingelast beschouwd.

Het verdere procesverloop

De betrokkene is bij voornoemd tussenarrest in de gelegenheid gesteld gronden in te dienen tegen de beslissing van de officier van justitie. Bij brief van 26 november 2016 heeft de betrokkene van die gelegenheid gebruikgemaakt.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld op de ingediende gronden te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruikgemaakt. De zaak is vervolgens verwezen naar de meervoudige kamer van het hof.

Beoordeling

1. Op de gronden zoals vermeld in voornoemd tussenarrest zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen. Hetgeen overigens tegen de beslissing van de kantonrechter is aangevoerd, behoeft daarom geen bespreking meer. Ter beoordeling van het hof is nu het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie d.d. 26 december 2013. Bij die beslissing is het beroep van de betrokkene tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard.

2. De betrokkene stelt zich op het standpunt dat het beroep tegen de inleidende beschikking ten onrechte ongegrond is verklaard. De betrokkene voert daartoe onder meer aan dat de officier van justitie hem in de gelegenheid had moeten stellen om op een hoorzitting zijn bezwaren toe te lichten. Van de mogelijkheid die op de inleidende beschikking wordt geboden om telefonisch te worden gehoord, heeft de betrokkene geen gebruikgemaakt, nu hij veronderstelde dat er een hoorzitting in persoon zou plaatsvinden.

3. Artikel 7:16, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld te worden gehoord alvorens er op het administratief beroep wordt beslist. Uit het tweede lid volgt dat in ieder geval de indiener van het beroepschrift als belanghebbende wordt aangemerkt. In artikel 7:17, aanhef en onder d, is bepaald dat van het horen kan worden afgezien indien de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord.

4. Het is het hof ambtshalve bekend dat de rechtsmiddelverwijzing onder de inleidende beschikking de volgende tekst bevat: ‘Eventueel kunt u aangeven of u uw beroep telefonisch wilt toelichten (gehoord worden). Vermeld dit dan in uw brief samen met het telefoonnummer waarop u tijdens kantooruren bereikbaar bent.’

5. In de parlementaire geschiedenis is expliciet aandacht besteed aan telefonisch horen in bezwaarprocedures. Gelet op de systematiek van de Awb is hetgeen hierover in de Kamerstukken is overwogen eveneens van toepassing op het horen in de administratief beroepsprocedures. In Kamerstukken II 1990/91, 21 221, nr. 5 (MvA), blz. 96 en blz. 15 wordt over telefonisch horen onder meer het volgende vermeld:

‘Telefonisch horen voldoet niet aan de minimumeisen die in de Awb aan het horen in de bezwaarschriftfase worden gesteld. Het is echter mogelijk dat alvorens een uitnodiging wordt verzonden, telefonisch contact met de indiener van het bezwaarschrift wordt gezocht om een en ander te vragen en verduidelijkt te krijgen. Goed voorstelbaar is, dat de indiener van het bezwaarschrift in dat gesprek laat weten geen behoefte meer te hebben aan het horen, bij voorbeeld omdat eventuele misverstanden uit de weg zijn geruimd.’

‘De versoepeling die de VNG voorstelt om ook telefonisch te kunnen «horen» gaat ons te ver. Het kan natuurlijk heel goed zijn dat in telefonisch overleg (…) blijkt dat van een vis-a-vis horen kan worden afgezien, bijvoorbeeld omdat belanghebbende verklaart daaraan geen behoefte te hebben, maar indien hij daaraan wel behoefte heeft – en er is geen sprake van kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of tegemoetkoming aan het bezwaar – is er alle reden de gelegenheid te bieden voor een persoonlijk contact.”

6. Het hof stelt vast dat de betrokkene in de procedure in administratief beroep de officier van justitie niet heeft verzocht om te worden gehoord.

7. Het hof heeft eerder geoordeeld dat de hiervoor onder 4. vermelde tekst op de inleidende beschikking weliswaar op inadequate wijze tot uitdrukking brengt wat het recht om te worden gehoord inhoudt, maar dat de officier van justitie niettemin op de in artikel 7:17, aanhef en onder d, Awb vermelde grond van het horen kan afzien wanneer niet gebleken is dat een betrokkene vanwege deze gebrekkige uitleg op de inleidende beschikking ervan heeft afgezien om te verzoeken te worden gehoord (vgl. het arrest van het hof van 18 april 2016, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats: ECLI:NL:GHARL:2016:3027).

8. In de onderhavige zaak is er door de betrokkene van afgezien gebruik te maken van de geboden mogelijkheid om telefonisch te worden gehoord, nu hij in persoon wenste te worden gehoord. Gelet op de hiervoor aangehaalde delen uit de wetsgeschiedenis van de Awb moet worden vastgesteld dat telefonisch horen in beginsel geen volwaardig alternatief is voor een hoorzitting. Er is niet gebleken dat de officier van justitie met de betrokkene tot overeenstemming was gekomen over telefonisch horen ter vervanging van de wettelijk voorgeschreven hoorzitting. Gelet hierop kan aan de omstandigheid dat de betrokkene niet heeft verzocht om te worden gehoord, niet de betekenis toekomen dat de officier van justitie op de voet van artikel 7:17, aanhef en onder d, Awb ervan heeft kunnen afzien de betrokkene (in persoon) te horen.

9. Nu de in administratief beroep aangevoerde bezwaren niet als kennelijk ongegrond kunnen worden aangemerkt -de officier van justitie heeft deze ook niet als zodanig beschouwd- moet de beslissing van de officier van justitie worden vernietigd. De overige bezwaren van de betrokkene tegen die beslissing behoeven geen bespreking. Ter beoordeling van het hof is nu het beroep tegen de inleidende beschikking.

10. Bij die inleidende beschikking is aan de betrokkene als kentekenhouder een administratieve sanctie van € 89,- opgelegd ter zake van “overschrijding maximumsnelheid binnen bebouwde kom met 11 km/u”, welke gedraging zou zijn verricht op 4 september 2013 om 19:21 uur op de Laan van Nieuw Oosteinde te Voorburg met het voertuig met het kenteken [kenteken].

11. De betrokkene is goed bekend met de locatie van de vermeende gedraging. Gelet op de dagelijkse verkeersdrukte aldaar is het vrijwel onmogelijk om er rond dit tijdstip te hard te rijden. De betrokkene wijst er verder op dat er op de foto in het dossier een verkeerslicht te zien is. De betrokkene herinnert zich dat hij voor dat verkeerslicht heeft gewacht en vervolgens vanuit stilstand heeft geaccelereerd tot de maximumsnelheid. Gelet op de korte afstand tussen het verkeerslicht en de radarauto komt het de betrokkene als onmogelijk voor dat hij te hard heeft gereden. De betrokkene wijst er verder op dat in het bijschrift bij de foto in het dossier twee dezelfde serienummers zijn vermeld. Normaliter worden volgens de betrokkene in het fotobijschrift het serienummer van de camera en het serienummer van de antenne-eenheid vermeld. In een eerdere zaak (arrest van 20 maart 2012, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHLEE:2012:BZ6620) heeft het hof geoordeeld dat identieke serienummers op de foto van de gedraging een indicatie zijn dat de camera- en antenne-eenheid als set zijn gekoppeld. In die zaak baseerde het hof zich op een ambtsedig proces-verbaal daaromtrent. Nu een dergelijk proces-verbaal in deze zaak ontbreekt, kan niet worden vastgesteld dat er gebruik is gemaakt van een gekoppelde set. Uit het ijkrapport blijkt volgens de betrokkene dat de camera en de antenne gelijktijdig (als geheel) zijn geijkt. Mogelijk zijn de eenheden later verwisseld, waardoor een afwijking in de meetresultaten niet valt uit te sluiten. Een afwijking in de sluitertijd van enkele milliseconden kan al leiden tot het vastleggen van het verkeerde voertuig, betoogt de betrokkene. Dat dit is gebeurd is te meer aannemelijk nu het tijdstip in het proces-verbaal en het tijdstip op de foto van elkaar verschillen. Van de juistheid van het ijkrapport kan niet worden uitgegaan. Daarom moet tot bewijsuitsluiting worden overgegaan. De betrokkene wijst er verder op dat rijrichting niet juist in het proces-verbaal is vermeld. Op de foto is te zien dat het voertuig richting Voorburg rijdt, terwijl in het proces-verbaal staat dat het voertuig richting de Schenkade reed. De Schenkade bestaat niet. Wel is er een Schenkkade in ‘s-Gravenhage, maar dan had de auto in tegengestelde richting moeten rijden. De betrokkene betoogt verder dat ten aanzien van de tweede verbalisant op het zaakoverzicht niet gebleken is dat deze is opgeleid om de apparatuur te bedienen. Daardoor kunnen er fouten zijn gemaakt. De eerste verbalisant is blijkens het opsporingscertificaat opgeleid in 2001. De vraag is of deze verbalisant competent is digitale apparatuur te bedienen, aangezien in 2001 nog met analoge radarsnelheidsmeters werd gewerkt. Het aanvullende proces-verbaal is bovendien niet ondertekend. Hierdoor ontbreekt de noodzakelijke waarborg voor de waarheid van de inhoud van dit proces-verbaal. De betrokkene meent dat dit alles zodanige twijfel zaait over de juistheid van de inleidende beschikking, dat die moet worden vernietigd.

12. Het hof overweegt als volgt.

13. In WAHV-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

14. Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houdt de ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB onder meer het volgende in:

“De werkelijke snelheid stelde ik vast m.b.v. een voor de meting getest, geijkt en op de voorgeschreven wijze gebruikt snelheidsmeetmiddel.

Gemeten (afgelezen) snelheid : 64 km per uur.
Werkelijke (gecorrigeerde) snelheid : 61 km per uur.
Toegestane snelheid : 50 km per uur.
Overschrijding met : 11 km per uur.

De werkelijke snelheid is het resultaat van een, overeenkomstig de geldende Aanwijzing snelheidsoverschrijdingen en snelheidsbegrenzers van het college van procureurs-generaal, uitgevoerde correctie op de met het meetmiddel gemeten (afgelezen) snelheid. (…)

Rijrichting van : Pr. Bernhardlaan
Rijrichting naar : Schenkade
Ter hoogte van hectometerpaal/pandnr. : 144.”

15. Bij de stukken bevindt zich voorts een foto van de vermeende gedraging. Hierop is het voertuig van de betrokkene vanaf de voorzijde vastgelegd. Op de achtergrond zijn verkeerslichten zichtbaar. Uit het fotobijschrift valt onder meer af te leiden dat de foto op 4 september 2013 om 19:21:24 is gemaakt en er een snelheid van 64 km/u is gemeten.

16. De gegevens in het fotobijschrift (datum, tijd en gemeten snelheid) komen overeen met de gegevens in het zaakoverzicht. Het verweer van de betrokkene dat het tijdstip in het zaakoverzicht afwijkt van het tijdstip in het fotobijschrift, wordt verworpen. Het is het hof ambtshalve bekend dat tijdstippen op het zaakoverzicht worden afgerond op hele minuten. Op de foto van de gedraging is een exactere tijdsweergave (afgerond op seconden) zichtbaar. Van de veronderstelde discrepantie tussen beide tijdstippen is dus geen sprake.

17. Aangaande het verweer van de betrokkene omtrent de ijking van de camera- en de antenne-eenheid, overweegt het hof dat voor een betrouwbare snelheidsmeting is vereist dat het snelheidsmeetmiddel – blijkens de foto in dit geval een Multaradar-C – is geijkt.
De verbalisant heeft verklaard dat van een geijkt snelheidsmeetmiddel gebruik is gemaakt. Kennelijk beschikt de betrokkene bovendien over een ijkrapport. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om te betwijfelen dat de snelheid met een geijkt meetmiddel is geregistreerd. Dat de bij de antenne-eenheid behorende camera-eenheid niet zou zijn geijkt, acht het hof niet aannemelijk geworden. De identieke serienummers op de foto, zijn verklaarbaar doordat – zoals blijkt uit het arrest waarnaar de betrokkene verwijst – de antenne-eenheid en de camera-eenheid als set kunnen worden geijkt. De suggestie van de betrokkene dat de camera-eenheid en de antenne-eenheid na de ijking mogelijk zijn ontkoppeld en verwisseld met andere apparatuur, is door de betrokkene niet onderbouwd en vindt evenmin steun in de stukken. Bovendien merkt het hof op dat de camera enkel dient voor de registratie van het resultaat van de snelheidsmeting en het vastleggen van het voertuig waarop de meting betrekking heeft. De stelling van de betrokkene dat mogelijk door een afwijking in de sluitertijd het verkeerde voertuig is vastgelegd, is niet onderbouwd en ook overigens niet aannemelijk geworden.

18. Ten aanzien van de stelling van de betrokkene dat de verbalisant(en) mogelijk niet bekwaam waren om de apparatuur te bedienen, overweegt het hof het volgende.
Blijkens het zaakoverzicht is de gedraging geconstateerd en de sanctie opgelegd door verbalisant [verbalisant]. Deze verbalisant heeft op ambtsbelofte verklaard het snelheidsmeetmiddel op de voorgeschreven wijze te hebben gebruikt. Kennelijk beschikt de betrokkene bovendien over een certificaat waaruit blijkt dat de verbalisant is opgeleid om meetapparatuur te bedienen. Het hof is van oordeel dat daarmee voldoende vaststaat dat de verbalisant in kwestie over de competenties beschikt om snelheidsovertredingen met daarvoor geschikte apparatuur te constateren. Dat het certificaat dat aan de betrokkene is toegestuurd van geruime tijd geleden dateert, maakt dat niet anders. De enkele stelling van de betrokkene dat er na de afgifte van het certificaat andere snelheidsmeetmiddelen zijn ingevoerd, noopt niet tot de conclusie dat de verbalisant niet bekwaam zou zijn het onderhavige meetmiddel te bedienen.
Het zaakoverzicht bevat geen gegevens van een tweede ambtenaar. Zowel het constateren van de gedraging als het opleggen van de sanctie is uitgevoerd door ambtenaar [verbalisant]. Het hof gaat daarom voorbij aan hetgeen de betrokkene aanvoert met betrekking tot de bekwaamheid van een tweede verbalisant.

19. De stelling van de betrokkene dat een aanvullend proces-verbaal van de verbalisant niet is ondertekend, waardoor de waarborg voor de waarheid van de inhoud ervan ontbreekt, verwerpt het hof. Kennelijk doelt de betrokkene op het ‘Overzicht Zaakgegevens Mulder’, dat zich bij de stukken bevindt. Dit stuk is afgedrukt naar aanleiding van een verzoek van de betrokkene om op de zaak betrekking hebbende stukken. Het document dateert van na de datum van de inleidende beschikking en betreft dus niet het brondocument op grond waarvan de sanctie is opgelegd en dat de basis vormt voor het zaakoverzicht van het CJIB. Het hof ziet geen aanleiding om te veronderstellen dat de gegevens in het zaakoverzicht, waarin is vermeld dat een en ander om ambtsbelofte is opgemaakt, niet zouden zijn gebaseerd op een ondertekend proces-verbaal.

20. De betrokkene heeft opgemerkt dat de rijrichting (van Prins Bernhardlaan naar Schenkade) niet juist is en dat de Schenkade niet bestaat. De betrokkene wijst terecht op een schrijffout in de straatnaam Schenkkade. Het hof merkt deze aan als kennelijke verschrijving. Ten aanzien van de vermelding van de rijrichting in het zaakoverzicht overweegt het hof dat deze slechts dient als informatie ten overvloede. Voor zover de rijrichting onjuist is vermeld in het zaakoverzicht, is de betrokkene daardoor niet in zijn belangen geschaad, te meer niet nu voor de betrokkene aan de hand van de foto van de gedraging – die aan de betrokkene is verstrekt – duidelijk is wat de werkelijke rijrichting is geweest.

21. Voor het overige heeft de betrokkene nog gesteld dat het gelet op de verkeersdrukte en de acceleratiesnelheid van zijn voertuig vrijwel uit te sluiten valt dat hij met de gemeten snelheid heeft gereden. Deze stelling van de betrokkene komt in feite neer op een enkele ontkenning van de gedraging, hetgeen niet volstaat om gerede twijfel aan de verklaring van de verbalisant te doen ontstaan. Het hof is dan ook tot de overtuiging gekomen dat de gedraging is verricht. Er is terecht een sanctie opgelegd aan de betrokkene.

22. De betrokkene verzoekt om een immateriële schadevergoeding vanwege de lange duur van de beroepsprocedures. Hij verwijst naar recente jurisprudentie van de hoogste bestuursrechters inzake schending van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het hof moet de tot dusver gehanteerde lijn naar aanleiding van die rechtspraak herzien. Handhaving van de huidige lijn leidt tot rechtsongelijkheid tussen betrokkenen in WAHV-procedures enerzijds en betrokkenen in alle andere bestuursrechtelijke procedures anderzijds, aldus de betrokkene.

23. Het hof heeft bij een beroep op schending van de redelijke termijn van berechting in WAHV-zaken tot nu toe steeds aansluiting gezocht bij de rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot schending van de redelijke termijn van berechting in strafzaken (vgl. het arrest van het hof van 21 juli 2009, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHLEE:2009:BJ3210). De Hoge Raad hanteert als zijn uitgangspunt in de strafrechtspraak dat sancties bij schending van de redelijke termijn moeten worden gematigd. Bij (onder meer) geldboetes onder de € 1000,- geldt dit niet; dan wordt volstaan met de constatering dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, van het EVRM.

24. Door de hoogste bestuursrechtelijke instanties is vaste jurisprudentie ontwikkeld met betrekking tot schending van de redelijke termijn van berechting. Deze houdt kort gezegd in dat in reguliere bestuursrechtelijke procedures, waar de gemachtigde naar verwijst, met toepassing van artikel 8:73 Awb een schadevergoeding wordt toegekend wanneer de redelijke termijn is overschreden. De hoogste bestuursrechters hanteren dit uitgangspunt evenwel niet in procedures waaraan bestraffende sancties ten grondslag liggen. In die zaken wordt, in navolging van het arrest van de (belastingkamer van de) Hoge Raad van 19 december 2008 (vindplaats ECLI:NL:HR:2008:BD0191), een matiging van de sanctie toegepast wanneer de redelijke termijn van berechting is overschreden. Voor een immateriële schadevergoeding is slechts plaats wanneer matiging niet mogelijk is omdat de sanctie geheel is vernietigd of ongedaan gemaakt (vgl. het arrest van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 september 2010, vindplaats ECLI:NL:RVS:2010:BN7011). In fiscale zaken blijft matiging achterwege bij een sanctie lager dan € 1000,-. In dat geval wordt volstaan met het oordeel dat de geconstateerde verdragsschending voldoende is gecompenseerd met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, van het EVRM (vgl. voormeld arrest van de Hoge Raad van 19 december 2008).

25. In (inmiddels bestendige) jurisprudentie is bepaald dat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg ten hoogste twee jaar bedraagt, waarbij de termijn aanvangt op het moment dat vanwege het bestuursorgaan jegens de beboete persoon een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een boete zal worden opgelegd. De procedure in bezwaar of administratief beroep is in deze termijn begrepen; de termijn eindigt met de uitspraak van de rechtbank. De redelijke termijn in hoger beroep bedraagt eveneens ten hoogste twee jaren vanaf het moment dat het rechtsmiddel is ingesteld (vgl. ABRvS, 29 januari 2014; ECLI:NL:RVS:2014:188 en CBb 28 maart 2013; ECLI:NL:CBB:2013:BZ6866).

26. Net als in bestuursrechtelijke procedures inzake bestraffende sancties ligt in WAHV-zaken een sanctie aan de procedure ten grondslag. Het hof past daarom voortaan bij een beroep op schending van de redelijke termijn van berechting – overeenkomstig de bestuursrechtelijke rechtspraak inzake bestraffende sancties – het hiervoor besproken beoordelingskader toe. Tot een materieel andere uitkomst voor de betrokkene zal dit in het algemeen niet leiden, aangezien het sanctiebedrag van WAHV-sancties (thans) altijd minder dan € 1000,- bedraagt.

27. In de onderhavige zaak is aan de betrokkene bij beschikking van 27 september 2013 een sanctie opgelegd. Op 8 december 2014 heeft de kantonrechter uitspraak gedaan. Op 20 januari 2015 is hoger beroep ingesteld. Het hof doet heden uitspraak.
Dat betekent dat in hoger beroep de redelijke termijn van berechting is overschreden.
Dat brengt mee dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, van het EVRM.

28. Het bedrag van de administratieve sanctie in deze zaak bedraagt minder dan € 1000,-. Het hof volstaat daarom met het oordeel dat de geconstateerde verdragsschending voldoende is gecompenseerd met de vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, van het EVRM.

29. Niet gebleken is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Het verzoek om kostenvergoeding wordt daarom afgewezen.

Beslissing

Het gerechtshof:

  • vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
  • verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie d.d. 26 december 2013 gegrond en vernietigt die beslissing;
  • verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;
  • wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Schuijlenburg, Beswerda en Anjewierden in tegenwoordigheid van mr. Huizenga als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *