ECLI:NL:GHARL:2016:9408

Verbalisant blijkt geen trainingscertificaat te hebben gehad op het moment dat hij de vermeende gedraging constateerde. Dit certificaat is ingevolge de Aanwijzing snelheidsovertredingen en snelheidsbegrenzers wel vereist. Uit de brief van de politiechef van de Eenheid Noord-Holland leidt het hof af dat de verbalisant de training voor het gebruik van het meetapparaat met goed gevolg heeft afgelegd. Dat het bijbehorende certificaat vanwege een administratieve achterstand bij de Politieacademie nog niet daadwerkelijk aan hem was uitgereikt, maakt dit niet anders. Gelet hierop kan het door de gemachtigde gevoerde verweer niet slagen.

Uitspraak

WAHV 200.163.544
24 november 2016
CJIB 169113028

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
locatie Leeuwarden

Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland
van 11 december 2014
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats],
voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde],
kantoorhoudende te [kantoorplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene betwist het oordeel van de kantonrechter dat de betrokkene door het niet naleven van de hoorplicht niet in enig belang zou zijn geschaad. Verder stelt de gemachtigde dat de officier van justitie de betrokkene heeft gedwongen om beroep aan te tekenen door zijn beslissing gebrekkig te motiveren.

2. Uit het dossier blijkt het volgende. De gemachtigde heeft bij brief van 22 maart 2013 beroep ingesteld tegen de inleidende beschikking, waarbij hij de CVOM heeft verzocht om hem te horen. In het beroepschrift voert de gemachtigde uitgebreid verweer. Er wordt ontkend dat de gedraging is verricht. Voorts wordt de bevoegdheid van de verbalisanten gemotiveerd betwist.

3. Ingevolge artikel 7:16 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 7, tweede lid, van de WAHV moet de officier van justitie de indiener van het beroepschrift in de gelegenheid stellen te worden gehoord. Hij kan daar van afzien indien het beroep kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, de betrokkene niet gehoord wil worden of als officier van justitie hem volledig gelijk geeft (artikel 7:17 van de Awb).

4. De officier van justitie heeft van het horen afgezien en het beroep bij beslissing van 14 juni 2013 kennelijk ongegrond verklaard. Nu de bezwaren echter niet als kennelijk – dat wil zeggen aanstonds blijkend, zonder dat daarvoor nader onderzoek noodzakelijk is – ongegrond kunnen worden aangemerkt, heeft de officier van justitie er ten onrechte van afgezien de gemachtigde te horen. Anders dan de kantonrechter heeft geoordeeld kan dit verzuim niet met een beroep op artikel 6:22 Awb worden aangemerkt als schending van een rechtsregel waardoor de betrokkene niet is benadeeld. Het hof wijst in dit verband op zijn arrest van 2 juli 2012 (vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHLEE:2012:BY1539).

5. Het voorgaande brengt mee dat de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie niet in stand had mogen laten. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen en doen wat de kantonrechter had behoren te doen, te weten het beroep gegrond verklaren en de beslissing van de officier van justitie vernietigen. De overige bezwaren van de gemachtigde tegen beide beslissingen behoeven nu geen bespreking meer.

6. Ter beoordeling van het hof is nu het beroep tegen de inleidende beschikking, waarbij aan de betrokkene als kentekenhouder een administratieve sanctie van € 97,- is opgelegd ter zake van “overschrijding maximumsnelheid binnen bebouwde kom met 12 km/u”, welke gedraging zou zijn verricht op 31 januari 2013 om 19:38 uur op de Hoornseweg te Wognum met het voertuig met het kenteken [kenteken].

7. De gemachtigde stelt zich op het standpunt dat de verbalisant niet over voldoende technische kennis beschikte om de meetapparatuur te kunnen gebruiken. Uit door de betrokkene bij de politie opgevraagde gegevens blijkt dat de verbalisant geen trainingscertificaat had op het moment dat hij de vermeende gedraging constateerde.
Dit certificaat is ingevolge de Aanwijzing snelheidsovertredingen en snelheidsbegrenzers wel vereist.

8. In WAHV-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

9. Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houdt de ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB onder meer het volgende in:

“De werkelijke snelheid stelde ik vast m.b.v. een voor de meting geteste, geijkte en op de voorgeschreven wijze gebruikte snelheidsmeter.

Gemeten (afgelezen) snelheid: 65 km per uur.
Werkelijke (gecorrigeerde) snelheid: 62 km per uur.
Toegestane snelheid: 50 km per uur.
Overschrijding met: 12 km per uur.
Merk/soort meetmiddel: Jenoptik laser. (…)
Goedkeuring meetmiddel geldig tot: 11-07-2013.

De werkelijke snelheid is het resultaat van een, overeenkomstig de geldende aanwijzing snelheidsoverschrijdingen en snelheidsbegrenzers van het college van procureurs-generaal, uitgevoerde correctie op de met het meetmiddel gemeten (afgelezen) snelheid. (…)

Naam van ambtenaar 1: [verbalisant]
Eed / belofte ambtenaar 1: belofte
Rangomschr. ambtenaar 1: aspirant van politie”

10. Bij de stukken bevindt zich verder een brief d.d. 18 maart 2013, van de politiechef Eenheid Noord-Holland aan de betrokkene, waarin deze onder meer schrijft:

“De aan bedoelde overtreding gerelateerde relevante en door u gevraagde documenten zijn bijgevoegd. Uitzondering hierop is het certificaat van deelname gebruikerstraining Laser Gun TruSpeed LR / Module waarnemer Snelheidscontroles Laser Gun Truspeed LR / Module waarnemer Snelheidscontroles Laser van verbalisant 51996. Deze verbalisant heeft genoemd certificaat wel behaald op de Nederlandse Politieacademie echter deze academie heeft een achterstand in het vervaardigen en uitreiken van deze certificaten.”

11. De Aanwijzing snelheidsoverschrijdingen en snelheidsbegrenzers (hierna: de Aanwijzing), bevatte ten tijde van de gedraging de volgende definitie van ‘bedienaar’:

“Persoon die beschikt over de opsporingsbevoegdheid en die is opgeleid om de gebruikte snelheidsmeter voor de opsporing van snelheidsoverschrijdingen te gebruiken.”

12. Uit de brief van de politiechef van de Eenheid Noord-Holland leidt het hof af dat de verbalisant de training voor het gebruik van het meetapparaat met goed gevolg heeft afgelegd. Dat het bijbehorende certificaat vanwege een administratieve achterstand bij de Politieacademie nog niet daadwerkelijk aan hem was uitgereikt, maakt dit niet anders. Gelet hierop kan het door de gemachtigde gevoerde verweer niet slagen.

13. Nu in hoger beroep voor het overige niets is aangevoerd dat leidt tot twijfel aan de ambtsedige verklaring van de verbalisant, en ook de stukken daartoe geen aanleiding geven, staat naar het oordeel van het hof vast dat de gedraging is verricht. De sanctie is terecht opgelegd. Het beroep tegen de inleidende beschikking wordt daarom ongegrond verklaard.

14. Namens de betrokkene is verzocht om vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Naar het oordeel van het hof komen de gevraagde kosten voor vergoeding in aanmerking. De vergoeding van kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is in het Besluit proceskosten bestuursrecht forfaitair bepaald per proceshandeling. De gemachtigde van de betrokkene heeft de volgende proceshandelingen verricht: het indienen van een beroepschrift bij de kantonrechter en het indienen van een hoger beroepschrift. Aan het indienen van een beroepschrift dient telkens één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 490,-. Gelet op de aard van de zaak past het hof wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 490,- (= 2 x € 490,- x 0,5).

Beslissing

Het gerechtshof:

  • vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
  • verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie d.d. 14 juni 2013 gegrond en vernietigt die beslissing;
  • verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;
  • veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 490,-.

Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Huizenga als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

Eén gedachte over “ECLI:NL:GHARL:2016:9408”

  1. Met betrekking tot punt 4 van dit arrest, zie ook het arrest van 28 oktober 2009 (ECLI:NL:GHLEE:2009:BK1036).

    Het hof heeft tot 28 oktober 2009 geoordeeld dat in een situatie als deze, waarin de (gemachtigde van de) betrokkene in de gelegenheid is gesteld om bij de kantonrechter te worden gehoord, de betrokkene niet is benadeeld in zijn belangen die met het horen door de officier van justitie worden gediend. Het hof komt terug op deze jurisprudentie. Het hof merkt in dit verband op dat de officier van justitie in het kader van de rechtsbescherming op grond van de WAHV een eigen relevante positie heeft en, anders dan de kantonrechter, ook op doelmatigheidsgronden sanctiebeschikkingen kan wijzigen of ongedaan maken, terwijl bovendien de kantonrechter eerst na voorafgaande zekerheidstelling aan de inhoudelijke bezwaren kan toekomen (punt 10, ECLI:NL:GHLEE:2012:BY1539).

Geef een reactie