ECLI:NL:GHARL:2016:9185

De betrokkene had zijn voertuig uitgeleend en heeft een schriftelijke verklaring van de bestuurder ingebracht, waarin die bestuurder erkent de bestuurder te zijn geweest. Bij oplegging van een administratieve sanctie aan de kentekenhouder, wordt aan deze niet een gedraging als bedoeld in artikel 2 van de WAHV verweten, maar op de kentekenhouder komt slechts de last te rusten het bedrag van de opgelegde administratieve sanctie voor de bestuurder, als degene die zich aan de desbetreffende gedraging heeft schuldig gemaakt, te voldoen.
De kantonrechter is slechts gehouden de proceskosten te vergoeden indien de gemachtigde voorafgaand aan de beslissing daarom heeft verzocht. Gemachtigde heeft niet om vergoeding van proceskosten verzocht.

Uitspraak

WAHV-nummers 200.175.877, 200.175.879 en 200.175.880
17 november 2016
CJIB-nummers 177365131, 177519775 en 177369742

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
locatie Leeuwarden

Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissingen
van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland
van 16 juli 2015
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats],
voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde],
kantoorhoudende te [kantoorplaats].

De beslissingen van de kantonrechter

De kantonrechter heeft de beroepen van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing gegrond verklaard, de beslissingen van de officier van justitie vernietigd en de beroepen tegen de inleidende beschikkingen ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissingen van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De griffier van het hof heeft de gemachtigde bij brief in de gelegenheid gesteld om de (nadere) gronden van het beroep op te geven. Van de gemachtigde is geen reactie ontvangen.

Bij arrest van 23 februari 2016 heeft het hof de hoger beroepen van de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard, omdat het verzuim de gronden van het beroep op te geven niet binnen de gestelde termijn was hersteld.

Door de gemachtigde is verzocht voornoemd arrest terug te nemen, omdat de brief van de griffier van het hof om de gronden van het beroep op te geven niet door de gemachtigde is ontvangen.

Bij herstelarrest van 9 mei 2016 heeft het hof het arrest van 23 februari 2016 vervallen verklaard.

De griffier van het hof heeft de gemachtigde bij aangetekende brief in de gelegenheid gesteld om de (nadere) gronden van de beroepen op te geven.

De gemachtigde van de betrokkene heeft (nadere) gronden van de beroepen opgegeven. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op de beroepen.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op de beroepen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikkingen met de CJIB-nummers 177365131, 177519775 en 177369742 een drietal administratieve sancties van respectievelijk € 80,-, € 110,- en € 158,- opgelegd ter zake van:

– “overschrijding maximum snelheid op autosnelwegen, met 11 km/h (verkeersbord A1)”, welke gedraging zou zijn verricht op 19 november 2013 om 20.38 uur op de Trajectcontrole A2 links te Baambrugge met het voertuig met het kenteken [kenteken];

– “overschrijding maximum snelheid op autosnelwegen, met 15 km/h (verkeersbord A1)”, welke gedraging zou zijn verricht op 19 november 2013 om 20.40 uur op de autosnelweg A2 links te Abcoude met het voertuig met het kenteken [kenteken].

– “overschrijding maximum snelheid op autosnelwegen, met 20 km/h (verkeersbord A1)”, welke gedraging zou zijn verricht op 19 november 2013 om 21.19 uur op de Trajectcontrole A2 rechts te Vinkeveen met het voertuig met het kenteken [kenteken].

2. De gemachtigde van de betrokkene bestrijdt niet dat de gedragingen zijn verricht, maar voert aan dat de gedragingen niet zijn verricht door de betrokkene. De betrokkene had zijn voertuig uitgeleend aan [bestuurder]. De gemachtigde van de betrokkene stelt zich op het standpunt dat de beschikkingen onrechtmatig aan de betrokkene zijn opgelegd. De gemachtigde van de betrokkene heeft een schriftelijke verklaring van [bestuurder] ingebracht, waarin die [bestuurder] erkent de bestuurder te zijn geweest en zijn naam, adres en woonplaats bekend maakt, zodat de beschikkingen aan [bestuurder] als bestuurder hadden moeten worden opgelegd.

Voorts stelt de gemachtigde van de betrokkene zich op het standpunt dat de kantonrechter ten onrechte geen proceskostenvergoeding heeft toegekend, terwijl hij de beroepen gegrond heeft verklaard en de beslissingen van de officier van justitie heeft vernietigd.

3. Ingevolge artikel 5 van de WAHV wordt, indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, de administratieve sanctie opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven.

4. In aanmerking genomen dat de betreffende gedragingen met behulp van trajectcontrole of radarsnelheidsmeter zijn geconstateerd en derhalve niet aanstonds kon worden vastgesteld wie de bestuurder van het voertuig is geweest, zijn de inleidende beschikkingen terecht aan de betrokkene als kentekenhouder opgelegd. Nu niet wordt ontkend dat de gedragingen zijn verricht met het voertuig van de betrokkene, is het hof van oordeel dat de kantonrechter – na gegrondverklaring van de beroepen en vernietiging van de beslissingen van de officier van justitie – terecht de beroepen tegen de inleidende beschikkingen ongegrond heeft verklaard.

5. Voorts merkt het hof op dat artikel 5 van de WAHV aldus dient te worden verstaan dat bij oplegging van een administratieve sanctie aan de kentekenhouder, aan deze niet een gedraging als bedoeld in artikel 2 van de WAHV wordt verweten, maar op de kentekenhouder slechts de last komt te rusten het bedrag van de opgelegde administratieve sanctie voor de bestuurder, als degene die zich aan de desbetreffende gedraging heeft schuldig gemaakt, te voldoen. De kentekenhouder kan desgewenst het bedrag van de sanctie verhalen op degene die de gedraging heeft verricht. Evenzo staat het degene die wel de gedraging heeft verricht vrij om de aan de kentekenhouder opgelegde sanctie te voldoen.

6. Met betrekking tot het standpunt van de gemachtigde van de betrokkene dat de kantonrechter ten onrechte geen proceskostenvergoeding heeft toegekend, heeft de advocaat-generaal zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat de gemachtigde niet voorafgaand aan de beslissingen van de kantonrechter om vergoeding van proceskosten heeft verzocht, zodat de kantonrechter niet gehouden was een proceskostenvergoeding toe te kennen. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

7. De kantonrechter heeft de bij hem ingestelde beroepen op juiste gronden gegrond verklaard en de beslissing van de officier van justitie vernietigd. Ingevolge artikel 13a, eerste lid, van de WAHV is de kantonrechter bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank, en van het bezwaar of van het administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De artikelen 7:15, tweede tot en met vierde lid, en 7:28, tweede lid, eerste volzin, derde en vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing verklaard.

8. Uit voornoemde artikelen vloeit voort dat – hoewel de betrokkene in het gelijk is gesteld – de kantonrechter slechts is gehouden de proceskosten te vergoeden indien (de gemachtigde van) de betrokkene voorafgaand aan de beslissing daarom heeft verzocht. Nu de gemachtigde van de betrokkene in de procedure bij de kantonrechter niet om vergoeding van proceskosten heeft verzocht, bestaat derhalve geen aanleiding de beslissingen van de kantonrechter te vernietigen.

9. Gelet op het vorenstaande zal het hof de beslissingen van de kantonrechter bevestigen.

10. Nu de betrokkene in het hoger beroep niet in het gelijk wordt gesteld, bestaat geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten. Het hof zal het kostenverzoek daarom afwijzen.

Beslissing

Het gerechtshof:

  • bevestigt de beslissingen van de kantonrechter;
  • wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. Kuiper als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

Eén gedachte over “ECLI:NL:GHARL:2016:9185”

  1. Opmerking m.b.t. punt 6, 7 en 8 van dit arrest (proceskostenvergoeding): Zie ook punt 20 van het arrest van 25 november 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:9522.

    "De stelling van de gemachtigde dat de kantonrechter heeft verzuimd om aan de betrokkene, die ter zitting is verschenen, een vergoeding voor de reis- en verletkosten toe te kennen, houdt geen stand. Het hof overweegt daartoe dat, nu er door de betrokkene niet is verzocht om een vergoeding van de reis- en verletkosten, er voor de kantonrechter geen verplichting bestond om deze aan de betrokkene toe te kennen. Uit artikel 13a, eerste lid, WAHV juncto artikel 7:28, tweede lid, van de Awb volgt immers dat moet worden verzocht om vergoeding van de proceskosten."

Geef een reactie