ECLI:NL:GHARL:2016:9183

Het verweer komt feitelijk op neer dat de verbalisant een bruine boterham die de betrokkene vasthield heeft aangezien voor een mobiele telefoon. Het hof acht dit – de geringe gelijkenis tussen een boterham en een mobiele telefoon in aanmerking genomen – onaannemelijk. De betrokkene is tevens van mening dat de uitdraai van de provider, waaruit kan worden afgeleid dat het toestel ten tijde van de gedraging niet is gebruikt, met zich meebrengt dat de sanctie ten onrechte is opgelegd. Artikel 61a RVV 1990 verbiedt het enkele vasthouden van een mobiele telefoon tijdens het besturen van een motorrijtuig. Niet van belang is of er met het toestel ten tijde van de gedraging is gebeld of ge-sms-t. De verbalisant was er dan ook niet toe gehouden om de sms- en belgeschiedenis van het toestel te controleren.

Uitspraak

WAHV 200.163.642
17 november 2016
CJIB 179450009

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
locatie Leeuwarden

Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam
van 22 december 2014
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard en bepaald dat een bedrag van € 237,- aan de betrokkene dient te worden gerestitueerd.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

Op 4 februari 2015 heeft het hof nog een brief van de betrokkene met bijlagen ontvangen.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 230,- opgelegd ter zake van “als bestuurder tijdens het rijden een mobiele telefoon vasthouden”, welke gedraging zou zijn verricht op 13 februari 2014 om 15:17 uur op de A15 te Hardinxveld-Giessendam.

2. De betrokkene ontkent met klem de gedraging te hebben verricht. Hij had geen mobiele telefoon in zijn hand, maar een bruine boterham. De betrokkene heeft nog aan de verbalisant aangeboden om het toestel te controleren, zodat de verbalisant kon zien dat het niet was gebruikt. De verbalisant weigerde dit. Voorts legt de betrokkene een uitdraai van zijn provider over waaruit blijkt dat op voornoemde datum en tijd niet met zijn telefoon gebeld of ge-sms-t is. Ook heeft de betrokkene foto’s overgelegd waaruit blijkt dat de mobiele telefoon geen internetmogelijkheid heeft en dat de vrachtwagen is voorzien van bluetooth. In zijn nadere toelichting klaagt de betrokkene erover dat de verbalisant geen verklaring heeft opgenomen, terwijl de betrokkene daar wel om heeft gevraagd.

3. In WAHV-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

4. Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houdt de ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB onder meer het volgende in:

“Ik zag dat de bestuurder tijdens het rijden een op een telefoon gelijkend voorwerp in zijn rechterhand vasthield. Bij de staandehouding zag ik dat het een mobiele telefoon betrof van het merk: Nokia.”

5. De ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het aanvullend proces-verbaal d.d. 15 juli 2015 houdt onder meer het volgende in:

“De waarnemingen zoals omschreven in het bijgevoegde zaakoverzicht zijn correct. Als er enige geringe twijfel zou bestaan met betrekking tot de door mij gedane waarneming dan wordt er geen bekeuring uitgeschreven. Ik zou het me zeker kunnen herinneren als iemand met een bruine boterham een telefoongesprek zou trachten te voeren. Er zou dan uiteraard geen bekeuring uitgeschreven zijn maar hulpverlening worden aangeboden.”

6. Het hof gaat voorbij aan het verweer van de betrokkene – wat daar ook van zij – dat zijn verklaring door de verbalisant niet is opgenomen in het zaakoverzicht, nu het hof de verklaring van de betrokkene niet betrekt bij de vaststelling of de gedraging is verricht. Zoals in het voorgaande is overwogen, biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant reeds op zichzelf voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht.

7. Het verweer van de betrokkene ten aanzien van de gedraging komt feitelijk hierop neer dat de verbalisant een bruine boterham die de betrokkene vasthield heeft aangezien voor een mobiele telefoon. Het hof acht dit – de geringe gelijkenis tussen een boterham en een mobiele telefoon in aanmerking genomen – onaannemelijk.

8. De betrokkene is – naar het hof begrijpt – van mening dat de uitdraai van de provider, waaruit kan worden afgeleid dat de betrokkene het toestel ten tijde van de gedraging niet heeft gebruikt, met zich meebrengt dat de sanctie ten onrechte is opgelegd. Dit verweer kan de betrokkene niet baten. Artikel 61a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), waarop de sanctie in deze zaak is gebaseerd, verbiedt (kort gezegd) het enkele vasthouden van een mobiele telefoon tijdens het besturen van een motorrijtuig. Niet van belang is of er met het toestel ten tijde van de gedraging is gebeld of ge-sms-t. De verbalisant was er dan ook niet toe gehouden om, alvorens de sanctie op te leggen, de sms- en belgeschiedenis van het toestel te controleren.

9. Gelet op het voorgaande leidt het betoog van de betrokkene niet tot twijfel aan de ambtsedige verklaring van de verbalisant. Naar het oordeel van het hof staat derhalve vast dat de gedraging is verricht. De kantonrechter heeft het beroep tegen de inleidende beschikking dan ook terecht ongegrond verklaard.

10. Het hof stelt vast dat de beslissing van de kantonrechter het beroep van de betrokkene ongegrond verklaard en bepaald dat een bedrag van € 237,- aan de betrokkene dient te worden gerestitueerd. Uit de overwegingen van de kantonrechter volgt echter niet dat de kantonrechter het beroep gegrond heeft willen verklaren, noch dat er redenen aanwezig waren om de sanctie te matigen of achterwege te laten. Dit betekent dat de beslissing van de kantonrechter op dit punt niet in stand kan blijven.

11. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter, voor zover daarbij is bepaald dat een bedrag van € 237,- aan de betrokkene dient te worden gerestitueerd, vernietigen en de beslissing van de kantonrechter voor het overige bevestigen.

Beslissing

Het gerechtshof:

  • vernietigt de beslissing van de kantonrechter voor zover daarbij is bepaald dat het bedrag van € 237,-, dient te worden gerestitueerd;
  • bevestigt de beslissing van de kantonrechter voor het overige.

Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. Vlieger-Dijkstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

2 gedachten over “ECLI:NL:GHARL:2016:9183”

  1. Per 01-07-2017 is aan artikel 61a een volzin toegevoegd, luidende:

    Onder een mobiele telefoon wordt verstaan een apparaat dat bestemd is voor het gebruik van mobiele openbare telecommunicatiediensten. 

    Volgens artikel 61a van het RVV 1990 is het de bestuurder van de meeste voertuigen verboden tijdens het rijden een mobiele telefoon vast te houden. Een definitie van het begrip mobiele telefoon was in dat artikel niet opgenomen, zodat men bij de handhaving van het verbod telkens moest terugvallen op de omschrijving in de nota van toelichting bij het besluit waarbij het verbod is ingevoerd (bekendgemaakt in Staatsblad 2002, 67). Dit is onpraktisch en daarom is deze omschrijving nu alsnog ongewijzigd opgenomen in een nieuwe volzin van artikel 61a RVV 1990 (Nota van toelichting, Stb 2017, 181).

  2. Staatsblad 2002, 67: Besluit van 4 februari 2002 tot wijziging van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (verbod handmatig telefoneren)

    Op 30-03-2002 is na artikel 61 een paragraaf ingevoegd in de RVV, luidende:

    Paragraaf 30 Gebruik van mobiele telecommunicatieapparatuur
    Artikel 61a
    Het is degene die een motorvoertuig, bromfiets of invalidenvoertuig bestuurt verboden tijdens het rijden een mobiele telefoon vast te houden.

    Per 13-05-2005 is in artikel 61a, onderdeel c, «invalidenvoertuig» vervangen door: gehandicaptenvoertuig.
    De hier voorgestelde wijziging betreft een aanpassing aan de terminologie in de nieuwe Spoorwegwet.

    Per 01-05-2009 is artikel 61a als volgt gewijzigd:

    1. na «bromfiets» wordt ingevoegd:, snorfiets.
    2. na «gehandicaptenvoertuig» wordt ingevoegd: dat is uitgerust met een motor.

    Artikel 61a RVV 1990 verbiedt het degene die een motorvoertuig, bromfiets of gehandicaptenvoertuig bestuurt tijdens het rijden een mobiele telefoon vast te houden. Ingevolge artikel 2b RVV 1990 gold dit verbod niet voor een bestuurder van een snorfiets. Blijkens de definitie van artikel 1, onderdeel af, RVV 1990 is een snorfiets een bromfiets. Het besturen van een snorfiets is door de motor en de snelheid die de snorfiets daarmee kan bereiken niet veel minder moeilijk dan het besturen van een bromfiets en vergt van de bestuurder dezelfde aandacht en concentratie. Om die reden is het verbod tijdens het rijden een mobiele telefoon vast te houden uitgebreid tot de bestuurder van een snorfiets.
    Het verbod gold tot de inwerkingtreding van dit besluit voor alle bestuurders van een gehandicaptenvoertuig. Analoog aan de hiervoor genoemde motivering voor de invoering van het verbod voor de snorfiets, is het echter niet nodig dit verbod ook te laten gelden voor de bestuurder van een gehandicaptenvoertuig dat niet met een motor is uitgerust. Door de onderhavige wijziging geldt het verbod dus niet voor degene die een gehandicaptenvoertuig zonder motor bestuurt (Nota van toelichting, Stb 2008, 90).

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *