ECLI:NL:GHARL:2016:781

Indien een gemachtigde namens de betrokkene in een procedure als de onderhavige optreedt, dienen de stukken op grond van het bepaalde in artikel 6:17 Awb in ieder geval naar de gemachtigde van de betrokkene te worden gezonden. Uit het dossier blijkt dat de beslissing van de kantonrechter is toegezonden aan het juiste adres van de GGZ-instelling. Het betreft een instelling met verschillende afdelingen en daarin werkzame personen. De brief is evenwel niet gericht aan de afdeling waarbinnen de gemachtigde werkzaam is. Evenmin is in de brief de naam van de gemachtigde opgenomen. De naam van de gemachtigde is in de beslissing van de kantonrechter ook niet opgenomen. Onder deze omstandigheden is de beslissing van de kantonrechter naar het oordeel van het hof niet op de juiste wijze bekend gemaakt en kan niet worden vastgesteld dat de beroepstermijn is aangevangen. Hetzelfde gebrek kleeft aan de verzonden zekerheidsbrieven. Gelet hierop is het hof van oordeel dat niet op de juiste wijze mededeling is gedaan van de verplichting tot zekerheidstelling als bedoeld in artikel 11, derde lid, van de WAHV. Om die reden kan de bestreden beslissing niet in stand blijven en zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen en de zaak terugwijzen.

Uitspraak

WAHV 200.151.653
4 februari 2016
CJIB 167998825

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
locatie Leeuwarden

Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland
van 17 december 2013
betreffende
[naam] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [plaats],
voor wie als gemachtigde optreedt [naam], werkzaam bij [instelling].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing niet-ontvankelijk verklaard.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Ingevolge het bepaalde in artikel 14, eerste lid, van de WAHV in verbinding met de artikelen 6:24, 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dient het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen een termijn van zes weken, welke termijn aanvangt op de dag na die waarop de bestreden beslissing aan de betrokkene bekend is gemaakt.

2. Het bepaalde in artikel 3:41, eerste lid, van de Awb brengt mee dat eerst van bekendmaking op de voorgeschreven wijze sprake is, indien de mededeling naar het juiste adres is verzonden.

3. Het hof stelt vast dat gemachtigde namens de betrokkene beroep heeft ingesteld bij de kantonrechter tegen de beslissing van de officier van justitie.

4. Indien een gemachtigde namens de betrokkene in een procedure als de onderhavige optreedt, dienen de stukken op grond van het bepaalde in artikel 6:17 Awb in ieder geval naar de gemachtigde van de betrokkene te worden gezonden.

5. Uit het dossier blijkt dat bij brief van 17 december 2013 de beslissing van de kantonrechter is toegezonden aan het adres van de [instelling], [adres]. Het betreft een instelling met verschillende afdelingen en daarin werkzame personen. De brief van 17 december 2013 is evenwel niet gericht aan de afdeling waarbinnen de gemachtigde werkzaam is. Evenmin is in de brief de naam van de gemachtigde opgenomen. De naam van de gemachtigde is in de beslissing van de kantonrechter ook niet opgenomen.

6. Onder deze omstandigheden is de beslissing van de kantonrechter naar het oordeel van het hof niet op de juiste wijze bekend gemaakt en kan niet worden vastgesteld dat de onder 1. bedoelde termijn is aangevangen op 17 december 2013. Gelet hierop moet het hoger beroep geacht worden tijdig te zijn ingediend. Dit brengt mee dat het hof de bezwaren tegen de beslissing van de kantonrechter kan beoordelen.

7. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard omdat de betrokkene niet tijdig zekerheid heeft gesteld.

8. In hoger beroep is niet bestreden dat de betrokkene niet binnen de in artikel 11, derde lid, van de WAHV gestelde termijn zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de opgelegde administratieve sanctie en de administratiekosten en evenmin dat de betrokkene niet binnen een nader gestelde termijn dit verzuim heeft hersteld.

9. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de betrokkene inmiddels de sanctie heeft betaald en daarmee aan zijn verplichting heeft voldaan. Het zou wenselijk zijn dat deze betaling wordt beschouwd als zekerheidstelling zodat de kwestie inhoudelijk opnieuw bekeken kan worden.

10. Bij de stukken van het geding bevinden zich afschriften van twee brieven van de officier van justitie waarin mededeling wordt gedaan van de verplichting tot zekerheidstelling. Beide brieven, gedateerd 30 mei 2013 respectievelijk 16 juni 2013 zijn verzonden naar het adres van – en gericht aan – [instelling], waar de gemachtigde van de betrokkene, die ook namens de betrokkene beroep had ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie, werkzaam is. Echter, zijn ook deze brieven niet gericht aan de afdeling waarbinnen de gemachtigde werkzaam is of is de naam van de gemachtigde in deze brieven opgenomen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het hof van oordeel dat aldus niet op de juiste wijze mededeling is gedaan van de verplichting tot zekerheidstelling als bedoeld in artikel 11, derde lid, van de WAHV. Om die reden kan de bestreden beslissing niet in stand blijven en zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen en de zaak terugwijzen.

11. Niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

Het gerechtshof:

  • vernietigt de bestreden beslissing en wijst de zaak terug naar de rechtbank Noord-Nederland ter behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Dörholt als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *