ECLI:NL:GHARL:2016:6694

De stelling dat de kantonrechter de gemachtigde een termijn had moeten geven om de gronden aan te vullen, is niet juist. Gemachtigde heeft in zijn pro forma beroepschrift niet om een termijn voor het indienen van gronden verzocht. Geen rechtsregel schrijft voor dat in dat geval een termijn moet worden gegeven voor het indienen van gronden. De gemachtigde heeft ruim de tijd gehad om voorafgaand aan de behandeling van het beroep door de kantonrechter nadere gronden in te zenden, maar heeft dit nagelaten. Evenmin is de gemachtigde ter openbare zitting van de kantonrechter verschenen om zijn bezwaren mondeling naar voren te brengen. Het hof concludeert dat de gemachtigde voldoende gelegenheid had tot aanvulling van zijn beroepschrift, maar er zelf voor heeft gekozen om daarvan geen gebruik te maken.
Motivering afzien hoorplicht is geen voorschrift van openbare orde.

Uitspraak

WAHV 200.182.364
19 augustus 2016
CJIB 185510642
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
locatie Leeuwarden

Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Limburg
van 22 oktober 2015
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats],
voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde],
kantoorhoudende te Heerenveen.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard. Voorts heeft de kantonrechter het verzoek van de betrokkene tot vergoeding van kosten afgewezen.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Bij het beroepschrift is verzocht om een behandeling ter zitting. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Op 7 juli 2016 heeft de gemachtigde van de betrokkene nog een nadere toelichting geven op het beroep. Een afschrift is naar de advocaat-generaal verzonden.

De zaak is behandeld ter zitting van 5 augustus 2016. De betrokkene en zijn gemachtigde zijn, zoals tevoren bericht, niet verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. J.J. Lammers.

Beoordeling

1. De gemachtigde voert in hoger beroep aan dat de kantonrechter op het pro forma beroepschrift – zonder beroepsgronden – heeft beslist. De kantonrechter heeft tevens geen gelegenheid geboden het verzuim te herstellen.

2. Artikel 6:6 van de Awb luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

‘Het bezwaar of beroep kan niet-ontvankelijk worden verklaard, indien:

a. niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, (…) mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.’

3. Het hof stelt vast dat zich bij de stukken een schrijven d.d. 15 maart 2015 van de gemachtigde bevindt, waarin deze pro forma beroep instelt tegen de beslissing van de officier van justitie. In het beroepschrift staan geen gronden opgenomen.

4. De kantonrechter heeft de zaak behandeld op de zitting van 8 oktober 2015. De betrokkene noch zijn gemachtigde zijn op deze zitting verschenen. De kantonrechter heeft het beroep ongegrond verklaard.

5. De stelling van de gemachtigde dat de kantonrechter hem een termijn had moeten geven om de gronden aan te vullen, is niet juist. De gemachtigde heeft in zijn pro forma beroepschrift niet om een termijn voor het indienen van gronden verzocht. Geen rechtsregel schrijft voor dat in dat geval een termijn moet worden gegeven voor het indienen van gronden. De gemachtigde heeft ruim de tijd gehad om voorafgaand aan de behandeling van het beroep door de kantonrechter nadere gronden in te zenden, maar heeft dit nagelaten. Evenmin is de gemachtigde ter openbare zitting van de kantonrechter verschenen om zijn bezwaren mondeling naar voren te brengen. Het hof concludeert dat de gemachtigde voldoende gelegenheid had tot aanvulling van zijn beroepschrift, maar er zelf voor heeft gekozen om daarvan geen gebruik te maken.

6. Voorts verplicht artikel 6:6 van de Awb de kantonrechter niet om bij het ontbreken van beroepsgronden tot een niet-ontvankelijkverklaring van het beroep over te gaan. Voornoemde bepaling geeft de kantonrechter weliswaar de bevoegdheid om bij een verzuim in het beroepschrift – en nadat de betrokkene in de gelegenheid is gesteld om het geconstateerde verzuim te herstellen – tot niet-ontvankelijkverklaring over te gaan; maar verplicht hem daartoe niet (vgl. HR 17 maart 1999, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:HR:1999:AA2698).

7. Met betrekking tot de door de gemachtigde van de betrokkene aangevoerde grond, dat de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie ten onrechte in stand heeft gelaten omdat de officier van justitie in zijn beslissing niet heeft opgenomen op welke grond van het horen is afgezien, overweegt het hof als volgt.

8. Artikel 7:26, eerste lid, tweede volzin, van de Awb bepaalt dat, indien ingevolge artikel 7:17 van het horen is afgezien, in de motivering van de beslissing op het beroep wordt aangegeven op welke grond dat is geschied.

9. Vooropgesteld zij dat het hierboven genoemde voorschrift geen voorschrift van openbare orde is, zodat de rechter niet gehouden is om ambtshalve te beoordelen of de motivering van een beslissing voldoet aan het voorschrift van artikel 7:26, eerste lid, tweede volzin, van de Awb. De rechter dient dit alleen te beoordelen indien dienaangaande een verweer wordt gevoerd. Nu de gemachtigde bij de kantonrechter geen verweer heeft gevoerd dat hierop betrekking heeft, was de kantonrechter niet gehouden om te beoordelen of de beslissing van de officier van justitie overeenkomstig artikel 7:26, eerste lid, tweede volzin, van de Awb was gemotiveerd. De beslissing van de kantonrechter kan dan ook in stand blijven.

10. Nu de door de gemachtigde van de betrokkene aangevoerde gronden geen doel treffen en de gemachtigde voor het overige geen gronden heeft aangevoerd die de beslissing van de kantonrechter regarderen, zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

11. De betrokkene wordt niet in het gelijk gesteld. Het hof zal daarom het verzoek om een kostenvergoeding afwijzen.

Beslissing

Het gerechtshof:

  • bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
  • wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Dörholt als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

Eén gedachte over “ECLI:NL:GHARL:2016:6694”

  1. De volgende opmerking gaat over punt 3 en 6 van dit arrest:

    3. Het hof stelt vast dat zich bij de stukken een schrijven d.d. 15 maart 2015 van de gemachtigde bevindt, waarin deze pro forma beroep instelt tegen de beslissing van de officier van justitie. In het beroepschrift staan geen gronden opgenomen.
    
    ...
    
    6. Voorts verplicht artikel 6:6 van de Awb de kantonrechter niet om bij het ontbreken van beroepsgronden tot een niet-ontvankelijkverklaring van het beroep over te gaan. Voornoemde bepaling geeft de kantonrechter weliswaar de bevoegdheid om bij een verzuim in het beroepschrift – en nadat de betrokkene in de gelegenheid is gesteld om het geconstateerde verzuim te herstellen – tot niet-ontvankelijkverklaring over te gaan; maar verplicht hem daartoe niet (vgl. HR 17 maart 1999, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:HR:1999:AA2698).

    Punt 9 van het arrest van het Hof van 22 december 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:10365, verwijst op dit onderwerp naar onderhavig arrest.

    9. Slechts indien een beroepschrift geen gronden bevat, kan dit leiden tot niet-ontvankelijkverklaring op de voet van artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb. In zoverre oordeelt het hof thans anders dan in zijn arrest van 12 januari 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:195, ov. 7. Het betreft hier een bevoegdheid van degene die op het beroep beslist en niet een verplichting (vgl. het arrest van het hof van 19 augustus 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:6694, ov. 3 en 6). Indien degene die op het beroepschrift beslist van deze bevoegdheid gebruik wil maken, moet hij de indiener van het beroepschrift in de gelegenheid stellen het verzuim te herstellen binnen een daartoe gestelde termijn. Dat moet een redelijke termijn zijn. Verder moet de indiener van het beroepschrift worden gewezen op de mogelijkheid van niet-ontvankelijkverklaring indien het verzuim niet (tijdig) wordt hersteld.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *