ECLI:NL:GHARL:2016:5515

De gemachtigde heeft aangevoerd dat de beschikking niet op de voorgeschreven wijze aan de betrokkene bekend is gemaakt en dat de betrokkene eerst door middel van een executiemededeling van het Bundesamt für Justiz van 17 juli 2014 kennis heeft genomen van de beschikking. De gedraging betreft een inbreuk op een Nederlands verkeersvoorschrift. Op de beslissing tot oplegging van een sanctie naar aanleiding van die gedraging zijn de voorschriften van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV) van toepassing. In geval een gedraging als voormeld op Nederlands grondgebied is verricht door een (rechts)persoon die woonachtig is in dan wel gevestigd is op het grondgebied van een andere lidstaat van de EU, worden de beslissing tot oplegging van de sanctie en de procedure van bezwaar en beroep beheerst door het Nederlandse recht.

Uitspraak

WAHV 200.171.904
6 juli 2016
CJIB 171400366

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
locatie Leeuwarden

Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland
van 13 mei 2015
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
gevestigd te [vestigingsplaats] (Bundesrepublik Deutschland),
voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde],
kantoorhoudende te
[vestigingsplaats] (Bundesrepublik Deutschland).

Het tussenarrest van het hof d.d. 23 februari 2016 wordt geacht hier te zijn ingevoegd.

Het verdere procesverloop

De zaak is behandeld ter zitting van 22 juni 2016. De betrokkene is verschenen bij gemachtigde.

De gemachtigde van de betrokkene is ter zitting bijgestaan door een tolk in de Duitse taal.

Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. H. de Ruijter.

Verdere beoordeling

1. Ingevolge het tussenarrest van 23 februari 2016 zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen en het beroep van de gemachtigde tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.

2. Bij de bestreden beslissing heeft de officier van justitie het beroep van de gemachtigde tegen de inleidende beschikking niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het beroep niet binnen de gestelde termijn is ingediend.

3. Ingevolge het bepaalde in artikel 6, eerste lid, van de WAHV in verbinding met de artikelen 3:41, 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient het beroep tegen de inleidende beschikking te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen een termijn van zes weken, welke termijn aanvangt op de dag na die waarop de beschikking aan de betrokkene is toegezonden.

4. Blijkens de gedingstukken is de inleidende beschikking op 23 mei 2013 aan de betrokkene toegezonden. De beroepstermijn eindigde derhalve op 4 juli 2013. Het beroepschrift is gedateerd 31 juli 2014 en het is op 4 augustus 2014 bij de CVOM ingekomen. Het beroep is dus niet tijdig ingesteld.

5. Artikel 6:11 van de Awb bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

6. De gemachtigde van de betrokkene heeft aangevoerd dat de beschikking d.d. 23 mei 2013 niet op de voorgeschreven wijze aan de betrokkene bekend is gemaakt en dat de betrokkene eerst door middel van een executiemededeling van het Bundesamt für Justiz van 17 juli 2014 kennis heeft genomen van de beschikking.

De gemachtigde is daarom van opvatting dat het beroep tegen de beschikking binnen de gestelde termijn en op de voorgeschreven wijze is ingesteld.

Voor zover ervan zou worden uitgegaan dat de bestreden beschikking al eerder aan de betrokkene is toegezonden, hetgeen volgens de gemachtigde aantoonbaar niet het geval is, of voor zover een deurwaardersexploot of ander bewijs van betekening voorhanden is, stelt de gemachtigde zich op het standpunt dat de zaak in de vorige stand teruggezet dient te worden.

De gemachtigde stelt bovendien dat sprake is van vervolgingsverjaring omdat de beschikking de betrokkene eerst op 24 juli 2014 heeft bereikt.

7. De gemachtigde heeft bij het beroepschrift een afschrift van voormelde executiemededeling van het Bundesamt für Justiz d.d. 17 juli 2014 gevoegd, alsmede een afschrift van de inleidende beschikking die als bijlage bij die executiemededeling naar de betrokkene is gezonden. Het hof leidt uit voormelde executiemededeling het volgende af.

8. De beschikking is op 4 juli 2013 in kracht van gewijsde gegaan en naar het Bundesamt für Justiz gezonden met het oog op erkenning en executie in Duitsland, volgens de procedure van § 87b Abs. 3 Nr. 9 IRG (Gesetz über die Internationale Rechtshilfe in Strafsachen). Deze wet is gebaseerd op het Ramenbeschluss (Kaderbesluit) 2005/214/JI van de Raad van de EU.

Volgens het Bundesamt für Justiz heeft de bevoegde Nederlandse autoriteit bij schrijven van 6 februari 2014, dat als bijlage is meegezonden, bevestigd dat zowel de beschikking als twee daaropvolgende aanmaningen per post naar de betrokkene zijn verzonden. Daarmee is volgens het Bundesamt für Justiz een naar Nederlands recht afdoende bekendmaking van de beschikking voorhanden, hetgeen als zodanig maatgevend is.

9. Uit het beroepschrift van de gemachtigde van 10 september 2014 blijkt dat hij van opvatting is dat toezending van de beschikking op de naar Duits recht voorgeschreven wijze diende te geschieden. In hoger beroep heeft hij die opvatting gewijzigd en gesteld dat op grond van EG Verordening Nr. 1393/2007 van het Europese Parlement en de Raad betekening van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in civiele zaken en handelszaken is voorgeschreven en dat dit voorschrift in het onderhavige geval analoog dient te worden toegepast.

10. Het hof verwerpt de stelling van de gemachtigde. De onderhavige gedraging betreft een inbreuk op een Nederlands verkeersvoorschrift. Op de beslissing tot oplegging van een sanctie naar aanleiding van die gedraging zijn de voorschriften van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV) van toepassing. In geval een gedraging als voormeld op Nederlands grondgebied is verricht door een (rechts)persoon die woonachtig is in dan wel gevestigd is op het grondgebied van een andere lidstaat van de EU, worden de beslissing tot oplegging van de sanctie en de procedure van bezwaar en beroep beheerst door het Nederlandse recht.

Op de executie in een andere lidstaat van de EU (in dit geval Duitsland) van een op grond van de WAHV opgelegde sanctie die in kracht van gewijsde is gegaan zijn het Kaderbesluit (Rahmenbeschluss) 2005/214/JBZ van de Raad van de EU inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning van geldelijke sancties en de daarop gebaseerde nationale wet van de tenuitvoerleggende staat van toepassing.

11. Voor zover de gemachtigde heeft gesteld dat op de verzending van de beschikking naar een adres in Duitsland de voorschriften bij of krachtens EG Verordening Nr. 1393/2007 van het Europese Parlement en de Raad van de EU van toepassing zijn, verwerpt het hof die stelling. Bedoelde Verordening en de daarop gebaseerde nationale uitvoeringswetten hebben betrekking op betekening van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in civiele zaken en handelszaken. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake. De onderhavige zaak leent zich evenmin voor analoge toepassing.

12. Ingevolge artikel 4, eerste en tweede lid, van de WAHV wordt, indien de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, de administratieve sanctie opgelegd bij gedagtekende beschikking die wordt bekendgemaakt door toezending van de beschikking aan het adres van de betrokkene dat is opgenomen in het kentekenregister.

Betekening van de uitreiking van de beschikking door een deurwaarder dan wel aangetekende verzending is niet voorgeschreven.

13. Volgens vaste administratiefrechtelijke jurisprudentie dient het bestuursorgaan, in geval van verzending van besluiten of rechtens van belang zijnde documenten, aannemelijk te maken dat het desbetreffende stuk is verzonden.

Indien het bestuursorgaan de verzending van het desbetreffende stuk aannemelijk heeft gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde om de ontvangst ervan op een niet ongeloofwaardige wijze te ontkennen. Eerst dan is het aan het bestuursorgaan dat het stuk heeft verzonden om de ontvangst daarvan aannemelijk te maken.

14. Volgens het zaakoverzicht van het CJIB is de inleidende beschikking op 23 mei 2013 aan de betrokkene verzonden. In het onderhavige geval draagt het CJIB zorg voor de verzending van de inleidende beschikking aan de betrokkene.

Het hof heeft in het arrest van 23 december 2009 (WAHV 200.026.479, gepubliceerd op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHLEE:2009:BP3020) overwogen dat, gelet op de in dat arrest beschreven vaste werkwijze van het CJIB bij de verzending van stukken, de kans op fouten daarbij nagenoeg is uitgesloten. Op grond daarvan mag worden aangenomen dat verzending daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.

15. Het ligt – gegeven het hierboven vermelde uitgangspunt – vervolgens op de weg van de betrokkene of diens gemachtigde om de ontvangst van de inleidende beschikking op niet ongeloofwaardige wijze te ontkennen. De gemachtigde is daarin niet geslaagd. De enkele ontkenning van de ontvangst is daartoe onvoldoende. Gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen dat niet blijkt dat de inleidende beschikking als onbestelbaar retour is gekomen en de stukken ook overigens niets behelzen waaruit kan blijken dat de inleidende beschikking de betrokkene niet heeft bereikt, moet het ervoor worden gehouden dat de betrokkene deze heeft ontvangen.

16. Gelet hierop kan de stelling van de gemachtigde, dat de betrokkene de inleidende beschikking niet eerder dan op 24 juli 2014 heeft ontvangen, niet leiden tot de conclusie dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de betrokkene in verzuim is geweest. De officier van justitie heeft het beroep dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.

17. Gelet op het voorgaande zal het hof het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaren. Dat brengt mee dat het hof niet toekomt aan inhoudelijke beoordeling van het bezwaar tegen de beschikking.

18. Nu het hof de beslissing van de kantonrechter zal vernietigen is er aanleiding voor vergoeding van de proceskosten van de betrokkene in de procedures van het hoger beroep en het beroep bij de kantonrechter.

Ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht komen de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor vergoeding in aanmerking. Deze worden forfaitair bepaald per proceshandeling. De gemachtigde van de betrokkene heeft een beroepschrift bij de kantonrechter en een hoger beroepschrift ingediend en is ter zitting verschenen. Daaraan dient telkens één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 490,-. Gelet op de aard van de zaak past het hof wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Deze wordt vermenigvuldigd met de factor 1,5 aangezien in meer dan vier met de onderhavige zaak samenhangende zaken een proceskosten vergoeding wordt toegekend. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.470,20 = 4 x [€ 490,- x (0,5 x 1,5)].

Beslissing

Het gerechtshof:

  • vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
  • verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond;
  • veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 1.470,20,-.

Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Zomer als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *