ECLI:NL:GHARL:2016:4973

De kantonrechter heeft zijn oordeel mede gebaseerd op hem ambtshalve bekende gegevens en aldus op informatie die geen deel uitmaakt van het dossier. Nu de bij de kantonrechter bekende gegevens omtrent de bebording ter plaatse niet zijn aan te merken als feiten van algemene bekendheid, mochten deze gegevens niet aan zijn beslissing ten grondslag mogen leggen, te meer niet nu de betrokkene, die ter zitting niet aanwezig was, niet de gelegenheid heeft gehad om daarop te reageren.
De officier van justitie heeft aan de betrokkene meegedeeld dat hem bekend is dat de opsporingsinstantie de aanwezigheid en waarneembaarheid van de bebording controleert. Een trajectcontrole houdt een permanente snelheidscontrole in. Van de door de officier van justitie gesuggereerde controle van de bebording ‘voor aanvang van elke controle’ kan dan ook geen sprake kan zijn. Gelet hierop is de beslissing van de officier van justitie niet deugdelijk gemotiveerd.

Uitspraak

WAHV 200.156.182
16 juni 2016
CJIB 171549433
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
locatie Leeuwarden

Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag
van 3 september 2014
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 80,- opgelegd ter zake van “overschrijding maximumsnelheid op autosnelwegen met 11 km/u (verkeersbord A1)”, welke gedraging zou zijn verricht op 21 april 2013 om 20:26 uur op de A4 (trajectcontrole links) te Leidschendam met het voertuig met het kenteken [kenteken].

2. In hoger beroep stelt de betrokkene dat de kantonrechter niet is ingegaan op zijn bezwaren en het ontbreken van bewijzen en feiten naast zich neer heeft gelegd. Verder voldoet de argumentatie van de kantonrechter niet. De kantonrechter gebruikt de zin ‘het is mij ambtshalve bekend’ om zijn beslissing te motiveren. Van een kantonrechter mag volgens de betrokkene worden verwacht dat hij zich op feiten en bewijzen en niet op zijn eigen gevoel of idee baseert.

3. De beslissing van de kantonrechter luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“Het is de kantonrechter ambtshalve bekend dat ter plaatse de maximumsnelheid voldoende duidelijk was en is aangegeven. Betrokkene heeft zich niet aan die snelheid gehouden. Betrokkene heeft verder niet, althans onvoldoende, concreet gemaakt waarom de maximumsnelheid ter plaatse niet duidelijk zou zijn aangegeven. Het beroep is ongegrond.”

4. De kantonrechter heeft blijkens voornoemde overwegingen zijn oordeel mede gebaseerd op hem ambtshalve bekende gegevens en aldus op informatie die geen deel uitmaakt van het dossier. Nu de bij de kantonrechter bekende gegevens omtrent de bebording ter plaatse niet zijn aan te merken als feiten van algemene bekendheid, had de kantonrechter deze gegevens niet aan zijn beslissing ten grondslag mogen leggen, te meer niet nu de betrokkene, die ter zitting van de kantonrechter niet aanwezig was, niet de gelegenheid heeft gehad om op die informatie te reageren.

5. Het beroep van de betrokkene slaagt. Er is sprake van een motiveringsgebrek, zodat de beslissing van de kantonrechter niet in stand kan blijven. Het hof zal deze beslissing vernietigen en, doende wat de kantonrechter had moeten doen, het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.

6. De betrokkene heeft bezwaar tegen de opgelegde sanctie, omdat de maximumsnelheid ter plaatse volgens hem niet duidelijk is aangegeven. De ene keer wordt aangegeven dat 100 kilometer per uur de maximumsnelheid is, de andere keer staat er een bord ‘einde maximumsnelheid’ boven de snelweg. Vervolgens staat er weer helemaal niets. Men weet daardoor niet hoe hard er gereden mag worden, aldus de betrokkene. De officier van justitie heeft in antwoord op het betoog van de betrokkene meegedeeld dat hem bekend is dat de opsporingsinstantie de aanwezigheid en waarneembaarheid van de bebording controleert. De betrokkene vindt dat deze motivering tekortschiet. De officier van justitie had zich van de situatie ter plaatse op de hoogte moeten stellen en het bezwaar van de betrokkene met concrete informatie moeten weerleggen. In dat geval was hij volgens de gemachtigde tot de conclusie gekomen dat de situatie inderdaad onduidelijk is.

7. In artikel 7:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat de beslissing op het administratief beroep dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld.

8. De officier van justitie heeft het administratief beroep tegen de sanctiebeschikking bij beslissing van 1 augustus 2013 ongegrond verklaard. Aan deze beslissing heeft hij blijkens het zaakoverzicht de volgende motivering ten grondslag gelegd:

“U hebt beroep ingesteld tegen de opgelegde sanctie. U stelt dat u de gedraging niet hebt kunnen voorkomen omdat de bebording en/of belijning niet aanwezig, dan wel slecht zichtbaar was. Het is de officier van justitie bekend dat de opsporingsinstantie voor aanvang van elke controle de bebording en/of belijning op aanwezigheid en voldoende waarneembaarheid voor het verkeer controleert. U had daarom op de hoogte kunnen zijn van de aldaar geldende verkeerssituatie. Alles overwegende verklaart de officier van justitie het beroep ongegrond.”

9. Uit het zaakoverzicht blijkt dat de gedraging in de onderhavige zaak is geconstateerd door middel van een trajectcontrole op de autosnelweg A4. In afwijking van de reguliere maximumsnelheid op autosnelwegen zou op het betreffende traject niet harder dan 100 kilometer per uur mogen worden gereden. Of er op het betreffende traject borden zijn geplaatst waarop deze afwijkende snelheid is aangegeven, blijkt niet uit het zaakoverzicht of uit andere stukken in het dossier.

10. Een trajectcontrole houdt een permanente snelheidscontrole in van alle voertuigen die het traject passeren. Er is geen sprake van separate controles. Van de door de officier van justitie gesuggereerde controle van de bebording ‘voor aanvang van elke controle’ kan dan ook geen sprake kan zijn. Voor zover de officier van justitie bedoeld heeft tot uitdrukking te brengen dat er met enige regelmaat een controle of schouw van de bebording wordt uitgevoerd, overweegt het hof dat de officier van justitie noch de advocaat-generaal informatie in het geding heeft gebracht waaruit blijkt dat er kort voor de vermeende gedraging in de onderhavige zaak een dergelijke schouw heeft plaatsgevonden. De redenen van wetenschap van de officier van justitie met betrekking tot de controle van de bebording zijn derhalve niet geadstrueerd. Gelet hierop is de beslissing van de officier van justitie niet deugdelijk gemotiveerd, zodat deze moet worden vernietigd. Het beroep daartegen moet gegrond worden verklaard.

11. Nu de betrokkene van meet af aan heeft betwist dat de juiste bebording was geplaatst en de aanwezigheid van deze bebording gelet op de afwijkende maximumsnelheid cruciaal is om vast te kunnen stellen dat de gedraging is verricht, had het op de weg van het openbaar ministerie gelegen om dit verweer door middel van een proces-verbaal of schouwrapport te (doen) weerleggen.

Bij gebreke hiervan is naar het oordeel van het hof niet met voldoende zekerheid komen vast te staan dat de maximumsnelheid ten tijde van de gedraging behoorlijk was aangegeven (vgl. het arrest van het hof van 12 oktober 2015, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2015:7637).

12. Gelet op het voorgaande kan niet worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. De inleidende beschikking kan derhalve ook niet in stand blijven.

13. Niet is gebleken dat de betrokkene proceskosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking kunnen komen.

Beslissing

Het gerechtshof:

  • vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
  • verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie d.d. 1 augustus 2013 gegrond en vernietigt die beslissing, alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nummer 171549433 de administratieve sanctie is opgelegd;
  • bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 WAHV tot zekerheid is gesteld, door de advocaat-generaal aan de betrokkene wordt gerestitueerd.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Huizenga als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *