ECLI:NL:GHARL:2016:4950

De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard en die beslissing vernietigd. Verder heeft hij de zaak terugverwezen naar de administratieve beroepsprocedure bij de officier van justitie. De WAHV voorziet niet in een mogelijkheid voor de kantonrechter om een bij de rechtbank aanhangige beroepsprocedure terug te verwijzen naar de officier van justitie. Artikel 9, eerste lid van de WAHV verklaart hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht buiten toepassing, zodat de daarin opgenomen verwijzingsmogelijkheid evenmin kan worden benut in WAHV-zaken. Door de zaak terug te verwijzen naar de officier van justitie, is de beslissing van de kantonrechter strijdig met artikel 13, eerste lid, WAHV.

Uitspraak

WAHV 200.150.242
13 juni 2016
CJIB 168686128
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
locatie Leeuwarden

Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland
van 8 april 2014
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
gevestigd te [vestigingsplaats],
voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde],
wonende te [woonplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en bepaald dat de zaak wordt terugverwezen naar de administratieve beroepsprocedure bij de officier van justitie.

Het procesverloop

De officier van justitie heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De gemachtigde van de betrokkene is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. In de bestreden beslissing heeft de kantonrechter het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard en die beslissing vernietigd. Verder heeft hij bepaald dat het ter zekerheid betaalde bedrag voorlopig moet worden teruggestort aan de betrokkene en de zaak terugverwezen naar de administratieve beroepsprocedure bij de officier van justitie.

2. De officier van justitie concludeert tot vernietiging van de beslissing van de kantonrechter. Hij voert daartoe aan dat de kantonrechter, gelet op het fotomateriaal en de daarop gebaseerde ambtsedige verklaring van de verbalisant, het beroep ongegrond had moeten verklaren. Er was sprake van een kennelijk ongegrond administratief beroep. Dat het woord ‘kennelijk’ in de beslissing op het administratieve beroep ontbreekt, berust op een vergissing. De officier van justitie stelt zich verder op het standpunt dat de kantonrechter de zaak niet had mogen terugverwijzen naar de procedure in administratief beroep, aangezien een dergelijke terugwijzing in de voorliggende procedure niet mogelijk is.

3. Artikel 13, eerste lid, van de WAHV bepaalt dat de kantonrechter, indien hij het beroep ontvankelijk acht en bevindt dat de beslissing van de officier van justitie niet of niet ten volle gehandhaafd kan worden, het beroep geheel of gedeeltelijk gegrond verklaart en de daarbij bestreden beslissing vernietigt dan wel wijzigt.

4. De WAHV voorziet niet in een mogelijkheid voor de kantonrechter om een bij de rechtbank aanhangige beroepsprocedure terug te verwijzen naar de officier van justitie. Artikel 9, eerste lid van de WAHV verklaart hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten toepassing, zodat de daarin opgenomen verwijzingsmogelijkheid evenmin kan worden benut in WAHV-zaken. Door de zaak terug te verwijzen naar de officier van justitie, is de beslissing van de kantonrechter strijdig met artikel 13, eerste lid, WAHV. Het hof zal deze beslissing daarom vernietigen.

5. Ter beoordeling van het hof is nu het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie.

6. De gemachtigde heeft in zijn beroepschrift tegen de beslissing van de officier van justitie onder meer naar voren gebracht dat de officier van justitie hem had moeten horen alvorens op het beroep te beslissen.

7. Ingevolge artikel 7:16 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 7, tweede lid, van de WAHV moet de officier van justitie de indiener van het beroepschrift in de gelegenheid stellen te worden gehoord. Hij kan daar van afzien indien het beroep kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, de betrokkene niet gehoord wil worden of de officier van justitie hem volledig gelijk geeft (artikel 7:17 van de Awb).

8. Het hof stelt voorop dat in de fase van het administratief beroep bij de officier van justitie het bieden van gelegenheid voor het horen van de betrokkene of diens gemachtigde het uitgangspunt is. Het horen dient een aantal belangen. In de totstandkomingsgeschiedenis van de Awb is erop gewezen dat het horen degene die niet goed in staat is om zijn bezwaren schriftelijk te verwoorden, de gelegenheid biedt de bezwaren mondeling toe te lichten. Verder kan door middel van het horen nadere informatie van het overheidsorgaan worden verkregen en, door uitwisseling van informatie en standpunten, het vertrouwen van de burger in de overheid – ook als hij geen gelijk krijgt – worden versterkt.

9. Het hof stelt vast dat de gemachtigde in zijn beroepschrift heeft verzocht om te worden gehoord. De officier van justitie heeft het administratief beroep bij beslissing d.d. 19 juni 2013 ongegrond verklaard zonder enige overweging aan het verzoek tot horen van de gemachtigde te wijden. De officier van justitie had niet voorbij mogen gaan aan het verzoek van de gemachtigde om te worden gehoord. De stelling van de officier van justitie dat het beroep bij nader inzien kennelijk ongegrond moet worden geacht, kan het hof niet volgen. Uit de motivering van de beslissing van de officier van justitie blijkt dat naar aanleiding van de argumenten van de gemachtigde nader onderzoek is ingesteld. Van een kennelijk – dat wil zeggen: aanstonds blijkend, zonder dat daarvoor nader onderzoek noodzakelijk is – ongegrond beroep was derhalve geen sprake.

10. Nu het hof heeft vastgesteld dat de officier van justitie de hoorplicht heeft geschonden, zal het hof het beroep tegen diens beslissing gegrond verklaren en deze beslissing vernietigen. De overige bezwaren van de gemachtigde tegen de beslissing van de officier van justitie behoeven daarom geen bespreking meer.

11. Het hof heeft nu te beoordelen of terecht een sanctie is opgelegd aan de betrokkene.

12. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 220,- opgelegd ter zake van “niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht”, welke gedraging zou zijn verricht op 9 januari 2013 om 20:34 uur op de Neerbosscheweg, kruising Nieuwe Dukenburgseweg te Nijmegen met het voertuig met het kenteken [kenteken].

13. De gemachtigde, die het voertuig ten tijde van de gedraging bestuurde, stelt dat hij de gedraging niet heeft verricht. De gemachtigde reed op de aangegeven kruising, maar is niet door rood licht gereden. De gemachtigde en zijn passagier hebben waargenomen dat de roodlichtcamera flitste. Op dat moment werd de gemachtigde ingehaald door een auto die met zeer hoge snelheid over de linker rijbaan reed. Zowel de gemachtigde als zijn passagier weten zeker dat zij niet door rood zijn gereden. Zeer waarschijnlijk heeft de op de linkerbaan rijdende automobilist dit wel gedaan.

14. In WAHV-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

15. Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houdt de ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB onder meer het volgende in:

“Door middel van twee foto’s van roodlichtapparatuur werd de overtreding fotografisch vastgelegd.
Foto 1: het betreffende voertuig activeert de lus achter de stopstreep c.q. het rode verkeerslicht. Op het moment van de overtreding brandde het licht reeds 1,1 seconden.

Foto 2: een seconde later.
De geelfase bedroeg 3 seconden.
Merk van voertuig: Volkswagen
Type van voertuig: Caddy”.

16. Bij de stukken bevinden zich foto’s van de gedraging. Op de eerste foto is een voertuig te zien dat de stopstreep is gepasseerd. Te zien is dat dit voertuig een bestelauto betreft. Op de tweede foto is te zien dat het voertuig zijn weg heeft vervolgd op de kruising. Het kenteken is op de afdruk van de foto’s niet leesbaar vanwege de matige afdrukkwaliteit. Het dossier bevat echter een derde foto, met daarop een uitvergroting van het gedeelte van de foto waarop het kenteken te zien is. Op deze foto is het kenteken van het voertuig goed leesbaar. Het kenteken komt overeen met dat van de bestelauto van de betrokkene. Het hof stelt – op basis van de foto’s en de waarneming van de verbalisant – vast dat de bestelauto op de foto’s het voertuig van de betrokkene is.

17. Op geen van de foto’s is een ander voertuig te zien dan het voertuig van de betrokkene. De stelling van de gemachtigde dat hij op het moment dat de camera flitste werd ingehaald door een voertuig op de linkerrijstrook en dat dit voertuig door rood is gereden, is dan ook niet aannemelijk geworden.

18. Hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd, komt feitelijk neer op een enkele ontkenning van de gedraging. Van specifieke feiten en omstandigheden die aanleiding geven te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant is niet gebleken zodat, naar de overtuiging van het hof, vaststaat dat de gedraging is verricht. Het beroep van de betrokkene tegen de inleidende beschikking wordt ongegrond verklaard. Mocht naar aanleiding van de beslissing van de kantonrechter de zekerheidsstelling aan de betrokkene of diens gemachtigde zijn gerestitueerd, dan kan door het CJIB opnieuw tot inning van de sanctie worden overgegaan.

19. Nu de beslissing van de kantonrechter wordt vernietigd, is er aanleiding tot vergoeding van de reiskosten van de gemachtigde ten behoeve van het bijwonen van de zitting van de kantonrechter. Ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de reiskosten vergoed op basis openbaar vervoer tweede klas. Dat brengt mee dat de volgende kosten worden vergoed: € 42,10 ( [woonplaats] -Nijmegen v.v.).

Beslissing

Het gerechtshof:

  • vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
  • verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie d.d. 19 juni 2013 gegrond en vernietigt die beslissing;
  • verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;
  • veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 42,10.

Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Huizenga als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *