ECLI:NL:GHARL:2016:4178

Betrokkene stelt dat hij op instructie van een wegwerker – in de hoedanigheid van verkeersregelaar – de overtreding heeft begaan. Een wegwerker gaf het molenwiekgebaar om op te schieten terwijl de betrokkene reed met een snelheid van 30 km/h. In bijlage 2 van het RVV 1990 zijn de aanwijzingen die boven verkeerstekens en verkeersregels gaan opgenomen. Tot die aanwijzingen behoort niet een aanwijzing die inhoudt dat de snelheid moet worden verhoogd. Gelet daarop en het feit dat de betrokkene niet ontkent met genoemde snelheid ter plaatse te hebben gereden, is komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Naar het oordeel van het hof kon de betrokkene in redelijkheid uit het gebaar niet afleiden dat hij sneller diende te rijden dan toegestaan. Dat de betrokkene de instructie wel zo heeft geïnterpreteerd dient derhalve voor zijn rekening en risico te blijven.

Uitspraak

WAHV 200.154.658
30 mei 2016
CJIB 165933339
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
locatie Leeuwarden

Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant
van 27 mei 2014
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 218,- opgelegd ter zake van “overschrijding van de maximum snelheid binnen de bebouwde kom (30 km/h) met 19 km/h”, welke gedraging zou zijn verricht op 12 oktober 2012 om 14:03 uur op de Dauwendaelselaan te Middelburg.

2. De betrokkene ontkent niet de gedraging te hebben verricht maar hij stelt zich op het standpunt dat hij op instructie van een wegwerker – die in de hoedanigheid van verkeersregelaar optrad – de overtreding heeft begaan. Ten tijde van de gedraging vonden er wegwerkzaamheden plaats in de Dauwendaelselaan. De wegwerkers hielden zich totaal niet aan de verkeersregels waardoor er gevaarlijke en misleidende situaties ontstonden. Vanuit het oogpunt van de betrokkene stond het tegemoetkomende verkeer op de linkerrijstrook te wachten, een wegwerker gebaarde naar de betrokkene om op te schieten terwijl de betrokkene reed met een snelheid van 30 km/h. Het non-verbale gedrag van de wegwerker -het molenwiekgebaar- was erop gericht om de weg zo snel mogelijk vrij te maken. De betrokkene kon dat alleen doen door zijn snelheid te verhogen. Indien de wegwerker deze intentie niet had, had hij niets moeten doen zodat de betrokkene met een snelheid van 30km/h zijn weg had vervolgd. Niet bewezen is dat de wegwerker in de rol van verkeersregelaar niet de intentie had om de betrokkene harder te laten rijden. Verzoeken om de wegwerker een verklaring te laten afleggen zijn niet gehonoreerd. Tot slot voert de betrokkene aan dat de weg tijdens de gedraging niet voldeed aan de eisen van een 30 km/h zone omdat men bezig was met het aanleggen of het wijzigen van de weginrichting.

3. Voor zover het verweer van de betrokkene moet worden opgevat als een beroep op het van hoofdstuk IV van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) deel uitmakende artikel 84, inhoudende: “Aanwijzingen gaan boven verkeerstekens en verkeersregels.” overweegt het hof dat in bijlage 2 bij het RVV 1990 de aanwijzingen als bedoeld in dit hoofdstuk zijn opgenomen. Tot die aanwijzingen behoort niet een aanwijzing die inhoudt dat de snelheid moet worden verhoogd. Gelet daarop en in aanmerking genomen dat de betrokkene niet ontkent met genoemde snelheid ter plaatse te hebben gereden, is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht.

4. Vervolgens dient het hof, gelet op het gevoerde verweer, te beoordelen of er redenen zijn een sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen. Van belang daartoe is of de betrokkene in redelijkheid uit de gebaren van de verkeersregelaar kon afleiden dat hij zijn snelheid diende te verhogen tot boven de ter plaatse geldende maximum snelheid. Het hof gaat daarbij uit van de door de betrokkene geschetste omstandigheden – zoals onder 2. zijn weergeven – nu deze door het openbaar ministerie niet zijn betwist. Bij deze stand van zaken bestaat geen aanleiding voor nader onderzoek, zoals het laten afleggen van een verklaring door de wegwerker weersproken.

5. Naar het oordeel van het hof kon de betrokkene, mede in aanmerking genomen dat een aanwijzing van die strekking rechtens niet bestaat, in redelijkheid uit het gebaar dat de wegwerker maakte niet afleiden dat hij sneller diende te rijden dan toegestaan. Dat de betrokkene de instructie wel zo heeft geïnterpreteerd dient derhalve voor zijn rekening en risico te blijven. Het hof ziet in de door de betrokkene geschetste omstandigheden waaronder de gedraging is verricht derhalve geen aanleiding tot het achterwege laten van de sanctie dan wel tot matiging van de sanctie. Dit geldt eveneens voor de enkele niet nader onderbouwde stelling van de betrokkene, dat de weg niet voldeed aan de eisen van een 30 km/h zone.

6. Gelet hierop zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

Beslissing

Het gerechtshof:

  • bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Dörholt als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *