ECLI:NL:GHARL:2016:3978

In het administratief beroepschrift is niet aangegeven dat de betrokkene wenste te worden gehoord. Het hof is van oordeel dat de mededeling over het horen aan de officier van justitie kan worden toegerekend. Naar het oordeel van het hof brengt de omstandigheid dat reeds bij de toezending van de sanctiebeschikking en niet eerst na ontvangst van het beroepschrift door de officier van justitie wordt geïnformeerd, niet mee dat niet is voldaan aan hetgeen artikel 7:17, aanhef en onder d, van de Awb voorschrijft. Weliswaar moet worden vastgesteld dat met deze mededeling op inadequate wijze tot uitdrukking wordt gebracht wat het recht om te worden gehoord inhoudt, maar gesteld noch gebleken is dat de betrokkene er om die reden van heeft af gezien de officier van justitie te verzoeken te worden gehoord. Gelet daarop heeft de officier van justitie van het horen kunnen afzien.

Uitspraak

WAHV 200.154.830
24 mei 2016
CJIB 167683659
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
locatie Leeuwarden

Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland
van 10 juli 2014
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats],
voor wie als gemachtigde optreedt mr. J. van Gemert,
kantoorhoudende te Nijmegen.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Op 5 maart 2015 is nog een brief van de gemachtigde ontvangen.

Beoordeling

1. De gemachtigde heeft in hoger beroep als eerste beroepsgrond aangevoerd dat de officier van justitie ten onrechte heeft nagelaten de betrokkene te horen, nu geen van de in artikel 7:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) genoemde omstandigheden zich voordoet. Daarbij is opgemerkt dat de mededeling van het CJIB op de achterzijde van de inleidende beschikking niet is aan te merken als het stellen van een termijn zoals bedoeld in artikel 7:17 aanhef en onder d van de Awb, nu hierin geen redelijke termijn wordt genoemd en deze evenmin afkomstig is van een bestuursorgaan. Ten tweede heeft de gemachtigde zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie onzorgvuldig heeft gehandeld door appellant niet in de gelegenheid te stellen te reageren op de toegezonden foto, alvorens te beslissen op het beroep. Als derde beroepsgrond heeft de gemachtigde aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte onbesproken heeft gelaten dat de beslissing van de officier van justitie niet was toegesneden op de door appellant opgeworpen beroepsgronden. Ten vierde heeft de gemachtigde aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte heeft nagelaten te motiveren waarom de betrokkene de verweten gedraging zou hebben verricht. Ten aanzien van de gedraging is nog aangevoerd dat niet duidelijk was welke maximumsnelheid ter plaatse gold, doordat de informatievoorziening (bebording) op dat weggedeelte tekort schoot. Dit klemt naar de mening van de gemachtigde temeer, nu de betrokkene in korte tijd meerdere sancties heeft gekregen voor feitelijk dezelfde overtreding en daarbij onvoldoende gelegenheid heeft gekregen om naar aanleiding van de sancties zijn gedrag aan te passen.

2. Naar aanleiding van de stelling dat de officier van justitie ten onrechte heeft nagelaten de betrokkene te horen, overweegt het hof als volgt.

3. Ingevolge artikel 7:16 van de Awb in verbinding met artikel 7, tweede lid, van de WAHV moet de officier van justitie de indiener van het administratief beroep in de gelegenheid stellen te worden gehoord. Ingevolge artikel 7:17, aanhef en onder d, Awb, kan van het horen worden afgezien indien de indiener niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord.

4. Het is het hof ambtshalve bekend dat de rechtsmiddelenverwijzing onder een inleidende beschikking in dit verband de volgende passage bevat: “Eventueel kunt u aangeven of u uw beroep telefonisch wilt toelichten (gehoord worden). Vermeld dit dan in uw brief samen met het telefoonnummer waarop u tijdens kantooruren bereikbaar bent”.

5. Het hof stelt vast dat in het namens de betrokkene ingediende administratief beroepschrift niet in reactie op voormelde mededeling is aangegeven dat de betrokkene wenste te worden gehoord door de officier van justitie.

6. Het hof is van oordeel dat de voormelde mededeling aan de officier van justitie kan worden toegerekend. Naar het oordeel van het hof brengt de omstandigheid dat de betrokkene reeds bij de toezending van de sanctiebeschikking en niet eerst na ontvangst van het beroepschrift door de officier van justitie wordt geïnformeerd, niet mee dat niet is voldaan aan hetgeen artikel 7:17, aanhef en onder d, van de Awb voorschrijft.

7. Weliswaar moet worden vastgesteld dat met deze mededeling op inadequate wijze tot uitdrukking wordt gebracht wat het recht om te worden gehoord inhoudt, maar gesteld noch gebleken is dat de betrokkene er om die reden van heeft af gezien de officier van justitie te verzoeken te worden gehoord. Gelet daarop heeft de officier van justitie er van kunnen afzien de betrokkene naar aanleiding van het ingestelde beroep te horen. De stelling van de gemachtigde dat de officier van justitie niet heeft voldaan aan de hoorplicht, gaat dus niet op.

8. Naar aanleiding van de stelling dat de officier van justitie ten onrechte heeft nagelaten appellant in de gelegenheid te stellen te reageren op de toegezonden foto, overweegt het hof als volgt.

9. Artikel 7:18, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorziet specifiek voor belanghebbenden in een recht om hangende administratief beroep de op de zaak betrekking hebbende stukken op te vragen bij het beroepsorgaan. Het gaat daarbij om stukken die nodig zijn om een boete op basis daarvan aan te vechten (vlg. ABRS 19 november 2014, ECLI:NL:RvS:2014:4129).

10. Uit de stukken van het geding blijkt dat de gemachtigde naar aanleiding van de opgelegde sanctie bij beroepschrift van 1 februari 2013 beroep heeft ingesteld tegen de inleidende beschikking op nog nader aan te vullen gronden. Voorts vraag de gemachtigde om hem te verstrekken “alle relevante zaaksbescheiden die voor een beoordeling van de beschikking en het beroep van belang (kunnen) zijn, zoals, doch niet uitsluitend, het zaakoverzicht (…).”

11. Uit de stukken van het geding blijkt dat de CVOM bij brief van 25 februari 2013 de ontvangst van het beroepschrift heeft bevestigd. Op 15 februari 2013 heeft de CVOM de gemachtigde het zaakoverzicht toegezonden en voor het overige het verzoek als WOB-verzoek doorgeleid naar de politie. De CVOM heeft de gemachtigde bij brief van 10 april 2013 bericht dat de gronden van het beroep ontbreken en hem een termijn gegeven om dit verzuim te herstellen. Bij schrijven van 6 mei 2013 heeft de gemachtigde de gronden van het beroep opgegeven. Bij beslissing van 19 juni 2013 heeft de officier van justitie het beroep van de betrokkene ongegrond verklaard. Bij de beslissing op het WOB-verzoek d.d. 10 december 2013 zijn foto’s van de gedraging aan de gemachtigde gezonden.

12. Het hof stelt vast dat de gemachtigde de beschikking heeft gekregen over het zaakoverzicht en dat hij er blijkens voormeld schrijven van 6 mei 2013 in is geslaagd om vervolgens de gronden van het beroep te formuleren. Voorts stelt het hof vast dat de gemachtigde in dat beroepschrift er niet over klaagt dat hij niet beschikt over een foto. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de officier van justitie niet in strijd met artikel 7:18 Awb heeft gehandeld door de gemachtigde niet in de gelegenheid te stellen te reageren op de toegezonden foto, alvorens te beslissen op het beroep. De klacht van de gemachtigde dat de officier van justitie onzorgvuldig heeft gehandeld door dat niet te doen, gaat derhalve niet op.

13. Naar aanleiding van de klacht over de wijze waarop de kantonrechter de bezwaren tegen de beslissing van de officier van justitie heeft behandeld, overweegt het hof als volgt.

14. Het hof stelt vast dat de gemachtigde in het beroepschrift aan de kantonrechter onder meer heeft aangevoerd dat de officier van justitie niet voldoende is ingegaan op de argumenten die hij in het administratief beroepschrift naar voren had gebracht. In de bestreden beslissing heeft de kantonrechter niet op deze klacht gerespondeerd. Dat had de kantonrechter, gelet op de op hem rustende motiveringsplicht ex artikel 13, tweede lid, WAHV, wel moeten doen.

15. De gemachtigde heeft in het beroepschrift tegen de inleidende beslissing primair aangevoerd dat de betrokkene bestrijdt dat hij (dan wel zijn voertuig) op de bewuste dag en locatie aanwezig is geweest. Subsidiair is betoogd dat er redenen zijn tot vernietiging van de sanctie nu er ter plaatse onduidelijkheden zijn voor wat betreft de maximumsnelheid.

16. De officier van justitie heeft het administratief beroep bij beslissing van d.d. 19 juni 2013 ongegrond verklaard. Daartoe is het volgende overwogen. “U hebt beroep ingesteld tegen de opgelegde sanctie. Dat wat u aanvoert geeft geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de ambtsedige verklaring van de verbalisant. Aan de wettelijke vereisten is voldaan, onder meer dat de apparatuur is geijkt. Daarmee staat voor de officier van justitie vast dat met het voertuig te snel is gereden. Er is geen reden om de beschikking te vernietigen of het sanctiebedrag te verlagen.”

17. Het hof is van oordeel dat deze motivering van de officier van justitie in het licht van de bezwaren de gemachtigde niet ontoereikend is te achten. Alle in het beroepschrift aangevoerde argumenten kunnen geacht worden in deze motivering te zijn begrepen. De beslissing van de officier van justitie voldoet derhalve aan artikel 7:26, eerste lid, van de Awb. Daarbij zij opgemerkt dat niet is vereist dat expliciet op alle argumenten wordt ingegaan. Gelet hierop leent het hierboven geconstateerde gebrek in de beslissing van de kantonrechter zich voor verbetering van de gronden van die beslissing.

18. Met betrekking tot de stelling dat de kantonrechter ten onrechte heeft nagelaten te motiveren waarom de betrokkene de verweten gedraging zou hebben verricht, stelt het hof vast dat de gemachtigde in het beroepschrift aan de kantonrechter de verweten gedraging niet ter discussie heeft gesteld. De kantonrechter is hierop derhalve terecht niet ingegaan. Voor zover de gemachtigde stelt dat de kantonrechter dit ambtshalve had moeten doen, vindt die stelling geen steun in het recht. Deze klacht van de gemachtigde faalt derhalve.

19. Met betrekking tot hetgeen ten aanzien van de gedraging is aangevoerd, overweegt het hof als volgt.

Verkeersbord A1 Maximumsnelheid
Verkeersbord A1 Maximumsnelheid

20. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 80,- opgelegd ter zake van “Overschrijding maximum snelheid op autosnelwegen, met 11 km/h (verkeersbord A1)”, welke gedraging zou zijn verricht op

11 december 2012 om 00:03 uur op de trajectcontrole A2 rechts te Vinkeveen met het voertuig met het kenteken [kenteken].

21. In WAHV-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

22. De ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB houdt, naast de onder 1 vermelde datum, tijd, plaats en het kenteken van het voertuig, onder meer het volgende in:

“De werkelijke snelheid stelde ik vast m.b.v. een voor de meting geteste, geijkte en op de voorgeschreven wijze gebruikte trajectsnelheidsmeter op basis van de factoren tijd en afstand.

Gemeten (afgelezen) gemiddelde snelheid: 115 km per uur.
Werkelijke (gecorrigeerde) gemiddelde snelheid: 111 km per uur.
Toegestane snelheid: 100 km per uur.
Overschrijding met: 11 km per uur. (...)

Het snelheidscontroletraject bevond zich in de gemeente de Ronde Venen. (…)

Overtreden artikel: 62 jo. bord A1 RVV 1990. (...)
Ter hoogte van hectometerpaal/pandnummer 42.7R. (…)”

23. Tot het dossier behoren foto’s van de gedraging. Uit de daaronder vermelde gegevens blijkt dat de maximum snelheid ter plaatse 100 kilometer per uur bedroeg en dat de meting op 00:01:56 uur is aangevangen bij hectometerpaal 39.8R en is geëindigd op 00:03:26 uur bij hectometerpaal 42.7R.

24. Uit de verklaring van de verbalisant volgt dat door middel van een bord A1 van (bijlage 1 bij) het RVV 1990 was aangegeven dat ter plaatse een maximumsnelheid gold van 100 kilometer per uur. Het hof ziet geen aanleiding om aan deze verklaring van de verbalisant te twijfelen. De enkele, niet nader onderbouwde stelling van de gemachtigde dat deze maximumsnelheid niet duidelijk was aangegeven, acht het hof daartoe onvoldoende. Ook overigens blijkt uit het dossier niet van voor deze zaak specifieke feiten en omstandigheden die aanleiding geven te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant. Derhalve is naar de overtuiging van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht.

25. Het hof ziet in hetgeen de betrokkene heeft aangevoerd (ook) geen aanleiding voor het oordeel dat er omstandigheden zijn die meebrengen dat het opleggen van een sanctie niet billijk is dan wel matiging daarvan gerechtvaardigd is. Indien de betrokkene het bord A1 zou hebben gemist, is dat – in aanmerking genomen dat van enige onduidelijkheid daaromtrent niet gebleken is – een omstandigheid die voor zijn rekening en risico komt. Van iedere weggebruiker mag immers worden verwacht dat hij oplettend is op aanwezige bebording. Dat de betrokkene meerdere sancties heeft gekregen wegens soortgelijke snelheidsovertredingen op dezelfde locatie, kan hem reeds daarom ook niet baten. Bij elk van die overtredingen had de betrokkene de geldende maximumsnelheid in acht moeten nemen.

26. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat terecht de onder 20. genoemde sanctie aan de betrokkene is opgelegd.

27. Gegeven de in rechtsoverweging 17 vermelde beslissing, zal het hof de advocaat-generaal veroordelen tot vergoeding van proceskosten van de betrokkene, gemaakt in hoger beroep. Ingevolge artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht komen de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor vergoeding in aanmerking. De volgende proceshandelingen zijn verricht: het indienen van het hoger beroepschrift en van een nadere toelichting. Ingevolge de Bijlage bij het toepasselijke Besluit proceskosten bestuursrecht wordt aan het indienen van de beroepschrift 1 punt toegekend en wordt aan het indienen van een nadere toelichting 0,5 punt toegekend. Het hof zal derhalve 1,5 punten toekennen. De waarde per punt bedraagt € 487,-. Gelet op de aard van de zaak past het hof de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak is licht) toe. Het hof zal de advocaat-generaal derhalve veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 365,25 (1,5 x € 487,- x 0,5).

Beslissing

Het gerechtshof:

  • bevestigt de beslissing van de kantonrechter, met verbetering van gronden;
  • veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 365,25.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

Eén gedachte over “ECLI:NL:GHARL:2016:3978”

  1. Punt 12 van deze uitspraak is niet in lijn met de vaste jurisprudentie

    "Het hof stelt vast dat de gemachtigde de beschikking heeft gekregen over het zaakoverzicht en dat hij er blijkens voormeld schrijven van 6 mei 2013 in is geslaagd om vervolgens de gronden van het beroep te formuleren. Voorts stelt het hof vast dat de gemachtigde in dat beroepschrift er niet over klaagt dat hij niet beschikt over een foto. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de officier van justitie niet in strijd met artikel 7:18 Awb heeft gehandeld door de gemachtigde niet in de gelegenheid te stellen te reageren op de toegezonden foto, alvorens te beslissen op het beroep. De klacht van de gemachtigde dat de officier van justitie onzorgvuldig heeft gehandeld door dat niet te doen, gaat derhalve niet op."

    In WAHV-zaken moet de eventuele foto worden meegezonden. Als de eventuele foto niet wordt meegezonden, heeft de officier van justitie niet voldaan aan zijn informatieplicht (ECLI:NL:GHARL:2016:3227).

    Artikel 7:18, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorziet specifiek voor belanghebbenden in een recht om hangende administratief beroep de op de zaak betrekking hebbende stukken op te vragen bij het beroepsorgaan. Het gaat daarbij om stukken die nodig zijn om een boete op basis daarvan aan te vechten (vgl. ABRvS 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4129). Naar het oordeel van het hof moet in een zaak als deze daaronder worden begrepen het zaakoverzicht en een eventuele foto van de gedraging (vgl. het arrest van dit hof van 28 september 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:7246).

    Niet van iedere gedraging wordt een foto gemaakt door de verbalisant. Vandaar wordt bij het verzoek om het zaakoverzicht om een “eventuele foto” gevraagd. Als bij toezending van het zaakoverzicht een foto ontbreekt, mag de betrokkene (of de gemachtigde) ervan uitgaan dat er geen foto aanwezig is. Als later blijkt dat er wel een foto bestaat, maar niet is toegezonden, heeft de officier van justitie niet voldaan aan zijn informatieplicht.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *