ECLI:NL:GHARL:2016:3950

In het beroepschrift heeft de betrokkene verzocht om verschillende bewijsstukken, waaronder een foto van de gedraging. Het betreft hier derhalve een verzoek om “op de zaak betrekking hebbende stukken” als bedoeld in artikel 7:18, vierde lid van de Awb. Voor zover de betrokkene nog aanspraak meent te maken op de overige door hem in zijn beroepschrift tegen de inleidende beschikking opgevraagde stukken – een verklaring van onderzoek voor de gebruikte radarapparatuur, een proces-verbaal waaruit blijkt dat de radarapparatuur in overeenstemming met de voorschriften werd bediend en een certificaat waaruit blijkt dat de opsporingsambtenaar gekwalificeerd was om de radarapparatuur te gebruiken – overweegt het hof dat geen wettelijke bepaling of rechtsregel voorschrijft dat deze stukken deel uit dienen te maken van het dossier. Bij de beoordeling van het beroep tegen de inleidende beschikking behoeven deze stukken niet te worden betrokken.

Uitspraak

WAHV 200.155.825
23 mei 2016
CJIB 168938901
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
locatie Leeuwarden

Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland
van 25 juli 2014
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 89,- opgelegd ter zake van “overschrijding maximum snelheid binnen bebouwde kom, met 11 km/h”, welke gedraging zou zijn verricht op 30 januari 2013 om 12:16:00 uur op de Dr. Willem Dreeslaan te Ede met het voertuig met het kenteken [kenteken].

De betrokkene voert in hoger beroep onder meer aan dat hij het recht heeft om het zaakoverzicht en de foto’s op te vragen om te kunnen controleren of de gedraging door hem is begaan. Nu de officier van justitie die gegevens niet heeft verstrekt, moet de inleidende beschikking worden vernietigd.

3. Artikel 7:18, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorziet specifiek voor belanghebbenden in een recht om hangende administratief beroep de op de zaak betrekking hebbende stukken op te vragen bij het beroepsorgaan. Het gaat daarbij om stukken die nodig zijn om een boete op basis daarvan aan te vechten (vlg. ABRS 19 november 2014, ECLI:NL:RvS:2014:4129). Naar het oordeel van het hof moet in een zaak als deze daaronder worden begrepen het zaakoverzicht en een eventuele foto van de gedraging (vgl. het arrest van dit hof van 28 september 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:7246).

4. In zijn beroepschrift tegen de inleidende beschikking heeft de betrokkene verzocht om verschillende bewijsstukken in de onderhavige zaak, waaronder een foto van de gedraging. Het betreft hier derhalve een verzoek om “op de zaak betrekking hebbende stukken” als bedoeld in artikel 7:18, vierde lid van de Awb. Gelet hierop had de officier van justitie ervoor dienen te zorgen dat de betrokkene de beschikking kreeg over het zaakoverzicht en de aanwezige foto’s van de gedraging. Uit het dossier blijkt niet dat de officier van justitie dat heeft gedaan, zodat niet gehandeld is in overeenstemming met artikel 7:18, vierde lid, van de Awb.

5. Dit brengt mee dat de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie niet in stand had mogen laten. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen en doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, te weten het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en die beslissing vernietigen. Deze beslissing brengt mee dat de overige bezwaren tegen de beslissing van de kantonrechter geen bespreking meer behoeven.

6. Vervolgens dient het hof het beroep tegen de inleidende beschikking te beoordelen. In dat verband stelt het hof vast dat de betrokkene thans wel beschikt over de foto’s van de gedraging en het zaakoverzicht.

7. Voor zover de betrokkene nog aanspraak meent te maken op de overige door hem in zijn beroepschrift tegen de inleidende beschikking opgevraagde stukken – een verklaring van onderzoek voor de gebruikte radarapparatuur, een proces-verbaal waaruit blijkt dat de radarapparatuur in overeenstemming met de voorschriften werd bediend en een certificaat waaruit blijkt dat de opsporingsambtenaar gekwalificeerd was om de radarapparatuur te gebruiken – overweegt het hof dat geen wettelijke bepaling of rechtsregel voorschrijft dat deze stukken deel uit dienen te maken van het dossier. Bij de beoordeling van het beroep tegen de inleidende beschikking behoeven deze stukken niet te worden betrokken.

8. De betrokkene stelt zich op het standpunt niet op het in de beschikking genoemde moment op de A1 te Utrecht te hebben gereden. De kans bestaat dat een foto is gemaakt van een ander voertuig met hetzelfde kenteken, nu er in Nederland een groot aantal auto’s rondrijdt met dezelfde kentekens. Indien het wel het voertuig van de betrokkene betreft, is de geconstateerde overschrijding van de maximum snelheid onjuist, omdat hij weet dat hij ter plaatse nooit harder rijdt dan de toegestane snelheid. Voorts betwist de betrokkene de juiste werking en bediening van de radarapparatuur.

9. In WAHV-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

10. Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houdt de ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB onder meer het volgende in:

“Pleegdatum en -tijdstip: 30-01-2013, 12:16:00
Pleegplaats: Ede

(…)

Kenteken: [kenteken]

(…)

De gemeten snelheid werd vastgesteld met twee in het wegdek aangebrachte en voor snelheidsmetingen goedgekeurde detectielussen. De gedraging cq. overtreding werd vastgelegd met aan de detectielussen gekoppelde digitale apparatuur.

Gemeten (afgelezen) snelheid: 64 km per uur.
Werkelijke (gecorrigeerde) snelheid: 61 km per uur.
Toegestane snelheid: 50 km per uur.
Overschrijding met: 11 km per uur.

De werkelijke snelheid is het resultaat van een, overeenkomstig de geldende aanwijzing snelheidsoverschrijdingen en snelheidsbegrenzers van het college van procureurs-generaal, uitgevoerde correctie op de met meetmiddel gemeten (afgelezen) snelheid.

(…)

Merk van voertuig: Toyota
Type van voertuig: Toyota Prius
Kleur van voertuig: Grijs”

11. Voorts bevat het dossier een tweetal foto’s van de gedraging. Hierop is een voertuig zichtbaar, voorzien van kenteken [kenteken]. Uit de gegevens in het kader boven de foto’s volgt dat het voertuig op 30 januari 2013 om 12:16 uur heeft gereden met een (gemeten) snelheid van 64 km/h.

11. Het hof ziet in hetgeen de betrokkene heeft aangevoerd geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant. In feite houden de argumenten van de betrokkene niet meer in dan de enkele ontkenning dat hij de hem verweten gedraging heeft verricht en zijn deze argumenten niet nader onderbouwd. Nu de betrokkene geen voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert die aanleiding geven te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant, noch uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken, is naar de overtuiging van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Het hof verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking derhalve ongegrond.

11. Niet gebleken is van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

Het gerechtshof:

  • vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
  • verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie d.d. 14 juni 2013 gegrond en vernietigt die beslissing;
  • verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Verstraaten als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *