ECLI:NL:GHARL:2016:3877

De betrokkene is het niet eens met de opgelegde verhogingen. Hij heeft de inleidende beschikking niet ontvangen en pas na de eerste aanmaning de mogelijk gehad om de sanctie te betalen, hetgeen hij meteen heeft gedaan. De officier van justitie heeft, blijkens zijn beslissing, het schrijven van de betrokkene opgevat als beroep als bedoeld in artikel 6 WAHV tegen de inleidende beschikking. In die brief heeft de betrokkene echter uitdrukkelijk verklaard dat zijn bezwaren zich niet richten tegen de opgelegde sanctie maar tegen de toegepaste verhoging. Bij of krachtens de WAHV is niet voorzien in de mogelijkheid van het instellen van beroep tegen de ingevolge artikel 23 van de WAHV van rechtswege toegepaste verhoging van de sanctie.


Uitspraak

WAHV 200.170.102
18 mei 2016
CJIB 171920540
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
locatie Leeuwarden

Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag
van 27 maart 2015
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing gedeeltelijk gegrond verklaard en de opgelegde verhogingen gematigd tot een bedrag van € 135,-.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

Bij het beroepschrift is verzocht om een behandeling ter zitting.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

De zaak is behandeld ter zitting van 4 mei 2016. De betrokkene is niet verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. M.F. Alting.

Beoordeling

1. De betrokkene ontkent niet de gedraging te hebben verricht. De betrokkene is het niet eens met de opgelegde verhogingen. Hij heeft de inleidende beschikking niet ontvangen en pas na de eerste aanmaning de mogelijk gehad om de sanctie te betalen, hetgeen hij meteen heeft gedaan.

2. Artikel 23 van de WAHV houdt in:

"1. Uiterlijk binnen twee weken nadat een beschikking waarbij een administratieve sanctie is opgelegd, onherroepelijk is geworden, moeten de administratieve sanctie en de administratiekosten zijn voldaan.

2. De sanctie wordt van rechtswege met vijftig procent verhoogd indien deze niet tijdig geheel wordt voldaan."

3. De officier van justitie heeft, blijkens zijn beslissing, het schrijven van de betrokkene van 21 september 2013 opgevat als beroep als bedoeld in artikel 6 WAHV tegen de inleidende beschikking. In die brief heeft de betrokkene echter uitdrukkelijk verklaard dat zijn bezwaren zich niet richten tegen de opgelegde sanctie maar tegen de toegepaste verhoging.

4. Bij of krachtens de WAHV is niet voorzien in de mogelijkheid van het instellen van beroep tegen de ingevolge artikel 23 van de WAHV van rechtswege toegepaste verhoging van de sanctie.

5. Gelet hierop heeft de officier van justitie het schrijven van de betrokkene, in plaats van dat door te sturen naar het CJIB dat belast is met de inning van de sanctie, ten onrechte opgevat als beroepschrift. De kantonrechter had, gelet hierop, de beslissing van de officier van justitie niet in stand mogen laten maar, met gegrondverklaring van het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie, moeten verstaan dat geen beroep is ingesteld tegen de inleidende beschikking en bepalen dat de brief van de betrokkene ter afhandeling wordt doorgestuurd naar het CJIB.

6. Gelet hierop moet de beslissing van de kantonrechter worden vernietigd en zal het hof doen wat de kantonrechter had behoren te doen.

7. Niet gebleken is dat de betrokkene proceskosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking kunnen komen.

Beslissing

Het gerechtshof:

  • vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
  • vernietigt, met gegrond verklaring van het beroep daartegen, de beslissing van de officier van justitie d.d. 5 februari 2014;
  • verstaat dat geen beroep is ingesteld tegen de inleidende beschikking;
  • bepaalt dat de griffier van het hof de brief van de betrokkene van 21 september 2013 doorstuurt naar het CJIB.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Dörholt als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *