ECLI:NL:GHARL:2016:35

De betrokkene woont in Duitsland, betwist de inleidende beschikking te hebben ontvangen en legt een uittreksel uit het bevolkingsregister over. Gelet op dat uittreksel rijst twijfel aan de juistheid van het bij het CJIB geregistreerde adres van de betrokkene. Onvoldoende vast staat dat de inleidende beschikking op de juiste wijze bekend is gemaakt. Dit leidt tot het oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat niet tijdig beroep is ingesteld tegen de inleidende beschikking. In dit geval wordt ook de inleidende beschikking vernietigd. De betrokkene heeft daarvan ruim twee jaar na de gedraging pas kennis genomen en is in zijn verdedigingsbelang geschaad door de overschrijding van de voorgeschreven termijn van bekendmaking van de inleidende beschikking.

Uitspraak

WAHV 200.152.502
6 januari 2016
CJIB 150929484

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
locatie Leeuwarden

Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Limburg
van 15 mei 2014
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats] (Duitsland)
voor wie als gemachtigde optreedt mr. P.D. Bosma,
kantoorhoudende te Amsterdam.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard. Voorts heeft de kantonrechter het verzoek van de betrokkene tot vergoeding van kosten afgewezen.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

Op 3 september 2014 en 12 september 2014 zijn nog brieven van de gemachtigde ingekomen.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. De kantonrechter heeft geoordeeld dat het beroep tegen de inleidende beschikking niet tijdig is ingesteld en dat de officier van justitie daarom terecht dat beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2. Namens de betrokkene is hiertegen aangevoerd dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, nu de beschikking naar een onjuist adres is gezonden. Pas op 16 april 2013 is de betrokkene op de hoogte geraakt van de vermeende gedraging door middel van een brief van het Duitse ‘Bundesamt für Justiz’ waarbij een afschrift van de inleidende beschikking d.d. 25 april 2011 was gevoegd. Ter onderbouwing heeft de gemachtigde een afschrift van het uittreksel uit het bevolkingsregister van de gemeente [gemeente] (Duitsland) overgelegd. Hierin is vermeld dat de betrokkene van 1 augustus 2007 tot 14 jul 2014 staat ingeschreven op het adres [adres A] (Duitsland).

3. Ingevolge het bepaalde in artikel 6, eerste lid, WAHV in verbinding met de artikelen 6:7 en 6:8 Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient het beroep tegen de inleidende beschikking te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen een termijn van zes weken, welke termijn aanvangt op de dag na die waarop de beschikking aan de betrokkene bekend is gemaakt.

4. Het bepaalde in artikel 3:41, eerste lid, Awb, brengt mee dat van bekendmaking op de voorgeschreven wijze sprake is indien de inleidende beschikking aan de betrokkene wordt toegezonden.

5. Artikel 4, tweede lid, WAHV houdt in:

"(…) De bekendmaking van de beschikking geschiedt binnen vier maanden nadat de gedraging heeft plaatsgevonden, door toezending aan het adres dat betrokkene heeft opgegeven of, indien dat niet mogelijk is en de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, aan het adres dat is opgenomen in het kentekenregister. Indien de brief onbestelbaar blijkt te zijn, wordt de beschikking gezonden naar het in de basisadministratie persoonsgegevens vermelde adres, tenzij dit hetzelfde is als hetgeen is opgenomen in het kentekenregister. Indien de brief ook op het in de basisadministratie opgenomen adres onbestelbaar blijkt te zijn, wordt de beschikking geacht aan de betrokkene bekend te zijn."

6. Blijkens het zaakoverzicht van het CJIB is na “verificatie buitenland” de inleidende beschikking op 25 april 2011 verzonden naar het adres [adres B]. Op 6 juli 2011 is een eerste aanmaning naar hetzelfde adres verstuurd. Deze is op 18 juli 2011 als onbestelbaar retour ontvangen, waarna een verificatie van het adres in de gemeentelijke basisadministratie (gba) heeft plaatsgevonden. Naar aanleiding hiervan is de incasso voortgezet.

7. Gelet op hetgeen namens de betrokkene is aangevoerd is naar het oordeel van het hof onvoldoende komen vast te staan dat de inleidende beschikking op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. Het door de betrokkene overgelegde uittreksel uit het bevolkingsregister doet twijfel rijzen aan de juistheid van de registratie van het adres van de betrokkene door het CJIB. De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld om hierop in een verweerschrift in te gaan, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.

8. Uit het voorgaande volgt dat niet kan worden vastgesteld dat de onder 3. bedoelde termijn is aangevangen en derhalve evenmin dat met het beroepschrift, dat op 27 mei 2013 bij de CVOM is ingekomen, niet tijdig beroep is ingesteld tegen de inleidende beschikking.

De kantonrechter heeft dan ook ten onrechte geoordeeld zoals hiervoor onder 1 vermeld. Dit brengt mee dat het hof zal doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, namelijk met gegrondverklaring van het beroep tegen en vernietiging van de beslissing van de officier van justitie, het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen.

9. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 223,- opgelegd ter zake van “overschrijding maximum snelheid op autosnelwegen, met 31 km/h”, welke gedraging zou zijn verricht op 26 maart 2011 om 10.16 uur op de Rijksweg A73 rechts te Grubbenvorst met het voertuig met het kenteken [kenteken].

10. Namens de betrokkene is aangevoerd dat de inleidende beschikking moet worden vernietigd, omdat deze in strijd met artikel 4, tweede lid, WAHV niet binnen vier maanden nadat de gedraging heeft plaatsgevonden bekend is gemaakt. De betrokkene heeft eind april 2013 voor het eerst kennis genomen van de onderhavige beschikking, zodat sprake is van een overschrijding van de bekendmakingstermijn van één jaar en negen maanden. Hierdoor is de betrokkene in zijn belangen geschaad, omdat hij zich door het tijdsverloop niet meer kan herinneren wat er op de kennelijke pleegdatum heeft plaatsgevonden. Derhalve kan de betrokkene geen effectief verweer voeren betreffende zijn vermeende onschuld.

11. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen staat vast dat de inleidende beschikking niet binnen de in artikel 4, tweede lid, WAHV voorgeschreven termijn is bekendgemaakt. De wet verbindt geen rechtsgevolg aan overschrijding van de in artikel 4 tweede lid, WAHV voorgeschreven termijn. Zoals de Hoge Raad heeft geoordeeld in zijn arrest van 10 mei 1994 (NJ 1994, 672), behoort overschrijding van die termijn slechts dan tot vernietiging van de inleidende beschikking te leiden als de betrokkene door die overschrijding rechtstreeks is geschaad in enig rechtens te respecteren belang. In zijn arrest van 16 december 1997 (VR 1998/76) heeft de Hoge Raad overwogen dat daarvan sprake zal zijn indien de sanctie is opgelegd aan de kentekenhouder ter zake van een op kenteken geconstateerde gedraging en de inleidende beschikking de betrokkene eerst bereikt op een zodanig tijdstip dat hij redelijkerwijs niet meer geacht kan worden te kunnen nagaan op welke gedraging die beschikking betrekking had.

12. Naar het oordeel van het hof doet die situatie zich hier voor, nu sprake is van een op kenteken geconstateerde gedraging en de betrokkene eerst door het schrijven d.d. 16 april 2013, derhalve ruim twee jaar na de vermeende gedraging, kennis heeft genomen van inleidende beschikking. Gelet hierop is de betrokkene niet voldoende in de gelegenheid geweest zich tegen de oplegging van de sanctie te verweren.

13. Het voorgaande brengt mee dat de inleidende beschikking, waarbij die sanctie is opgelegd, niet in stand kan blijven. Het hof zal die beschikking vernietigen.

14. Namens de betrokkene is verzocht om vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Naar het oordeel van het hof komen de gevraagde kosten voor vergoeding in aanmerking. De vergoeding van kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand zijn in het Besluit proceskosten bestuursrecht forfaitair bepaald per proceshandeling. De gemachtigde van de betrokkene heeft de volgende proceshandelingen verricht: het indienen van het administratieve beroepschrift, het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter en het indienen van het hoger beroepschrift. Aan het indienen van een beroepschrift dient één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraag € 487,-. Gelet op de aard van de zaak past het hof wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 730,50 (=3 x € 487,- x 0,5).

Beslissing

Het gerechtshof:

  • vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de beslissing van de officier van justitie d.d. 9 juli 2013, alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nummer 150929484 de administratieve sanctie is opgelegd;
  • bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de WAHV tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal aan hem wordt gerestitueerd;
  • veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 730,50.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Van der Meulen als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.