ECLI:NL:GHARL:2016:3482

Slechts indien men het verkeerslicht zo dicht is genaderd dat stoppen niet meer mogelijk is, mag worden doorgereden. Die omstandigheid deed zich in het dit geval niet voor omdat de stopafstand ruim voldoende was om tijdig voor het verkeerslicht tot stilstand te komen. Indien een bestuurder zo krachtig moet remmen dat gevaar ontstaat voor achteropkomend verkeer, wijst dit erop dat de bestuurder onvoldoende heeft geanticipeerd op het verkeerslicht en dat hij zichzelf in de situatie heeft gebracht waarin hij meende geen andere keuze te hebben dan door te rijden. Dat zulks in deze zaak in verband met achteropkomend verkeer anders ligt, acht het hof niet aannemelijk geworden.
Met betrekking tot de aangehaalde adviezen van het CROW met betrekking tot de geeltijd merkt het hof op dat een individuele weggebruiker aan een dergelijk advies, dat niet dwingend is en zich slechts tot de wegbeheerder richt, op zichzelf geen rechten kan ontlenen.
Er is in Nederland geen sprake van een wettelijk vastgelegde pardontijd van 1 seconde.

Uitspraak

WAHV 200.154.396
29 april 2016
CJIB 164559608
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
locatie Leeuwarden

Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland
van 8 juli 2014
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
gevestigd te [vestigingsplaats],
voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde],
wonende te [woonplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Bij het beroepschrift is verzocht om een behandeling ter zitting.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

De zaak is behandeld ter zitting van 15 april 2016. De betrokkene is verschenen bij gemachtigde. Ter zitting heeft de gemachtigde verzocht om vergoeding van kosten.

Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen E.J. Swart.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 220,- opgelegd ter zake van “niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht” (feitcode R602), welke gedraging zou zijn verricht op 17 augustus 2012 om 20.01 uur op de Graafseweg, kruising Wolfkuilseweg te Nijmegen met het voertuig met het kenteken [kenteken].

2. De gemachtigde voert in hoger beroep – zakelijk weergegeven – aan dat de kantonrechter de verklaring van de verbalisant aanhaalt, waarin wordt gesproken over een geelfase van 3 seconden, terwijl uit de foto’s blijkt dat de geelfase 2,9 seconden bedroeg. De gemachtigde verzoekt de verbalisant als getuige te horen over haar zienswijze hierover. De gemachtigde wenst dan voorts antwoord op zijn eerdere vraag over welke overwegingen bij de Nijmeegse politie hebben geleid tot de geel en roodtijden (inclusief pardontijd) ter plaatse. Er was sprake van een achterop komende lichtkleurige personenauto, waarbij de gemachtigde in de dilemmazone niet een gevaarlijke situatie wilde laten ontstaan die tot een kopstaart botsing kon leiden. De gemachtigde heeft zowel als rij-instructeur als gewoon automobilist traumatische ervaringen met kopstaart botsingen. Hij wilde de verkeersveiligheid niet in gevaar brengen.

De gemachtigde heeft een diepgaande studie gemaakt over onder andere de problematiek van de pardontijd bij rood licht. Hij is van mening dat de officier van justitie geen wettig en overtuigend bewijs heeft geleverd dat de overtreding heeft plaatsgevonden, gelet op de technische details en omstandigheden van het voertuig van de gemachtigde en de lay-out van het betreffende kruispunt.

Ter zitting van het hof heeft de betrokkene – zakelijk weergegeven – nog aangevoerd dat er thans een zeer uitgebreid en degelijk IVER-rapport ‘onderzoek geeltijden’ is verschenen en dat de wegbeheerder de situatie ter plaatse heeft aangepast.

Eerder in de procedure heeft de gemachtigde – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende aangevoerd:

Het verkeerslicht werd pas rood toen de voorzijde van de auto de stopstreep reeds was gepasseerd. Eenmaal voorbij de stopstreep moet worden doorgereden en niet worden gestopt als er een auto vlak achter zit (die later naar rechts afsloeg). Fotografisch is niet vastgelegd dat de auto met de voorbumper over de stopstreep reed terwijl het licht rood was. De gemachtigde heeft onderzoek verricht naar de technische gang van zaken bij een dergelijke rood licht overtreding.

Op grond van NEN3384 en CROW213 wordt 3 seconden als tijdsduur voor de geellichtfase aangegeven. De geeltijd bedroeg echter 2,9 seconden. Als de geeltijd inderdaad op 3 seconden zou zijn ingesteld dan zou de vermeende overtreding niet geflitst zijn. Het OM, de Nijmeegse politie, de GPTV en GATSO kunnen de afwijking van 2,9 in plaats van 3 seconden verklaren of de redelijkheid daarvan laten inzien.
Zowel nationaal als internationaal wordt een pardontijd van 1 seconde gehanteerd, zo is dit in België in een Koninklijk Besluit vastgelegd. De ter plaatse ingestelde pardontijd van 0,4 seconde zou redelijk en begrijpelijk kunnen zijn, maar niemand kan de gemachtigde vertellen waarom dit is gebeurd. Het is hier verkeerstechnisch niet verantwoord. Het Handboek Verkeerslichtenregeling CROW213 beschrijft uitvoerig de dilemmazone en de overwegingen die gelden voor automobilisten binnen die zone. In het onderhavige geval zijn er geen naderingsdetectielussen of andere waarnemingsmogelijkheden die meer feitelijke inlichtingen zouden kunnen verschaffen over de gang van zaken binnen de dilemmazone. Onlangs is een nieuwe flitspaal geplaatst, die een veel groter deel van de dilemmazone bestrijkt.

Op een andere locatie in Nijmegen is het flitsmoment wezenlijk anders ingesteld dan op de onderhavige locatie.

3. De betreffende gedraging is een overtreding van artikel 62 in verbinding met artikel 68, eerste lid, aanhef en onder c, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990).

4. Artikel 68, eerste lid, van het RVV 1990 houdt in:

“Bij driekleurige verkeerslichten betekent:

a. groen licht: doorgaan;
b. geel licht: stop: voor bestuurder die het teken zo dicht genaderd zijn dat stoppen redelijkerwijs niet meer mogelijk is: doorgaan;
c. rood licht: stop. ”

5. In het dossier bevinden zich twee foto’s van de gedraging. Hieruit blijkt dat de gedraging is vastgesteld door middel van lusdetectie in het wegdek. Het is het hof ambtshalve bekend dat de lusdetector door inductielussen in het wegdek wordt geactiveerd, wanneer een voertuig bij rood licht de stopstreep passeert. Op de eerste foto is te zien dat het voertuig met kenteken [kenteken] juist in zijn geheel de stopstreep is gepasseerd terwijl het verkeerslicht op dat moment gedurende 0,5 seconden rood uitstraalde. De geellichtfase bedroeg 2,9 seconden. Op de tweede foto, die één seconde later is genomen, is te zien dat het voertuig de verkeerslichten is gepasseerd. De snelheid van het voertuig op het tijdstip van de gedraging bedroeg 46 kilometer per uur.

6. In het dossier bevindt zich voorts het zaakoverzicht van het CJIB. Dat zaakoverzicht is het resultaat van de administratieve verwerking van de hierboven vermelde digitale registratie. In het zaakoverzicht is vermeld dat de geellichtfase 3 seconden bedroeg. Zoals de gemachtigde terecht heeft gesteld, wijkt dit af van de hiervoor onder 5. weergegeven digitale registratie. Die afwijking is kennelijk veroorzaakt bij de administratieve verwerking van de digitale gegevens. Hoewel onzorgvuldig vormt deze afwijking als zodanig geen aanleiding om aan te nemen dat de verbalisant opzettelijk een onjuiste voorstelling van de gang van zaken heeft gegeven. Het hof zal hier verder geen gevolg aan verbinden, nu de gemachtigde door die onjuiste vermelding niet in zijn verdedigingsbelang is geschaad. Daarbij neemt het hof tevens in aanmerking dat reeds in de fase van administratief beroep de foto’s van de gedraging in het geding zijn gekomen en aldus reeds in die fase de juiste geeltijd bekend is geworden.

7. Ter beoordeling van de vraag of onder de in deze zaak gegeven omstandigheden op verantwoorde wijze voor het rode verkeerslicht kon worden gestopt, zal het hof de benodigde stopafstand berekenen. De stopafstand bestaat uit de remweg van het voertuig, plus de afstand die nog wordt afgelegd in de reactietijd van één seconde voordat na het signaleren van het gele licht begonnen wordt met remmen. Het is het hof ambtshalve bekend dat de remweg wordt bepaald door toepassing van de formule S=V²/2xA. Daarbij staat S voor de remweg, V voor de beginsnelheid en A voor de remvertraging.

Blijkens de RDW-voertuiggegevens behorende bij het kenteken [kenteken] gaat het in het onderhavige geval om een personenauto die in gebruik genomen is op 15 mei 2012. Artikel 5.2.38, tweede lid, van de Regeling Voertuigen bepaalt dat een dergelijk voertuig moet beschikken over een bedrijfsrem waarvan de remvertraging tenminste 5,2 m/s² bedraagt.

Uitgaande van een beginsnelheid van 50 kilometer per uur (13,88 m/s), de ter plaatse geldende maximumsnelheid, en een remvertraging van 5,2 m/s² levert de remwegformule een remweg op van 18,52 meter. Wanneer daar een reactieafstand van 13,88 meter bij opgeteld wordt, blijkt dat de totale stopafstand van het voertuig 32,40 meter is. Het hof merkt hierbij op dat bij verreweg de meeste voertuigen de remvertraging een stuk groter is dan minimaal vereist, zodat de remweg, en dus ook de totale stopafstand, feitelijk korter is.

Als ervan wordt uitgegaan dat de gemachtigde, op het moment dat het verkeerslicht geel licht begon uit te stralen, reed met de ter plaatse toegestane maximum snelheid van 50 km/h (13,88 m/s), was de betrokkene op dat moment ongeveer 47,19 meter (13,88 meter x 3,4 seconden, bestaande uit 2,9 seconden geel licht en 0,5 seconden rood licht) van de stopstreep verwijderd. Derhalve is de stopafstand van 32,40 meter ruim voldoende geweest om tijdig voor de stopstreep te kunnen stoppen.

8. Gelet op het voorgaande is niet gebleken dat de gemachtigde niet tijdig en op verantwoorde wijze heeft kunnen stoppen voor het verkeerslicht. Doordat de gemachtigde bij geel licht is doorgereden, terwijl hij moest – en kon – stoppen, heeft hij het risico aanvaard dat het verkeerslicht nog gedurende zijn manoeuvre rood licht zou gaan uitstralen. Dat wordt niet anders door de omstandigheid dat de geeltijd in andere, vergelijkbare gevallen langer zou zijn geweest.

9. Met betrekking tot de door de gemachtigde aangehaalde adviezen van het CROW met betrekking tot de geeltijd merkt het hof het volgende op. Een individuele weggebruiker kan aan een dergelijk advies, dat niet dwingend is en zich slechts tot de wegbeheerder richt, op zichzelf geen rechten ontlenen. Bovendien betreft het slechts een aanbeveling van het CROW, waarvan de wegbeheerder kan en mag afwijken. Dat CROW een ruimere geeltijd aanbeveelt betekent niet zonder meer dat het bij een kortere geeltijd niet meer mogelijk zou zijn om tijdig op verantwoorde wijze voor het rode licht te stoppen. Dit voorgaande geldt eveneens voor het door de gemachtigde aangehaalde IVER-rapport ‘onderzoek geeltijden’ dat (onder meer) adviseert een langere geeltijd aan te houden.

10. Voor zover de gemachtigde heeft gesteld dat de onzekerheid of onduidelijkheid over de te verwachten duur van de geellichtfase een rol heeft gespeeld in de gedraging, overweegt het hof dat van een bestuurder mag worden verwacht dat hij anticipeert op een naderend verkeerslicht en zijn snelheid zodanig aanpast dat zo nodig tijdig kan worden gestopt. Indien een driekleurig verkeerslicht geel licht begint uit te stralen, houdt dit in beginsel in dat moet worden gestopt. Slechts indien men het verkeerslicht zo dicht is genaderd dat stoppen niet meer mogelijk is, mag worden doorgereden. Die omstandigheid deed zich in het onderhavige geval niet voor omdat de stopafstand ruim voldoende was om tijdig voor het verkeerslicht tot stilstand te komen. Indien een bestuurder zo krachtig moet remmen dat gevaar ontstaat voor achteropkomend verkeer, wijst dit erop dat de bestuurder onvoldoende heeft geanticipeerd op het verkeerslicht en dat hij zichzelf in de situatie heeft gebracht waarin hij meende geen andere keuze te hebben dan door te rijden. Dat zulks in onderhavige zaak in verband met achteropkomend verkeer anders ligt, acht het hof niet aannemelijk geworden.

11. Het hof ziet in hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding tot nader onderzoek naar de werking van de detectieapparatuur. Uit hetgeen de gemachtigde heeft overgelegd aan informatie en correspondentie aan en van het OM, de politie, de GPTV en GATSO blijkt dat de apparatuur heeft gewerkt op de manier zoals het door de politie Gelderland-Zuid is ingesteld. Er bevindt zich in het dossier geen aanknopingspunt voor twijfel aan de juistheid van de registratie. Dat men niet aan de gemachtigde heeft kunnen uitleggen waarom de apparatuur op deze wijze is ingesteld of waarom wordt gewerkt met de geeltijd van 2,9 seconden en een pardontijd van 0,4 seconde, is voor de beoordeling van de onderhavige sanctie niet relevant. Er is in Nederland (anders dan kennelijk in België, zoals zou kunnen blijken uit de door de gemachtigde overgelegde stukken) geen sprake van een (wettelijk) vastgelegde pardontijd van 1 seconde.

12. Gelet op het hiervoor overwogene verwerpt het hof het beroep van de gemachtigde. Nu de gemachtigde overigens geen voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van de gegevens zoals die blijken uit de foto’s van de gedraging, noch uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken, is naar de overtuiging van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Vervolgens dient het hof te beoordelen of er andere redenen zijn een sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen.

13. Het hof stelt het volgende voorop. Op grond van artikel 2, derde lid, van de WAHV is de hoogte van de sanctie voor elke gedraging vastgesteld in de bij de wet behorende bijlage. Deze in hoge mate tariefsmatige afdoening van gedragingen brengt mee dat de omstandigheden van het concrete geval niet licht van invloed zullen zijn op de hoogte van de opgelegde sanctie. Slechts bijzondere omstandigheden kunnen aanleiding geven om van de vastgestelde tarieven af te wijken.

14. Naar het oordeel van het hof is er in het onderhavige geval geen sprake van bijzondere omstandigheden als vorenbedoeld. De omstandigheid dat de betrokkene de verkeersveiligheid niet in gevaar zou hebben gebracht, is geen omstandigheid die aanleiding geven af te wijken van de vastgestelde tarieven. Het verrichten van een gedraging als de onderhavige kan op zichzelf al het opleggen van een sanctie rechtvaardigen. De mogelijkheid tot oplegging van een sanctie als de onderhavige heeft de wetgever niet afhankelijk gesteld van opzet of gevaarzetting. Om die reden kan niet worden gezegd dat de omstandigheden dusdanig zijn dat de sanctie dient te worden gematigd of in zijn geheel achterwege dient te blijven.

15. Het hof ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding voor nader onderzoek dan wel het horen van de verbalisant zoals de gemachtigde wenst.

16. Het hof zal gelet op het voorgaande de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het hof het verzoek tot vergoeding van kosten afwijzen.

Beslissing

Het gerechtshof:

  • bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
  • wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *