ECLI:NL:GHARL:2016:3032

De gemachtigde stelt administratief beroep in “op nader aan te voeren gronden” en verzoekt hem daarvoor een termijn te geven. Het beroepschrift bevat het verzoek om het zaakoverzicht en enkele gronden. Uit het dossier blijkt dat de officier van justitie het zaakoverzicht heeft toegezonden. Beginselen van zorgvuldige procesvoering brengen mee dat de officier van justitie de gemachtigde, daarbij in de gelegenheid had dienen te stellen binnen een daartoe te stellen termijn nadere gronden aan te voeren. Uit het dossier blijkt niet dat de officier van justitie daaraan heeft voldaan. Dat de gemachtigde, door het tijdsverloop tussen de toezending van het zaakoverzicht en het nemen van de beslissing op het beroep, feitelijk die gelegenheid wel heeft gehad, doet daar niet aan af.
Het hof ziet geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant. Daaraan doet niet af dat de verbalisant geen opgave heeft gedaan van zijn schatting van de afstand die over de vluchtstrook is gereden. Doorslaggevend is immers de omstandigheid dat dit zonder noodzaak is gebeurd.

Uitspraak

WAHV 200.169.888
18 april 2016
CJIB 178907345

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
locatie Leeuwarden

Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Limburg
van 30 april 2015
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats],
voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde],
kantoorhoudende te [vestigingsplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard en het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Bij het beroepschrift is verzocht om een behandeling ter zitting.

Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

De zaak is behandeld ter zitting van 4 april 2016. De betrokkene noch zijn gemachtigde is verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. C. Brontsema.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 360,- opgelegd ter zake van “als weggebruiker buiten noodzaak over de vluchtstrook of vluchthaven rijden”, welke gedraging zou zijn verricht op 5 december 2013 om 16:52 uur op de E314 te Nuth.

2. De gemachtigde heeft in hoger beroep aangevoerd dat de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie ten onrechte in stand heeft gelaten. Volgens de gemachtigde heeft de officier van justitie verzuimd hem een termijn te verlenen voor het indienen van gronden tegen de sanctie. De gemachtigde baseert zijn standpunt op jurisprudentie van het hof. Volgens de gemachtigde is er voorts twijfel blijven bestaan over de vraag of de gedraging (verwijtbaar) is verricht.

3. Uit het dossier blijkt het volgende.

In zijn beroepschrift d.d. 10 maart 2014, gericht tegen de inleidende beschikking, heeft de gemachtigde onder meer aangevoerd:

"Cliënt is het niet eens met de aan hem opgelegde sanctie en stelt daartegen beroep in op nader aan te voeren gronden. Thans kan door mij nog niet de rechtmatigheid van de genoemde beschikking worden beoordeeld. Voorshands betwist ik namens cliënt dat hij de overtreding heeft begaan en betwist ik de rechtmatigheid van de gebruikte opsporingsmethode(n). Voordat ik de rechtmatigheid van de beschikking kan beoordelen zal ik namens cliënt nadere stukken opvragen bij de instantie die ik daarvoor geschikt acht.

Na ontvangst van die stukken ben ik in de gelegenheid om, zo die er zijn, gronden aan te voeren tegen genoemde beschikking. Ik verzoek u mij daarvoor een termijn te verlenen."

De gemachtigde heeft aan het eind van het beroepschrift gevraagd om toezending “al dan niet op grond van de Wet openbaarheid van bestuur” van het zaakoverzicht en de foto’s van de gedraging.

De CVOM heeft het zaakoverzicht op 21 maart 2014 naar de gemachtigde gezonden en zijn verzoek om documenten die niet in het bezit van de CVOM doorgezonden naar de Politie Limburg-Zuid.

De officier van justitie heeft het beroep van de gemachtigde bij beschikking van 17 september 2014 ongegrond verklaard. De motivering van die beslissing is op 2 april 2014 naar de gemachtigde gezonden.

4. Uit het voorgaande blijkt dat de officier van justitie de gemachtigde op diens verzoek het zaakoverzicht heeft toegezonden. Beginselen van zorgvuldige procesvoering brengen mee dat de officier van justitie de gemachtigde, zoals in het beroepschrift was verzocht, daarbij in de gelegenheid had dienen te stellen naar aanleiding daarvan binnen een daartoe te stellen termijn nadere gronden aan te voeren. Uit het dossier blijkt niet dat de officier van justitie daaraan heeft voldaan. Dat de gemachtigde, door het tijdsverloop tussen de toezending van het zaakoverzicht en het nemen van de beslissing op het beroep, feitelijk die gelegenheid wel heeft gehad, doet daar niet aan af.

5. Het voorgaande brengt mee dat de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie niet in stand had mogen laten. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen en doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, te weten het beroep van de gemachtigde tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren, die beslissing vernietigen, en het beroep van de gemachtigde tegen de opgelegde sanctie beoordelen.

6. In WAHV-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

7. Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houdt de ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB onder meer het volgende in:

“Ik zag dat de bestuurder met een geschatte snelheid van 50 km/h over een afstand van m. over de vluchtstrook reed. Nadat deze bestuurder was staande gehouden toonde deze de noodzaak hiervan niet aan. Soort weg: autosnelweg. Verklaring betrokkene: ik reed erover om door te kunnen rijden.”

8. Het hof ziet in hetgeen de betrokkene heeft aangevoerd geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant. Daaraan doet niet af dat de verbalisant geen opgave heeft gedaan van zijn schatting van de afstand die over de vluchtstrook is gereden. Doorslaggevend is immers de omstandigheid dat dit zonder noodzaak is gebeurd.

Nu de gemachtigde slechts twijfel heeft opgeworpen aangaande de vraag of de gedraging (verwijtbaar) is verricht en in dat verband geen specifieke feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die tot nader onderzoek noopten, en uit het dossier zulke feiten en omstandigheden evenmin blijken, is naar de overtuiging van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht.

9. Gelet op het hiervoor overwogene zal het hof het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaren.

10. Nu de beslissing van de kantonrechter en de officier van justitie worden vernietigd zal het hof ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht een vergoeding toekennen van kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

De gemachtigde heeft de volgende proceshandelingen verricht: indiening van een beroepschrift en een nadere toelichting in hoger beroep en indiening van een beroepschrift bij de kantonrechter. Aan het indienen van een beroepschrift dient één punt te worden toegekend en aan het indienen van een nadere toelichting een halve punt. De waarde per punt bedraagt, gelet op artikel IV, vierde en vijfde lid, van de Regeling indexering bedragen Algemene wet bestuursrecht, Besluit proceskosten bestuursrecht en Wet griffierechten burgerlijke zaken, € 490,-. Gelet op de aard van de zaak past het hof wegingsfactor 0,5 (= licht) toe. Gelet daarop zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 612,50 = ([2,5 x € 490,-] x 0,5).

Beslissing

Het gerechtshof:

  • vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de beslissing van de officier van justitie d.d. 17 september 2014;
  • verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;
  • veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 612,50.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Zomer als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

2 gedachten over “ECLI:NL:GHARL:2016:3032”

  1. De volgende opmerking gaat over punt 4 van dit arrest:

    4. Uit het voorgaande blijkt dat de officier van justitie de gemachtigde op diens verzoek het zaakoverzicht heeft toegezonden. Beginselen van zorgvuldige procesvoering brengen mee dat de officier van justitie de gemachtigde, zoals in het beroepschrift was verzocht, daarbij in de gelegenheid had dienen te stellen naar aanleiding daarvan binnen een daartoe te stellen termijn nadere gronden aan te voeren. Uit het dossier blijkt niet dat de officier van justitie daaraan heeft voldaan. Dat de gemachtigde, door het tijdsverloop tussen de toezending van het zaakoverzicht en het nemen van de beslissing op het beroep, feitelijk die gelegenheid wel heeft gehad, doet daar niet aan af.

    Punt 12 van het arrest van het Hof van 22 december 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:10365, verwijst op dit onderwerp naar onderhavig arrest.

    12. Indien een beroepschrift - in strijd met artikel 6:5, eerste lid, onder d, van de Awb - geen gronden bevat, dient de indiener daarvan de gelegenheid te worden geboden om deze op een later moment in te dienen, indien uit het beroepschrift blijkt van de wens daartoe. Deze wens moet uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn gedaan. De voor het indienen van gronden geboden termijn dient een redelijke te zijn. Indien door de indiener van het beroepschrift is verzocht om toezending van op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 7:18, vierde lid, van de Awb respectievelijk artikel 11, vierde lid, van de WAHV, zou die termijn in moeten gaan na toezending van die stukken. Een en ander dient in een eenduidig geformuleerde brief aan de indiener van het beroepschrift te worden meegedeeld. Dat de indiener van het beroepschrift feitelijk -door het tijdsverloop tussen de indiening van het beroepschrift en de beslissing op het beroep- de gelegenheid heeft gehad om de gronden in te dienen, volstaat niet (vergelijk het arrest van het hof van 18 april 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:3032). Deze verplichting vloeit voort uit beginselen van een zorgvuldige procesvoering.

    De tijdsverloop tussen de indiening van het (pro forma) beroepschrift en de beslissing op het beroep, volstaat dus niet als gelegenheid om de gronden in te dienen. De officier van de justitie moet een (redelijke) termijn bieden. De indiener moet echter wel uitdrukkelijk verzoeken om een termijn om de gronden in te dienen.

  2. Feitcode R465a is met ingang van 1 januari 2015 ‘vervallen’ (Stb. 2014, 484). De gedraging is nog steeds strafbaar, maar wordt sindsdien strafrechtelijk afgehandeld. In het kader van de implementatie aanpak veelplegers in het verkeer is van deze feitcode de modaliteit gewijzigd. Deze Muldergedragingen (m) worden nu OM-strafbeschikkingsfeiten. Vandaar is deze feit geschrapt uit de bijlage van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv).

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *