ECLI:NL:GHARL:2016:3027

Gelet op hetgeen de advocaat-generaal ter zitting naar voren heeft gebracht, kan de in de rechtsmiddelenverwijzing opgenomen mededeling aan de officier van justitie worden toegerekend. Naar het oordeel van het hof brengt de omstandigheid dat de betrokkene reeds bij de toezending van de sanctiebeschikking en niet eerst na ontvangst van het beroepschrift door de officier van justitie wordt geïnformeerd, niet mee dat niet is voldaan aan hetgeen artikel 7:17, aanhef en onder d, van de Awb voorschrijft. Weliswaar moet worden vastgesteld dat met de door de advocaat-generaal bedoelde mededeling op inadequate wijze tot uitdrukking wordt gebracht wat het recht om te worden gehoord inhoudt, maar gesteld noch gebleken is dat de betrokkene er om die reden van heeft af gezien de officier van justitie te verzoeken te worden gehoord. Gelet daarop heeft de officier van justitie er van kunnen afzien de betrokkene naar aanleiding van het ingestelde beroep te horen.

Uitspraak

WAHV 200.169.749
18 april 2016
CJIB 180578026
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
locatie Leeuwarden

Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag
van 13 maart 2015
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats],
voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde],
kantoorhoudende te [plaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Bij het beroepschrift is verzocht om een behandeling ter zitting.

Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

De zaak is behandeld ter zitting van 4 april 2016. De betrokkene noch zijn gemachtigde is verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. C. Brontsema.

Beoordeling

Verkeersbord A1 Maximumsnelheid
Verkeersbord A1 Maximumsnelheid

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 80,- opgelegd ter zake van “overschrijding van de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom (bord A1 30 km/h) met 8 km/h”, welke gedraging zou zijn verricht op 17 maart 2014 om 16:02 uur ter hoogte van pandnummer 89 te Nieuwerbrug aan den Rijn met het voertuig met het kenteken [kenteken].

2. De gemachtigde van de betrokkene heeft in hoger beroep aangevoerd dat de gedraging niet (verwijtbaar) is verricht. Hij heeft verder verwezen naar de eerder ingediende beroepschriften. De gemachtigde heeft daarin onder meer aangevoerd dat de betrokkene ten onrechte niet is gehoord en dat de beslissing van de officier van justitie niet deugdelijk is gemotiveerd. Ook was de maximum snelheid niet duidelijk aangegeven omdat de betrokkene vanaf de richting A12 kwam en het bord bebouwde kom vanuit die richting een maximum snelheid van 50 kilometer per uur aangaf. Voor verkeer vanuit de richting van Woerden naar Bodegraven was wel duidelijk dat een maximum snelheid van 30 kilometer per uur gold. Volgens de gemachtigde is de Aanwijzing snelheidsoverschrijdingen en snelheidsbegrenzers niet nageleefd doordat de voorgeschreven minimale afstand tussen de plaats waar de maximumsnelheid in werking treedt en de meetlocatie niet in acht is genomen en de infrastructuur een hogere snelheid impliceert. De snelheidsmeting is volgens de gemachtigde zo onbetrouwbaar dat de beschikking dient te worden vernietigd.

3. De gemachtigde heeft als bezwaar tegen de beslissing van de officier van justitie aangevoerd dat de betrokkene als indiener van het administratief beroepschrift ten onrechte niet is gehoord. Volgens de gemachtigde was er geen grond om van het horen af te zien.

4. Het hof stelt vast dat de gemachtigde niet heeft verzocht de betrokkene door de officier van justitie te doen horen.

5. De gemachtigde van de advocaat-generaal heeft ter zitting van het hof gesteld dat met toepassing van het met ingang van 1 januari 2013 in werking getreden artikel 7:17, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is afgezien van het horen van de betrokkene. Zij heeft in dit verband gewezen op de volgende passage in de rechtsmiddelenverwijzing onder de beschikking waarbij de betrokkene een sanctie is opgelegd:

"Eventueel kunt u aangeven of u uw beroep telefonisch wilt toelichten (gehoord worden). Vermeld dit dan in uw brief samen met het telefoonnummer waarop u tijdens kantooruren bereikbaar bent".

Deze passage is volgens de gemachtigde van de advocaat-generaal in overleg met de officier van justitie in de rechtsmiddelenverwijzing opgenomen. De betrokkene heeft niet, in reactie hierop, verzocht te worden gehoord.

6. Ingevolge artikel 7:17, aanhef en onder d, Awb, kan van het horen van een belanghebbende worden afgezien indien de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord.

7. Gelet op hetgeen de gemachtigde van de advocaat-generaal daaromtrent ter zitting naar voren heeft gebracht, kan de in de rechtsmiddelenverwijzing opgenomen mededeling aan de officier van justitie worden toegerekend. Naar het oordeel van het hof brengt de omstandigheid dat de betrokkene reeds bij de toezending van de sanctiebeschikking en niet eerst na ontvangst van het beroepschrift door de officier van justitie wordt geïnformeerd, niet mee dat niet is voldaan aan hetgeen artikel 7:17, aanhef en onder d, van de Awb voorschrijft.

8. Weliswaar moet worden vastgesteld dat met de door de advocaat-generaal bedoelde mededeling op inadequate wijze tot uitdrukking wordt gebracht wat het recht om te worden gehoord inhoudt, maar gesteld noch gebleken is dat de betrokkene er om die reden van heeft af gezien de officier van justitie te verzoeken te worden gehoord. Gelet daarop heeft de officier van justitie er van kunnen afzien de betrokkene naar aanleiding van het ingestelde beroep te horen.

9. In aanmerking genomen hetgeen de gemachtigde in zijn administratief beroepschrift van 17 mei 2014 heeft aangevoerd is het hof van oordeel dat de beslissing van de officier van justitie deugdelijk is gemotiveerd. Het hof verwerpt het beroep in zoverre.

10. In WAHV-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

11. Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houdt de ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB onder meer het volgende in:

“De werkelijke snelheid stelde ik vast m.b.v. een voor de meting getest, geijkt en op de voorgeschreven wijze gebruikt snelheidsmeetmiddel. Gemeten (afgelezen) snelheid: 41 km per uur. Werkelijke (gecorrigeerde) snelheid: 38 km per uur. Toegestane snelheid: 30 km per uur. Overschrijding met 8 km per uur. Rijrichting van: Utrecht. Rijrichting naar: Bodegraven. De gedraging vond plaats binnen de bebouwde kom.”

12. Het dossier bevat foto’s van de gedraging en een aanvullend proces-verbaal d.d. 28 september 2015. Daaruit blijkt dat het voertuig waarmee de gedraging is verricht aan de voorzijde is gefotografeerd. De verbalisant heeft verklaard dat de snelheidscontrole is verricht vanuit een in de rijrichting op de Hoge Rijndijk geparkeerde radarauto en dat de voertuigen werden gefotografeerd door de (donkere) achterruit van die auto.

"Dat houdt in dat alle voertuigen die Nieuwerbrug vanuit de richting Woerden (Barwoutswaarder) langs de Rijn binnenrijden aan de voorzijde worden gefotografeerd."

De verbalisant heeft verklaard dat vanuit de richting Woerden onder het bord bebouwde kom een bord is geplaatst waarop als maximum snelheid 30 kilometer per uur is vermeld. Hij heeft bij het proces-verbaal een foto gevoegd waarop beide borden te zien zijn.

De verbalisant verklaart dat de infrastructuur op de Hoge Rijndijk een maximum snelheid van 30 kilometer per uur rechtvaardigt omdat de weg smal is, er bloembakken zijn geplaatst en de wegas verspringt. Tegenliggers kunnen elkaar slechts passeren als een van beide stopt. De in de Aanwijzing snelheidsoverschrijdingen en snelheidsbegrenzers voorgeschreven minimale afstand van 83 (het hof leest: 80) meter tussen de plaats van het bord A1 (30) en de meetlocatie is volgens de verbalisant ruimschoots in acht genomen nu de meetlocatie zich op een afstand van ongeveer 200 meter van het bord bevond.

13. Het hof leidt uit het voorgaande af dat het voertuig van de betrokkene vanuit de richting Woerden via de Hoge Rijndijk Nieuwerbrug is binnengereden. Voor de bestuurder kon derhalve, gelet op de bebording, duidelijk zijn dat op de plaats waar de meting is verricht een maximum snelheid van 30 kilometer per uur gold. De gemachtigde heeft zulks ook erkend. De stelling van de gemachtigde dat de Aanwijzing snelheidsoverschrijdingen en snelheidsbegrenzers, voor wat betreft de afstand tussen gebod en meetlocatie, niet in acht is genomen mist, gelet op de niet weersproken verklaring van de verbalisant, feitelijke grondslag. Uit vaste jurisprudentie van het hof (onder meer in het arrest van 22 maart 2006, ECLI:NL:GHLEE:2006:AW1929) volgt voorts dat niet de inrichting van de weg doch de aanwezige bebording bepalend is voor de geldende maximumsnelheid. Het hof verwerpt de stelling van de gemachtigde dat de meting onbetrouwbaar is, nu hij deze stelling niet heeft onderbouwd door middel van concrete feiten of omstandigheden die in het onderhavige geval van toepassing zijn.

Nu de gemachtigde niet bestrijdt dat de betrokkene op de meetlocatie met de door de verbalisant gemeten snelheid heeft gereden en uit het dossier niet anderszins blijkt, stelt het hof vast dat de gedraging is verricht.

14. Voor zover de gemachtigde heeft gesteld dat artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is geschonden doordat in de beschikking is vermeld dat met het voertuig van de betrokkene een verkeersovertreding is begaan en de betrokkene niet onverwijld op de hoogte is gesteld van het verwijt dat hem wordt gemaakt, overweegt het hof het volgende.

15. De onderhavige beschikking is ingevolge artikel 5 van de WAHV aan de kentekenhouder van het voertuig opgelegd. In aanmerking genomen dat de verbalisant in voormeld aanvullend proces-verbaal heeft verklaard dat de omstandigheden tijdens de snelheidscontrole staande houding van voertuigen niet toelieten, is het hof van oordeel dat de verbalisant geen reële mogelijkheid heeft gehad het voertuig staande te houden en dat de beschikking terecht aan de kentekenhouder van het voertuig is opgelegd.

16. Uit het dossier blijkt dat de betrokkene bij beschikking van 16 april 2014 op de hoogte is gesteld van de onderhavige gedraging en van de mogelijkheid om daartegen beroep in te stellen bij de officier van justitie. De bekendmaking is derhalve geschied binnen de termijn die daarvoor in artikel 4, tweede lid, van de WAHV is gesteld.

17. Anders dan de kantonrechter heeft geoordeeld volgt uit de autonome uitleg van de term ‘criminal charge’ door het Europees hof voor de rechten van de mens (EHRM) dat de waarborgen van artikel 6 van het EVRM ook van toepassing zijn op administratieve sancties zoals de onderhavige. Volgens vaste rechtspraak van het EHRM hoeven in het geval van minder ingrijpende administratieve sancties wegens lichte verkeersovertredingen niet zonder meer alle waarborgen ten volle te gelden (zie onder meer EHRM 23 november 2006, nr. 73053/01, Jussila v. Finland).

De Hoge Raad heeft in het arrest van 15 juli 1993 (NJ 1994,177) artikel 5 van de WAHV als volgt uitgelegd. Bij de oplegging van een administratieve sanctie op de voet van die bepaling aan de kentekenhouder wordt aan deze niet een gedraging als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de WAHV verweten. Mitsdien komt op de kentekenhouder slechts de last te rusten het bedrag van de opgelegde administratieve sanctie te voldoen voor degene die zich heeft schuldig gemaakt aan de desbetreffende gedraging, om dat bedrag vervolgens desgewenst op deze te verhalen. Laat de kentekenhouder na de daartoe geëigende maatregelen te nemen – waaronder begrepen de aanwending van hem ten dienste staande burgerrechtelijke mogelijkheden – dan neemt hij het risico in dat verhaal niet te zullen slagen.

Het EHRM heeft bij uitspraak van 19 oktober 2004 (nr. 66273/01, VR 2005,1), in overeenstemming met voormeld arrest van de Hoge Raad van 15 juli 1993, bepaald dat de kentekenaansprakelijkheid van artikel 5 van de WAHV niet onverenigbaar is met artikel 6§2 van het EVRM en geen schending van de onschuldpresumptie inhoudt.

De enkele omstandigheid dat in de beschikking is vermeld dat een “overtreding” is begaan vormt, gelet op het hiervoor overwogene, geen schending van de onschuldpresumptie, te meer niet nu de betrokkene in de beschikking is gewezen op de hem ten dienste staande rechtsmiddelen.

18. Gelet op het hiervoor overwogene zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen, zij het met verbetering van gronden.

19. Voor wat betreft de toekenning van proceskosten wijst het hof op zijn arrest van heden in de samenhangende zaak WAHV 200.169.747.

Beslissing

Het gerechtshof:

  • bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Zomer als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

2 gedachten over “ECLI:NL:GHARL:2016:3027”

  1. In het arrest van 6 maart 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:1777, wordt ook verwezen naar onderhavig arrest.

    5. Gelijk het hof in zijn arrest van 18 april 2016 (gepubliceerd op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2016:3027) heeft overwogen, kan voormelde mededeling aan de officier van justitie worden toegerekend en brengt de omstandigheid dat de betrokkene reeds bij de toezending van de sanctiebeschikking en niet eerst na ontvangst van het beroepschrift door de officier van justitie wordt geïnformeerd, niet mee dat niet wordt voldaan aan hetgeen artikel 7:17, aanhef en onder d, Awb voorschrijft. Weliswaar moet worden vastgesteld dat met de mededeling op inadequate wijze tot uitdrukking wordt gebracht wat het recht om te worden gehoord inhoudt, maar gesteld noch gebleken is dat de betrokkene er om die reden van heeft af gezien de officier van justitie te verzoeken te worden gehoord. Gelet daarop heeft de officier van justitie er van kunnen afzien de betrokkene naar aanleiding van het ingestelde beroep te horen. De stelling van de gemachtigde dat de officier van justitie niet heeft voldaan aan de hoorplicht, gaat dus niet op.

    De betrokkene had in het administratief beroepschrift niet aangegeven dat hij wenste te worden gehoord door de officier van justitie. Ingevolge artikel 7, tweede lid, van de WAHV juncto artikel 7:16 van de Awb moet de officier van justitie de indiener van het administratief beroep in de gelegenheid stellen te worden gehoord. Ingevolge artikel 7:17, aanhef en onder d, Awb, kan van het horen worden afgezien indien de betrokkene niet (binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn) verklaart dat hij wenst te worden gehoord door de officier van justitie.

  2. In het arrest van 3 maart 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:1777, wordt verwezen naar onderhavig arrest.

    7. Het hof heeft eerder geoordeeld dat de hiervoor onder 4. vermelde tekst op de inleidende beschikking weliswaar op inadequate wijze tot uitdrukking brengt wat het recht om te worden gehoord inhoudt, maar dat de officier van justitie niettemin op de in artikel 7:17, aanhef en onder d, Awb vermelde grond van het horen kan afzien wanneer niet gebleken is dat een betrokkene vanwege deze gebrekkige uitleg op de inleidende beschikking ervan heeft afgezien om te verzoeken te worden gehoord (vgl. het arrest van het hof van 18 april 2016, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats: ECLI:NL:GHARL:2016:3027).

    In deze zaak was er door de betrokkene van afgezien gebruik te maken van de geboden mogelijkheid om telefonisch te worden gehoord. De betrokkene wenste in persoon te worden gehoord. Gelet op de wetsgeschiedenis van de Awb moet worden vastgesteld dat telefonisch horen in beginsel geen volwaardig alternatief is voor een hoorzitting. Er was niet gebleken dat de officier van justitie met de betrokkene tot overeenstemming was gekomen over telefonisch horen ter vervanging van de wettelijk voorgeschreven hoorzitting. Gelet hierop kan aan de omstandigheid dat de betrokkene niet heeft verzocht om te worden gehoord, niet de betekenis toekomen dat de officier van justitie op de voet van artikel 7:17, aanhef en onder d, Awb ervan heeft kunnen afzien de betrokkene (in persoon) te horen.
    Nu de in administratief beroep aangevoerde bezwaren niet als kennelijk ongegrond konden worden aangemerkt – de officier van justitie heeft deze ook niet als zodanig beschouwd – moest de beslissing van de officier van justitie worden vernietigd.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *