ECLI:NL:GHARL:2016:2687

Uit artikel 40 WVW volgt dat een kenteken zodanig op een voertuig moet zijn bevestigd, dat het behoorlijk zichtbaar is. Een op zichzelf zichtbare kentekenplaat betekent niet per definitie dat sprake is van een behoorlijk zichtbaar kenteken in de zin van deze bepaling. Als nadere uitwerking van artikel 40 WVW schrijft de Regeling kentekens en kentekenplaten onder meer voor dat op motorrijtuigen de kentekenplaat in beginsel loodrecht en in verticale stand op het mediaanvlak van het voertuig wordt aangebracht. Verder moet het kenteken op de aan de achterzijde aangebrachte kentekenplaat van achteren zichtbaar zijn. Nu het kenteken vrijwel in horizontale stand op de achterzijde van de motor was aangebracht, is aan deze vereisten niet voldaan. Naar het oordeel van het hof kan niet worden gesproken van een behoorlijk zichtbaar kenteken. De Regeling Voertuigen ziet met name op gevallen waarin een kenteken, hoewel op de juiste wijze aan het voertuig bevestigd, niet goed leesbaar is.

Uitspraak

WAHV 200.151.973
5 april 2016
CJIB 161655535

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
locatie Leeuwarden

Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Limburg
van 22 mei 2014
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats],
voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde],
kantoorhoudend te [plaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard. Voorts heeft de kantonrechter het verzoek van de betrokkene tot vergoeding van kosten afgewezen.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 120,- opgelegd ter zake van “het kenteken is niet behoorlijk zichtbaar aanwezig op of aan het motorrijtuig” (feitcode K030a), welke gedraging zou zijn verricht op 14 maart 2012 om 19:55 uur op de Waarderweg te Montfort met het voertuig met het kenteken [kenteken].

2. De gemachtigde van de betrokkene betwist in hoger beroep dat de gedraging is verricht. Aan de betrokkene is een sanctie opgelegd wegens het niet behoorlijk zichtbaar zijn van het kenteken, terwijl er volgens de gemachtigde in feite sprake was van een niet goed leesbaar kenteken (feitcode N010d). Nu het verschillende gedragingen betreft die afzonderlijk strafbaar zijn gesteld, betoogt de gemachtigde dat de kantonrechter beslissing van de officier van justitie en de sanctiebeschikking niet in stand had mogen laten.

3. De gedraging waarvoor de sanctie is opgelegd is opgenomen in artikel 40 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW). Deze bepaling luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“1. Het kenteken dient behoorlijk zichtbaar op of aan het motorrijtuig of de aanhangwagen aanwezig te zijn.
 2. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels vastgesteld omtrent de inrichting, het aanbrengen en de verlichting van het kenteken en worden regels vastgesteld omtrent de kentekenplaat (...)
 3. Bij ministeriële regeling worden nadere regels vastgesteld ter uitvoering van het bepaalde krachtens het tweede lid.”

4. Het op artikel 40, derde lid WVW gebaseerde artikel 7 van de Regeling kentekens en kentekenplaten houdt onder meer het volgende in:

“2. Bij motorrijtuigen op twee of drie wielen (…) moet de kentekenplaat zijn aangebracht aan de achterzijde van het motorrijtuig op de daartoe bestemde plaats. (…)

6. De kentekenplaat moet loodrecht op het verticale mediaanvlak van het voertuig zijn aangebracht en zich in verticale stand bevinden, met een tolerantie van 5%. (…)

7. (…) het kenteken dat aan de achterzijde is aangebracht, moet van achteren zichtbaar zijn”.

5. De ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB houdt, naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, onder meer het volgende in:

“Het betrof de kentekenplaat aan de achterzijde. De kentekenplaat was bijna horizontaal op het achterspatbord gemonteerd. Hierdoor was het kenteken volstrekt onleesbaar bij bijvoorbeeld een snelheidscontrole.”

6. Uit de bewoordingen van artikel 40 WVW volgt dat een kenteken zodanig op een voertuig moet zijn bevestigd, dat het behoorlijk zichtbaar is. Een op zichzelf zichtbare kentekenplaat betekent niet per definitie dat sprake is van een behoorlijk zichtbaar kenteken in de zin van deze bepaling. Als nadere uitwerking van artikel 40 WVW schrijft de Regeling kentekens en kentekenplaten onder meer voor dat de kentekenplaat in beginsel loodrecht en in verticale stand op het mediaanvlak van het voertuig wordt aangebracht. Verder moet het kenteken op de aan de achterzijde aangebrachte kentekenplaat van achteren zichtbaar zijn. Nu het kenteken in vrijwel horizontale stand op de achterzijde van de motor van de betrokkene was aangebracht, is aan deze vereisten niet voldaan. Er kan naar het oordeel van het hof dan ook niet worden gesproken van een behoorlijk zichtbaar kenteken.

7. Volgens de gemachtigde had een sanctie moeten worden opgelegd op basis van een bepaling opgenomen in artikel 5.4.1 van de Regeling Voertuigen (RV).
Deze bepaling luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“Het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaat mag niet zijn afgeschermd.”

8. Voornoemde bepaling is opgenomen in het vijfde hoofdstuk van de RV.
Dit hoofdstuk bevat permanente eisen die in Nederland aan voertuigen worden gesteld.
De aangehaalde bepaling ziet, gelet op de bewoordingen ervan, met name op gevallen waarin een kenteken, hoewel op de juiste wijze aan het voertuig bevestigd, niet goed leesbaar is. Dat het kenteken in de onderhavige zaak – doordat het op onjuiste wijze was aangebracht –
niet alleen niet behoorlijk zichtbaar maar daarnaast ook niet goed leesbaar was, maakt niet dat de op artikel 40 WVW gebaseerde sanctie ten onrechte aan de betrokkene is opgelegd.

9. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen slaagt het betoog van de gemachtigde niet. De kantonrechter heeft het beroep terecht ongegrond verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom bevestigen.

10. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het hof het verzoek tot vergoeding van kosten afwijzen.

Beslissing

Het gerechtshof:

  • bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
  • wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. Huizenga als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *