ECLI:NL:GHARL:2016:2347

In lijn met het bepaalde in artikel 5 van de WAHV is de sanctiebeschikking aan deze rechtspersoon opgelegd. De kennelijk door de kantonrechter toegepaste redenering dat bij oplegging van een beschikking aan een rechtspersoon te allen tijde moet worden vermeld welke rechtsvorm de rechtspersoon bezit, vindt geen steun in het recht. Om die reden kan de beslissing van de kantonrechter niet in stand blijven. Het hof zal deze beslissing daarom vernietigen en het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.
Gelet op de verklaring van de verbalisant, die geen gehandicaptenparkeerkaart heeft waargenomen, acht het hof aannemelijk dat er in het voertuig niet duidelijk zichtbaar een gehandicaptenparkeerkaart was aangebracht. Nu deze kaart – hoewel niet duidelijk zichtbaar – in de auto aanwezig was, ziet het hof aanleiding om het bedrag van de sanctie te matigen. Het hof is namelijk van oordeel dat de ernst van het verwijt dat de betrokkene kan worden gemaakt minder zwaar is dan in gevallen waarin zonder een geldige gehandicaptenparkeerkaart wordt geparkeerd op een gehandicaptenparkeerplaats.

Uitspraak

WAHV 200.169.664
22 maart 2016
CJIB 169796141
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
locatie Leeuwarden

Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank [plaats 1]
van 28 januari 2015
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
gevestigd te [plaats 1],
vertegenwoordigd door [gemachtigde].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing gegrond verklaard en de inleidende beschikking vernietigd.

Het procesverloop

De officier van justitie heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 360,- opgelegd ter zake van “parkeren op gehandicaptenparkeerplaats zonder duidelijk zichtbare geldige gehandicaptenparkeerkaart”, welke gedraging zou zijn verricht op 9 februari 2013 om 14:30 uur op de [straat] te [plaats 2] met het voertuig met het kenteken [kenteken].

2. De kantonrechter heeft opgemerkt dat de initiële beschikking gericht is aan [betrokkene] . De toevoeging ‘V.O.F.’ is niet in de adressering opgenomen. Daarom is de beschikking volgens de kantonrechter niet aan een rechtspersoon of aan een natuurlijke persoon opgelegd. De kantonrechter heeft geoordeeld dat dit moet leiden tot vernietiging van de beslissing van de officier van justitie en van de initiële beschikking.

3. De officier van justitie voert in hoger beroep aan dat het voornoemde voertuig blijkens het kentekenregister ten tijde van de gedraging op naam stond van de rechtspersoon [betrokkene] . De beschikking is volgens de officier van justitie terecht aan deze rechtspersoon opgelegd en correct aan hem geadresseerd. Ter onderbouwing is een uitdraai uit het kentekenregister bij het beroepschrift gevoegd. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de kantonrechter het beroep ten onrechte gegrond heeft verklaard.

4. Het hof overweegt dat ingevolge artikel 5 van de WAHV, indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, de administratieve sanctie wordt opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven.

5. Uit de door de officier van justitie overgelegde afdruk uit het kentekenregister blijkt dat het voertuig ten tijde van de gedraging op naam stond van [betrokkene].

In lijn met het bepaalde in artikel 5 van de WAHV is de sanctiebeschikking aan deze rechtspersoon opgelegd. De kennelijk door de kantonrechter toegepaste redenering dat bij oplegging van een beschikking aan een rechtspersoon te allen tijde moet worden vermeld welke rechtsvorm de rechtspersoon bezit, vindt geen steun in het recht. Om die reden kan de beslissing van de kantonrechter niet in stand blijven. Het hof zal deze beslissing daarom vernietigen en het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.

6. [gemachtigde], die in deze procedure als vertegenwoordiger van de betrokkene optreedt, betwist niet dat hij het voertuig op de dag van de gedraging op een gehandicaptenparkeerplaats heeft neergezet. Hij voert echter aan dat zijn zuster, die op die dag als passagier met hem was meegereden, over een geldige gehandicaptenparkeerkaart beschikt. De parkeerkaart van de passagier was volgens [gemachtigde] op het dashboard neergelegd. Hij vermoedt dat de kaart bij het sluiten van het portier op de vloer of op een stoel is gevallen, waardoor de kaart niet meer zichtbaar was voor de verbalisant.

7. De betreffende gedraging is een overtreding van artikel 26, aanhef en onder b, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990):

“Op een gehandicaptenparkeerplaats mag slechts worden geparkeerd:

a. (…);

b. een motorvoertuig op meer dan twee wielen waarin een geldige gehandicaptenparkeerkaart duidelijk zichtbaar is aangebracht, indien het parkeren rechtstreeks verband houdt met het vervoer van de gehandicapte aan wie de kaart is verstrekt, dan wel met het vervoer van een of meerdere personen die in een instelling verblijven, indien de kaart aan het bestuur van die instelling is verstrekt;

c. (…)”

8. Artikel 4 van de Regeling gehandicaptenparkeerkaart houdt het volgende in:

“1. De gehandicaptenparkeerkaart moet op zodanige wijze bij de voorruit worden aangebracht, dat de voorzijde ervan buiten het voertuig behoorlijk leesbaar is. (...)”

9. Dat het voertuig van de betrokkene geparkeerd stond op een gehandicaptenparkeerplaats staat niet ter discussie. Voor de vraag of de onderhavige gedraging is verricht, is – gelet op artikel 26 RVV 1990 – van belang of er een geldige gehandicaptenparkeerkaart duidelijk zichtbaar in het voertuig was aangebracht.

Onder ‘duidelijk zichtbaar’ moet worden verstaan dat de gehandicaptenparkeerkaart van buiten het voertuig behoorlijk leesbaar dient te zijn, zoals in de Regeling gehandicaptenparkeerkaart is omschreven. Gelet op de verklaring van de verbalisant, die geen gehandicaptenparkeerkaart heeft waargenomen, acht het hof aannemelijk dat er in het voertuig niet duidelijk zichtbaar een gehandicaptenparkeerkaart was aangebracht.

Daarmee staat vast dat de gedraging is verricht en dat daarvoor terecht een sanctie is opgelegd aan de betrokkene.

10. Het hof zal beoordelen of er redenen zijn om het bedrag van de sanctie te matigen. Het hof ziet geen aanleiding te twijfelen aan de lezing van de vertegenwoordiger van de betrokkene dat hij zijn zuster vervoerde, die over een geldige gehandicaptenparkeerkaart voor passagiers beschikte en deze in het voertuig had achtergelaten. Nu deze kaart – hoewel niet duidelijk zichtbaar – in de auto aanwezig was, ziet het hof aanleiding om het bedrag van de sanctie te matigen. Het hof is namelijk van oordeel dat de ernst van het verwijt dat de betrokkene kan worden gemaakt minder zwaar is dan in gevallen waarin zonder een geldige gehandicaptenparkeerkaart wordt geparkeerd op een gehandicaptenparkeerplaats.

11. Het voorgaande brengt mee dat het hof de beslissing van de kantonrechter zal vernietigen, het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond zal verklaren en het bedrag van de sanctie in de inleidende beschikking en in de beslissing van de officier van justitie zal wijzigen. In aanmerking nemend, dat de officier van justitie louter hoger beroep heeft ingesteld in verband met de vernietiging door de kantonrechter van de inleidende beschikking op grond van een onjuist oordeel over de tenaamstelling van het voertuig, ter zitting heeft verzocht het sanctiebedrag te matigen tot € 30,- en dit tevens aan het hof heeft verzocht, zal het hof het sanctiebedrag niet halveren zoals in eerdere gevallen, maar in dit geval op grond van deze bijzondere omstandigheden matigen zoals door de officier van justitie verzocht

12. Niet gebleken is van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

Het gerechtshof:

  • vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
  • verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie d.d. 21 oktober 2013 gedeeltelijk gegrond;
  • wijzigt voornoemde beslissing van de officier van justitie alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nummer 169796141 de administratieve sanctie is opgelegd, in zoverre dat het bedrag van de sanctie wordt vastgesteld op € 30,-.

Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. Huizenga als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *