ECLI:NL:GHARL:2016:230

Uit de verklaring van de verbalisant, dat 1 koplamp van de personenauto die de betrokkene bestuurder defect was, volgt dat die personenauto niet was voorzien van 2 goed werkende dimlichten. Het hof ziet geen aanleiding om aan die verklaring van de verbalisant te twijfelen. Hetgeen de betrokkene daar tegenover heeft gesteld, houdt niet meer in dan een enkele ontkenning dat de verlichting niet naar behoren functioneerde en de stelling dat de verbalisant liegt. Dat is onvoldoende om deze verklaring van de verbalisant als ongeloofwaardig terzijde te stellen. Voorop staat dat de betrokkene verantwoordelijk was voor een deugdelijke verlichting van de personenauto. Indien de vereiste verlichting tijdens het rijden ‘minder is geworden’, is dat een omstandigheid die voor eigen rekening en risico komt. Een situatie van overmacht levert dit niet op. Ook al zou worden aangenomen dat de verbalisant niet de mogelijkheid heeft geboden om het gebleken defect te herstellen alvorens de sanctie op te leggen, levert dat niet een omstandigheid op die tot het achterwege laten of matigen van de sanctie moet leiden. Het is de discretionaire bevoegdheid van de verbalisant om in concrete gevallen naar aanleiding van een gebleken gedraging een sanctie op te leggen of daarvan af te zien.

Uitspraak

WAHV 200.152.663
15 januari 2016
CJIB 164182765

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
locatie Leeuwarden

Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant
van 28 mei 2014
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 85,- opgelegd ter zake van “als bestuurder van een voertuig rijden, terwijl de dimlichten niet aan de eisen voldoen” (feitcode N560), welke gedraging zou zijn verricht op 25 juni 2012 om 10.40 uur op de N277 te Reek, met het voertuig met het kenteken [kenteken].

2. De betrokkene bestrijdt dat deze gedraging is verricht. Hij voert aan dat de verbalisant – een leerling agent – op drie punten liegt. Ten eerste was het de dag van de vermeende gedraging prima weer. Daarnaast was het betreffende lampje niet kapot. De verbalisant heeft helemaal niet naar het lampje gekeken, omdat hij druk bezig was de bekeuring uit te schrijven. Ten derde heeft de verbalisant de betrokkene geen kans gegeven om het lampje te vervangen. Volgens de betrokkene heeft de kantonrechter de verbalisant blindelings gevolgd in diens verklaring. De betrokkene meent verder dat de sanctie onterecht is, omdat een lampje altijd minder kan worden onder het rijden en er sprake kan zijn van overmacht.

3. In WAHV-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

4. Anders dan de betrokkene kennelijk meent, is het niet zo dat de verbalisant altijd in het gelijk wordt gesteld en op zijn woord wordt geloofd. Als de verklaring van de verbalisant voor juist wordt gehouden, is diens verklaring een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Of de verklaring van de verbalisant voor juist wordt gehouden is ervan afhankelijk of de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring dan wel uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken. De betrokkene hoeft dus niet het bewijs van zijn onschuld te leveren, maar van de betrokkene mag wel worden verwacht dat hij door middel van concrete feiten en omstandigheden een begin van twijfel aan de juistheid van de verklaring van de verbalisant aandraagt.

5. Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houdt de ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB onder meer het volgende in:

“Bij slecht weer geen goed werkende koplamp/koplamp kapot.”

6. Daarnaast bevindt zich in het dossier het aanvullend proces-verbaal d.d. 7 januari 2014, waarin de verbalisant nog het volgende verklaard, voor zover van belang:

“Op 25-06-2012 omstreeks 10:00 uur was ik (…) bezig met een algemene verkeerscontrole. Deze verkeerscontrole was ingericht voor een examen verkeer. Hierbij werd ik beoordeeld door een externe examinator over mijn kennis en handelingen bij een verkeerscontrole.
 Op (…) de dag van mijn examen was het erg bewolkt, slecht weer en was er zelfs sprake van hagel. De omstandigheden waren dermate slecht dat het examen in eerste instantie zelfs afgezegd zou worden.
 Omstreeks 10:30 uur controleerde ik een voertuig met kenteken [kenteken]. Ik zag dat een koplamp kapot was en dat deze in zijn geheel niet brandde. De andere koplamp deed het daarentegen wel en brandde naar behoren.
 Gezien bovengenoemde weersomstandigheden en de verkeersovertreding heb ik betrokkene [betrokkene] de kans gegeven om zijn koplamp te doen vervangen en zodoende de overtreding te laten stoppen. De [betrokkene] kon dit niet.
 In het verweer van de [betrokkene] is te lezen dat hij spreekt over een zwak brandende koplamp. Dit was niet het geval, de lamp was geheel kapot.”

7. Het bepaalde in artikel 5.2.51, eerste lid, aanhef en onder b., van de Regeling voertuigen (RV), in samenhang met het bepaalde in artikel 5.2.55, eerste lid, RV houdt in – voor zover van belang – dat personenauto’s moeten zijn voorzien van 2 goed werkende dimlichten.

8. Het hof stelt vast dat het voertuig met het door de verbalisant genoemde kenteken – blijkens het openbare, via internet te raadplegen kentekenregister van de Rijksdienst voor het wegverkeer – een personenauto betreft, die derhalve van 2 goed werkende dimlichten moet zijn voorzien.

9. Voor de beantwoording van de vraag of de gedraging is verricht, is slechts van belang of de personenauto die de betrokkene bestuurde op het pleegtijdstip was voorzien van 2 goed werkende dimlichten. Of de weersomstandigheden op dat moment zodanig waren dat de dimlichten ook daadwerkelijk gevoerd moesten worden, is in zoverre niet relevant. Het hof zal daarom voorbijgaan aan hetgeen hieromtrent door de verbalisant is verklaard en door de betrokkene is aangevoerd.

10. Uit de verklaring van de verbalisant, dat 1 koplamp van de personenauto die de betrokkene bestuurder defect was, volgt dat die personenauto niet was voorzien van 2 goed werkende dimlichten. Het hof ziet geen aanleiding om aan die verklaring van de verbalisant te twijfelen. Hetgeen de betrokkene daar tegenover heeft gesteld, houdt niet meer in dan een enkele ontkenning dat de verlichting niet naar behoren functioneerde en de stelling dat de verbalisant liegt. Dat is onvoldoende om deze verklaring van de verbalisant als ongeloofwaardig terzijde te stellen.

11. Nu de betrokkene, anders dan de ontkenning dat hij de hem verweten gedraging heeft verricht, geen voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert die aanleiding geven te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant, noch uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken, is naar de overtuiging van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht.

12. Vervolgens dient het hof te beoordelen of er andere redenen zijn een sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen. Voorop staat dat de betrokkene, als de bestuurder van een personenauto, verantwoordelijk was voor een deugdelijke verlichting van de door hem bestuurde personenauto. Indien de vereiste verlichting tijdens het rijden ‘minder is geworden’, zoals de betrokkene heeft gesuggereerd, is dat een omstandigheid die voor eigen rekening en risico komt. Een situatie van overmacht levert dit niet op; daarvoor is tenminste vereist dat feiten of omstandigheden worden aangevoerd op grond waarvan aannemelijk kan worden dat de betrokkene onder de gegeven omstandigheden niet anders heeft kunnen handelen dan hij heeft gedaan. Aan die eis heeft de betrokkene niet voldaan.

13. Ook als – in afwijking van de verklaring van de verbalisant – zou worden aangenomen dat de verbalisant de betrokkene niet de mogelijkheid heeft geboden om het gebleken defect te herstellen alvorens de sanctie op te leggen, levert dat niet een omstandigheid op die tot het achterwege laten of matigen van de sanctie moet leiden. Het is de discretionaire bevoegdheid van de verbalisant om in concrete gevallen naar aanleiding van een gebleken gedraging een sanctie op te leggen of daarvan af te zien. Dat in andere gevallen wellicht zou worden volstaan met een waarschuwing, of alvorens een sanctie op te leggen de mogelijkheid zou worden geboden het dimlicht te repareren, betekent niet dat de betrokkene in dit geval, waarin vaststaat dat de gedraging is verricht, van een sanctie gevrijwaard zou moeten blijven.

14. Het hof is derhalve van oordeel dat er geen aanleiding bestaat de sanctie achterwege te laten of te matigen.

15. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

Beslissing

Het gerechtshof:

  • bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. Verdoorn als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *