ECLI:NL:GHARL:2016:2144

De betrokkene voert – met betrekking tot de zekerheidstelling – aan dat hij op 10 november een mededeling heeft gedaan, dat hij wegens betalingsonmacht geen zekerheid kan stellen. De betrokkene ontvang een AOW-uitkering waarop elke maand € 154,- wordt ingehouden. Op dit schrijven heeft de betrokkene geen reactie ontvangen. Gelet op voormelde zekerheidsbrieven had de betrokkene uiterlijk op 7 november zekerheid moeten stellen. Nu de betrokkene eerst na het verstrijken van deze termijn, bij brief van 10 november, heeft gereageerd op de verplichting tot zekerheidstelling, heeft de kantonrechter op deze brief geen acht hoeven slaan. Dit neemt niet weg dat de kantonrechter, in de bestreden beslissing, erop had moeten wijzen dat, nu de brief van 10 november na het verstrijken van de termijn is ingediend, niet een draagkrachtverweer is gevoerd waarmee hij rekening diende te houden.

Uitspraak

WAHV 200.169.894
16 maart 2016
CJIB 181912464
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
locatie Leeuwarden

Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland
van 10 april 2015
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing niet-ontvankelijk verklaard.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

Daarbij is verzocht om een behandeling ter zitting.

De advocaat-generaal heeft een reactie gegeven op de nadere toelichting op het beroep.

De zaak is behandeld ter zitting van 2 maart 2016. De betrokkene is, met kennisgeving, niet verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. M.F. Alting.

Beoordeling

1. In hoger beroep is niet bestreden dat de betrokkene niet binnen de in artikel 11, derde lid, van de WAHV gestelde termijn zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de opgelegde administratieve sanctie en de administratiekosten en evenmin dat de betrokkene niet binnen een nader gestelde termijn dit verzuim heeft hersteld.

2. De betrokkene voert – met betrekking tot de zekerheidstelling – aan dat hij op 10 november 2014 een mededeling heeft gedaan, dat hij wegens betalingsonmacht geen zekerheid kan stellen. De betrokkene ontvang een AOW-uitkering waarop elke maand € 154,- wordt ingehouden. Op dit schrijven heeft de betrokkene geen reactie ontvangen.

3. In het dossier bevinden zich twee afschriften van brieven van de officier van justitie aan de betrokkene van 7 oktober 2014 en 24 oktober 2014. Hierin wordt de betrokkene gewezen op de wettelijke verplichting om op grond van artikel 11 van de WAHV zekerheid te stellen voor het bedrag van de onderhavige sanctie en de administratiekosten (in deze zaak in totaal € 147,-) binnen twee weken na verzending van die zekerheidsbrieven. De brieven zijn geadresseerd aan het door de betrokkene in zijn beroepschrift bij de kantonrechter opgegeven adres. In deze brieven staat duidelijk vermeld hoe zekerheid kan worden gesteld. Tevens wordt de betrokkene gewezen op de mogelijke gevolgen wanneer niet tijdig zekerheid wordt gesteld.

4. Gelet op voormelde zekerheidsbrieven had de betrokkene uiterlijk op 7 november 2014 zekerheid moeten stellen. Nu de betrokkene eerst na het verstrijken van deze termijn, bij brief van 10 november 2014, heeft gereageerd op de verplichting tot zekerheidstelling, heeft de kantonrechter op deze brief geen acht hoeven slaan.

5. Aangezien de betrokkene niet binnen de daartoe gestelde termijn heeft voldaan aan de verplichting tot zekerheidstelling en evenmin in reactie op de toegezonden brieven tijdig heeft aangegeven dat hij wegens onvoldoende financiële draagkracht geen zekerheid kon stellen en niet gesteld of gebleken is dat een en ander verschoonbaar is, heeft de kantonrechter terecht het beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard.

6. Dit neemt niet weg dat de kantonrechter, in de bestreden beslissing, erop had moeten wijzen dat, nu de brief van 10 november 2014 na het verstrijken van de termijn is ingediend, niet een draagkrachtverweer is gevoerd waarmee hij rekening diende te houden.

7. Het hof zal de bestreden beslissing daarom bevestigen met verbetering van gronden en kan dus, net als de kantonrechter, niet toekomen aan een beoordeling van de bezwaren van de betrokkene tegen de opgelegde sanctie.

8. Niet gebleken is van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

Het gerechtshof:

  • bevestigt, met verbetering van gronden, de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Dörholt als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *