ECLI:NL:GHARL:2016:1558

Het hof heeft reeds eerder uitgemaakt dat de WAHV geen gevolgen verbindt aan het niet voorafgaand aan de zitting verstrekken van door de kantonrechter verlangde informatie. De WAHV kent geen bepaling -zoals artikel 8:58 Awb- met betrekking tot het tijdstip dat nog aanvullende stukken kunnen worden ingediend bij de kantonrechter. Behandeling van een zaak ter zitting van de kantonrechter in het kader van de WAHV heeft onder meer tot doel om partijen in de gelegenheid te stellen te reageren op de in het dossier aanwezige stukken.
De officier van justitie heeft om een aanvullend proces-verbaal verzocht, maar de verbalisant heeft geen aanvullend proces-verbaal opgemaakt over de bebording ter plaatse ten tijde van de gedraging. Het hof deelt niet het standpunt van de officier van justitie dat het niet responderen op een verzoek om aanvullende informatie niet kan leiden tot de conclusie dat de verklaring van de verbalisant onvoldoende is om vast te stellen dat de gedraging is begaan. Gelet op het proces-verbaal van de zitting is voor de kantonrechter leidend geweest, dat de door hem noodzakelijk geachte informatie niet werd verstrekt. Nu op basis van hetgeen de betrokkene heeft aangevoerd twijfel bestond aan de ambtsedige verklaring over de aanwezigheid van de bebording en de verbalisant deze twijfel niet heeft weggenomen door middel van een aanvullend proces-verbaal, heeft de kantonrechter naar het oordeel van het hof aanleiding kunnen zien het beroep gegrond te verklaren.

Uitspraak

WAHV 200.159.615
29 februari 2016
CJIB 168965409
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
locatie Leeuwarden

Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag
van 30 september 2014
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing gegrond verklaard en de inleidende beschikking vernietigd.

Het procesverloop

De officier van justitie heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

Verkeersbord E1 Parkeerverbod
Verkeersbord E1 Parkeerverbod

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 90,- opgelegd ter zake van “parkeren in strijd met parkeerverbod / parkeersverbodszone (bord E1)”, welke gedraging zou zijn verricht op 7 januari 2013 om 10.51 uur op de [straat] te [woonplaats] met het voertuig met het kenteken [kenteken].

2. De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard. Hiertoe heeft de kantonrechter overwogen dat de officier van justitie ter zitting van 6 juni 2014 in de gelegenheid werd gesteld een nader proces-verbaal op te (laten) maken ten aanzien van de verkeerssituatie op de [straat] te [woonplaats]. De officier van justitie heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt, zodat het beroep van de betrokkene gegrond is verklaard.

3. De officier van justitie kan zich met de door de kantonrechter gegeven beslissing niet verenigen en heeft daartegen hoger beroep ingesteld. De officier van justitie heeft aangevoerd dat de vertegenwoordigster van de officier van justitie ter zitting het standpunt heeft gehandhaafd dat over de aanwezigheid van de borden niet viel te twisten en gegevens aan de rechtbank heeft aangeboden waaruit bleek dat alle toegangswegen tot het gebied en de pleeglocatie voorzien waren van bebording die de grenzen van de parkeerverbodszone duiden. Deze gegevens bestonden uit schermafdrukken van Google Maps van de betreffende locatie en alle andere straten die naar de pleeglocatie kunnen leiden. De kantonrechter deelde echter mee dat het op dat moment niet meer mogelijk was voor de officier van justitie om stukken in het geding te brengen en aan het dossier toe te voegen, en dat al ware dit toegelaten, gegevens van Google Maps niet in de beoordeling meegenomen kunnen worden. Vervolgens heeft de kantonrechter mede vanwege het ontbreken van een respons op het verzoek tot het opmaken van een aanvullend proces-verbaal het beroep gegrond verklaard.

De officier van justitie is van oordeel dat het feit dat er geen respons komt op het verzoek van de rechtbank om aanvullende informatie nimmer eenduidig kan leiden tot de conclusie dat hetgeen door de betrokkene wordt gesteld zodanige twijfel teweegbrengt dat de verklaring van de verbalisant onvoldoende is om vast te stellen dat de gedraging is begaan. Het oordeel van de kantonrechter dat het de officier van justitie niet is toegestaan om na aanvang van de zaak ter zitting nog stukken in het geding te brengen en aan het dossier toe te voegen is berust op een onjuiste rechtsopvatting, aldus de officier van justitie. Ook het oordeel dat schermafdrukken van Google Maps en informatie afkomstig van Google Maps niet gebruikt kan worden berust op een onjuiste rechtsopvatting, daar ook het hof zich van deze informatie bedient en er naar inzicht van de officier van justitie geen bezwaar is tegen het gebruik van deze informatie om de verklaring van de verbalisant te ondersteunen. De officier van justitie is dan ook van oordeel dat de kantonrechter het beroep ongegrond had dienen te verklaren.

4. De betrokkene heeft gedurende de procedure aangevoerd dat op genoemde plek geen parkeerverbod(en) aanwezig zijn. Aan het einde van de straat staat op de hoek een omgedraaid parkeerverbod, zodat onduidelijk is of dat verbod daar geldt. De betrokkene heeft een foto overgelegd van de onduidelijke situatie in deze woonwijk.

5. Uit het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter van 6 juni 2014 blijkt dat de kantonrechter naar aanleiding van het verweer van de betrokkene dat de bebording van de parkeerverbodszone onduidelijk, dan wel (van de rijrichting van waaruit hij kwam aanrijden) niet aanwezig was, van oordeel was dat aanleiding bestond om de verbalisant een nader proces-verbaal hierover te laten opmaken.

6. Uit het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter van 30 september 2014 blijkt (slechts) dat de officier van justitie geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid een nader proces-verbaal op te (laten) stellen ten aanzien van de verkeerssituatie op de [straat] te [woonplaats]. Het proces-verbaal geeft geen informatie over het door de officier van justitie gestelde aanbod om gegevens, afkomstig van Google Maps, over te leggen en de weigering hiervan door de kantonrechter.

7. Het hof merkt omtrent het overleggen van aanvullende informatie ter zitting in het algemeen en over het gebruik van Google Maps in het bijzonder het volgende op. Het hof heeft reeds eerder uitgemaakt dat de WAHV geen gevolgen verbindt aan het niet voorafgaand aan de zitting verstrekken van door de kantonrechter verlangde informatie. De WAHV kent geen bepaling -zoals bijvoorbeeld artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht– met betrekking tot het tijdstip dat nog aanvullende stukken kunnen worden ingediend bij de kantonrechter. Behandeling van een zaak ter zitting van de kantonrechter in het kader van de WAHV heeft onder meer tot doel om partijen in de gelegenheid te stellen te reageren op de in het dossier aanwezige stukken.
Uit hetgeen de officier van justitie in zijn hoger beroepschrift heeft aangevoerd blijkt dat hij ter zitting van de kantonrechter heeft aangeboden informatie afkomstig uit Google Maps te willen overleggen. Nu deze informatie ter zitting aan de orde kon worden gesteld en de betrokkene hier ter zitting op kon reageren, zijn er geen beginselen van een behoorlijke procesorde die zich verzetten tegen voeging van de aanvullende informatie in het dossier. Anders dan de kantonrechter kennelijk oordeelde, is het hof van oordeel dat onder deze omstandigheden geen rechtsregel zich verzet tegen het gebruik van informatie afkomstig van Google Maps, ter ondersteuning van een verklaring van hetzij de verbalisant hetzij de betrokkene.

8. In WAHV-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

9. Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houdt de ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB onder meer het volgende in:

“Opmerkingen ambtenaar: ik zag dat bovengenoemd bord bij het begin van de straat was geplaatst. Ik zag ook dat bovengenoemd verbod van toepassing is voor de gehele wijk [wijk], aangegeven middels RVV-borden bij het begin van de wijk. Ik zag geen laad en los activiteiten, alsmede geen in en of uitstappende passagiers.”

10. Uit het dossier blijkt dat de officier van justitie om een aanvullend proces-verbaal heeft verzocht, maar dat de verbalisant aan dat verzoek geen gevolg heeft gegeven en geen aanvullend proces-verbaal heeft opgemaakt over de bebording ter plaatse ten tijde van de gedraging. Het hof deelt niet het standpunt van de officier van justitie dat het niet responderen op een verzoek om aanvullende informatie nimmer kan leiden tot de conclusie dat de verklaring van de verbalisant onvoldoende is om vast te stellen dat de gedraging is begaan. In dit kader is van belang dat het het hof ambtshalve bekend is dat de CVOM zelf de volgende zin heeft opgenomen in de standaardbrieven aan de politie waarin wordt verzocht om inhoudelijk commentaar op een verweer van de betrokkene: “Als u de gegevens niet (op tijd) verstrekt, kan dit leiden tot vernietiging van de beschikking”.

11. Gelet op de inhoud van het proces-verbaal van de zitting van 30 september 2014 is voor de beslissing van de kantonrechter leidend geweest, dat de door hem noodzakelijk geachte informatie niet werd verstrekt. Nu op basis van hetgeen de betrokkene heeft aangevoerd twijfel bestond aan de ambtsedige verklaring van de verbalisant over de aanwezigheid van de bebording ter plaatse en de verbalisant deze twijfel niet heeft weggenomen door middel van een aanvullend proces-verbaal, heeft de kantonrechter naar het oordeel van het hof in de onderhavige zaak aanleiding kunnen zien het beroep gegrond te verklaren.

12. Nu ook in hoger beroep geen gegevens zijn aangedragen op grond waarvan zou moeten worden geconcludeerd dat de beslissing van de kantonrechter onjuist moet worden geacht, zal het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

Beslissing

Het gerechtshof:

  • bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

Eén gedachte over “ECLI:NL:GHARL:2016:1558”

  1. Punt 7 van het arrest
    Ingevolge artikel 9, lid 1, laatste zin, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften is hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing bij een beroep bij de kantonrechter van de rechtbank.

    Op grond hiervan is artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht tevens niet van toepassing. Dit artikel houdt in dat partijen tot 10 dagen voor de zitting nadere stukken kunnen indienen. De Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften kent geen dergelijke bepaling.
    Behandeling van een zaak ter zitting van de kantonrechter in het kader van de WAHV heeft onder meer tot doel om partijen in de gelegenheid te stellen te reageren op de in het dossier aanwezige stukken.
    Aangezien aanvullende stukken ter zitting aan de orde kan worden gesteld en de betrokkene hier ter zitting op kan reageren, worden er geen beginselen van een behoorlijke procesorde die zich verzetten tegen voeging van de aanvullende informatie in het dossier.

    ECLI:NL:GHARL:2015:9177
    Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de WAHV stelt de kantonrechter alvorens te beslissen partijen in de gelegenheid om op een openbare zitting hun zienswijze nader toe te lichten. De WAHV bevat geen bepaling waarin is voorgeschreven dat partijen ter zitting van de kantonrechter nog in de gelegenheid moeten worden gesteld te reageren op elkaars standpunt of dat de betrokkene het recht heeft om het laatst te spreken.
    Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de WAHV zijn in geval van een administratieve sanctie voorzieningen van strafrechtelijke of strafvorderlijke aard uitgesloten. Artikel 311, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering, waarin is bepaald dat aan verdachte het recht wordt gelaten om het laatst te spreken, is derhalve niet van toepassing op een procedure ingevolgde de WAHV.
    Nu de betrokkene blijkens het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter de gelegenheid heeft gehad het woord te voeren en zijn zienswijze nader toe te lichten, is aan het vereiste van artikel 12 van de WAHV voldaan en is geen sprake van schending van het beginsel van hoor en wederhoor. Van enige reden tot doorbreking van het appelverbod is in het onderhavige geval derhalve geen sprake (ECLI:NL:GHARL:2015:9177).

    ECLI:NL:GHARL:2015:9422
    De betrokkene mocht van de kantonrechter ter zitting geen nadere stukken te overleggen.
    Het hof oordeelt dat de behandeling van een zaak ter zitting van de kantonrechter in het kader van de WAHV heeft onder meer tot doel om partijen in de gelegenheid te stellen hun zienswijze nader toe te lichten. Indien één van de partijen ter zitting nadere stukken overlegt, kan de kantonrechter deze stukken ter zitting aan de orde stellen en partijen daarop laten reageren. Mocht één van de partijen aangeven niet in staat zijn adequaat te reageren op de aanvullende informatie, dan dient de kantonrechter de behandeling van de zaak aan te houden.
    Onder deze omstandigheden zijn er geen beginselen van een behoorlijke procesorde die zich verzetten tegen voeging van de aanvullende informatie in het dossier (ECLI:NL:GHARL:2015:9422).

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *