ECLI:NL:GHARL:2016:155

De betrokkene voert aan dat hij een identiteitskaart heeft afgegeven waarop zijn naam en gegevens zijn vermeld. De betrokkene is van mening dat het niet nodig is om een dubbel identiteitsbewijs bij zich te houden aangezien de agent het rijbewijs van de betrokkene kon verifiëren met de originele identiteitskaart. Artikel 160 van de WVW 1994 regelt het toezicht dat, of de controle die, wordt verricht om na te gaan of de regels gesteld bij of krachtens de WVW 1994 worden nageleefd. In dit kader is de bestuurder van een motorrijtuig verplicht om bij een controle het rijbewijs af te gegeven, zodat op eenvoudige wijze kan worden gecontroleerd of de bestuurder het voertuig mag besturen. Gelet op het voor overwogene volgt het hof de opvatting van de betrokkene, dat hij door het tonen van zijn identiteitskaart voldoende inzicht heeft gegeven in zijn gegevens, niet. Die opvatting miskent het belang van de politie bij een snelle afwikkeling van de controle. Dat de politie door middel van de gegevens op de identiteitskaart thans eenvoudig op elektronische wijze kan controleren of een betrokkene over een rijbewijs beschikt, doet aan het voorgaande niet af. Dit ontslaat de betrokkene niet van de verplichting om op eerste vordering het rijbewijs ter inzage af te geven en de controle door de politie niet te frustreren.

Uitspraak

WAHV 200.151.605
12 januari 2016
CJIB 165688581

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
locatie Leeuwarden

Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam
van 13 maart 2014
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 85,- opgelegd ter zake van “niet op de eerste vordering behoorlijk het rijbewijs ter inzage afgeven” (Feitcode K150c), welke gedraging zou zijn verricht op 24 juli 2012 om 13:48 uur op de Dam te Amsterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken].

2. De betrokkene voert in hoger beroep aan dat hij een identiteitskaart heeft afgegeven waarop zijn naam en gegevens zijn vermeld. De betrokkene is van mening dat het niet nodig is om een dubbel identiteitsbewijs bij zich te houden op de Dam aangezien de agent het rijbewijs van de betrokkene kon verifiëren met de originele identiteitskaart. De betrokkene stelt dat het bij zich dragen van een dubbel legitimatiebewijs een gevaar is bij diefstal op de Dam en het paleis in Amsterdam. Met het tonen van een origineel identiteitsbewijs heeft de betrokkene voldoende inzage gegeven in zijn gegevens.

3. In WAHV-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

4. Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houdt de ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB onder meer het volgende in:

“Overtreden artikel 160 WVW 1994
Opmerkingen ambtenaar 1:
Ik verbalisant hield voornoemd persoon staande nadat hij met een snorfiets door rood reed. Voornoemd persoon toonde geen rijbewijs c.q. bromfietscertificaat nadat ik deze gevorderd had. Hij had hem niet bij zich. Voornoemd persoon is in het bezit van rijbewijs: BE. (…)
Verklaring betrokkene: Ik wil geen verklaring afleggen.”

5. Gelet op de stukken in het dossier en in aanmerking genomen dat de betrokkene de gedraging niet ontkent, is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Vervolgens dient het hof te beoordelen of er andere redenen zijn een sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen.

6. De onder 1. vermelde gedraging betreft een overtreding van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994). Deze bepaling luidt:

"Op de eerste vordering van de in artikel 159 bedoelde personen is de bestuurder van een motorrijtuig verplicht dat motorrijtuig te doen stilhouden alsmede de volgende bewijzen behoorlijk ter inzage af te geven:
 a. (…)
 b. het rijbewijs dan wel het hem door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs en, indien hem buiten Nederland een internationaal rijbewijs is afgegeven, dat bewijs:"

7. Vast staat dat de betrokkene niet op eerste vordering zijn rijbewijs heeft getoond aan de verbalisant. Dat kan al het opleggen van een sanctie rechtvaardigen. Artikel 160 van de WVW 1994 regelt het toezicht dat, of de controle die, wordt verricht om na te gaan of de regels gesteld bij of krachtens de WVW 1994 worden nageleefd. In dit kader is de bestuurder van een motorrijtuig verplicht om bij een controle het rijbewijs af te gegeven, zodat op eenvoudige wijze kan worden gecontroleerd of de bestuurder het voertuig mag besturen. Gelet op het voor overwogene volgt het hof de opvatting van de betrokkene, dat hij door het tonen van zijn identiteitskaart voldoende inzicht heeft gegeven in zijn gegevens, niet. Die opvatting miskent het belang van de politie bij een snelle afwikkeling van de controle. Dat de politie door middel van de gegevens op de identiteitskaart thans eenvoudig op elektronische wijze kan controleren of een betrokkene over een rijbewijs beschikt, doet aan het voorgaande niet af. Dit ontslaat de betrokkene niet van de verplichting om op eerste vordering het rijbewijs ter inzage af te geven en de controle door de politie niet te frustreren.

8. Hetgeen de betrokkene heeft aangevoerd geeft het hof geen aanleiding voor het oordeel dat zich omstandigheden voordoen die meebrengen dat het opleggen van de sanctie niet billijk is of dat matiging daarvan gerechtvaardigd is.

9. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de kantonrechter een juiste beslissing heeft gegeven. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom bevestigen.

Beslissing

Het gerechtshof:

  • bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Dörholt als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *