ECLI:NL:GHARL:2016:1449

De gemachtigde van de betrokkene deelt in haar brief van 10 augustus 2015 mee dat haar na het bijwonen van de zitting van de kantonrechter nog iets van het hart moet, te weten dat een voor de maatschappij kostbare rechtszaak wat haar betreft niet nodig was geweest. Zij wilde weliswaar graag gehoord worden omdat zij het gevoel had dat er iets oneerlijks was gebeurd, maar wat haar betreft had een telefonisch contact, ongeacht de uitkomst, kunnen volstaan. Uit dit schrijven kan niet blijken dat (prematuur) voorziening wordt gevraagd van de beslissing van de kantonrechter. Gelet op het voorgaande, zal het hof verstaan dat geen hoger beroep is ingesteld.

Uitspraak

WAHV 200.176.665
24 februari 2016
CJIB 181656311

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
locatie Leeuwarden

Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland
van 7 augustus 2015
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats],
voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde],
wonende te [woonplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.

Het procesverloop

Op 14 augustus 2015 heeft de rechtbank Gelderland een schrijven van de gemachtigde van de betrokkene d.d. 10 augustus 2015 ontvangen.

De griffier van de rechtbank heeft het schrijven van de gemachtigde van de betrokkene aangemerkt als beroepschrift, gericht tegen de beslissing van de kantonrechter van 7 augustus 2015. Vervolgens zijn voormeld schrijven en de gedingstukken aan de griffier van het hof gezonden.

Bij brief van 13 januari 2016 heeft de griffier van het hof de gemachtigde van de betrokkene verzocht schriftelijk mee te delen of bedoeld is hoger beroep in te stellen en de gronden van het beroep op te geven. De gemachtigde van de betrokkene heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Het hof stelt voorop dat een geschrift slechts dan als een beroepschrift in hoger beroep kan worden beschouwd indien daaruit blijkt van de wil, althans de kennelijke bedoeling van de betrokkene om bij het hof Arnhem-Leeuwarden hogere voorziening te vragen van een uitspraak van de kantonrechter. Uit het dossier blijkt dat de kantonrechter de zaak van de betrokkene op 7 augustus 2015 ter zitting heeft behandeld en daarop heeft beslist. Een afschrift van de aantekening van de beslissing als bedoeld in artikel 13, derde lid, WAHV is op 3 september 2015 aan de gemachtigde van de betrokkene toegezonden. De gemachtigde van de betrokkene deelt in haar brief van 10 augustus 2015 mee dat haar na het bijwonen van de zitting van de kantonrechter nog iets van het hart moet, te weten dat een voor de maatschappij kostbare rechtszaak wat haar betreft niet nodig was geweest. Zij wilde weliswaar graag gehoord worden omdat zij het gevoel had dat er iets oneerlijks was gebeurd, maar wat haar betreft had een telefonisch contact, ongeacht de uitkomst, kunnen volstaan. Uit dit schrijven kan niet blijken dat (prematuur) voorziening wordt gevraagd van de beslissing van de kantonrechter.

2. Gelet op het voorgaande, zal het hof verstaan dat geen hoger beroep is ingesteld.

Beslissing

Het gerechtshof:

  • verstaat dat geen hoger beroep is ingesteld.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Smeitink als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.