ECLI:NL:GHARL:2016:1129

Aan de betrokkene zijn twee sancties opgelegd. De kantonrechter behandelt de zaken separaat, maanden na elkaar. Na de uitspraak in de eerste zaak stelt de betrokkene bij één brief in beide zaken hoger beroep in. In de tweede zaak was geen beslissing door de kantonrechter gegeven. Er is derhalve prematuur hoger beroep ingesteld. Gelet op artikel 6:10 Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien de betrokkene redelijkerwijs kon menen dat de kantonrechter bij de hem toegezonden uitspraak ook in de onderhavige zaak uitspraak had gedaan. Dat is echter niet het geval. In die uitspraak is niet het CJIB-nummer van de onderhavige zaak vermeld. Er wordt slechts één sanctie genoemd. In de onderhavige zaak is de betrokkene, na de uitspraak in de andere zaak, een oproep, toegezonden voor de zitting waar onderhavige zaak is behandeld. Gelet hierop had de betrokkene, naar aanleiding van de hem toegezonden uitspraak, hoger beroep moeten instellen. Dat heeft hij niet gedaan. Prematuur ingesteld hoger beroep is niet-ontvankelijk.

Uitspraak

WAHV 200.178.893
15 februari 2016
CJIB 164041881

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
locatie Leeuwarden

Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland
van 15 augustus 2014
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Ingevolge het bepaalde in artikel 14, eerste lid, van de WAHV in verbinding met de artikelen 3:41, 6:24, 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient het hoger beroep te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen een termijn van zes weken, welke termijn aanvangt op de dag na die waarop een afschrift van de bestreden beslissing aan de betrokkene is toegezonden.

2. Blijkens de gedingstukken zijn op 27 augustus 2012 aan de betrokkene twee beschikkingen (met CJIB-nummers 164041881 en 164041882), houdende oplegging van sancties, toegezonden. Bij brief van 6 september 2012, ontvangen door de CVOM op 17 september 2012, heeft de betrokkene beroep tegen deze beide beschikkingen ingesteld. Op 27 maart 2013 heeft de officier van justitie, bij separate besluiten, de beroepen van de betrokkene ongegrond verklaard. Hierop heeft de betrokkene, bij beroepschrift van 2 mei 2013, beroep in beide zaken ingesteld bij de kantonrechter. De kantonrechter heeft beide zaken separaat behandeld. De zaak met CJIB-nummer 164041882 is behandeld ter zitting van 21 maart 2014. Dit heeft geleid tot een uitspraak van gelijke datum die op 29 april 2014 aan de betrokkene is toegezonden. De onderhavige zaak (met CJIB-nummer 164041881) is behandeld ter zitting van 15 augustus 2014. Dit heeft geleid tot een uitspraak die op 2 september 2014 aan de betrokkene is toegezonden. De beroepstermijn in onderhavige zaak eindigde derhalve op 14 oktober 2014.

De betrokkene heeft op 7 juni 2014, ontvangen door de rechtbank op 10 juni 2014, hoger beroep ingesteld in beide zaken.

3. In de onderhavige zaak was op 7 of 10 juni 2014 geen beslissing door de kantonrechter gegeven. Er is derhalve prematuur hoger beroep ingesteld. Gelet op artikel 6:10 Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien de betrokkene redelijkerwijs kon menen dat de kantonrechter bij de hem op 29 april 2014 toegezonden uitspraak ook in de onderhavige zaak uitspraak had gedaan. Dat is echter niet het geval. In die uitspraak is niet het CJIB-nummer van de onderhavige zaak vermeld. Er wordt slechts één sanctie genoemd. In de onderhavige zaak is de betrokkene, na de uitspraak in de andere zaak, een oproep, gedateerd 27 juni 2014, toegezonden voor de zitting van 15 augustus 2014 waar onderhavige zaak is behandeld. Gelet hierop had de betrokkene, naar aanleiding van de hem op 2 september 2014 toegezonden uitspraak, hoger beroep moeten instellen. Dat heeft hij niet gedaan.

4. Gelet op het vorenoverwogene zal het hof het hoger beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk verklaren.

Beslissing

Het gerechtshof:

  • verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Vlieger-Dijkstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *