ECLI:NL:GHARL:2016:1084

Kennelijk heeft betrokkene door het afgeven van de machtiging willen bewerkstelligen dat gemachtigde hem als gemachtigde vertegenwoordigt. Een algemeen geformuleerde machtiging is op zichzelf niet in strijd met artikel 8:24 Awb of andere wettelijke voorschriften. Een machtiging moet wel zodanig specifiek zijn dat daaruit de grenzen van de vertegenwoordigingsbevoegdheid kunnen worden afgeleid. Uit de tekst van de machtiging blijkt genoegzaam dat gemachtigde gerechtigd was om namens betrokkene beroep in te stellen tegen de beslissing van de officier van justitie. Niet is gebleken dat zich een omstandigheid als bedoeld in artikel 3:72 van het BW heeft voorgedaan als gevolg waarvan de volmacht is geëindigd. Dat de machtiging dateert van vóór de datum van de gedraging (of de beschikking waarbij de sanctie is opgelegd) doet aan de geldigheid van de machtiging niet af. In dit verband overweegt het hof dat, gezien de aangevoerde bezwaren, het niet anders kan zijn dan dat betrokkene aan gemachtigde de aan het geschil ten grondslag liggende sanctiebeschikking heeft verstrekt, daarmee tot uitdrukking brengende dat ook deze zaak onder de reeds eerder afgegeven machtiging dient te worden begrepen.

Uitspraak

WAHV 200.172.533
12 februari 2016
CJIB 178041286
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
locatie Leeuwarden

Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Limburg
van 19 februari 2015
betreffende
[gemachtigde],
kantoorhoudend te [plaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing niet-ontvankelijk verklaard.

Het procesverloop

[gemachtigde] heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

[gemachtigde] is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Bij de bestreden beslissing heeft de kantonrechter het beroep van [gemachtigde], in die procedure de (pretense) gemachtigde, niet-ontvankelijk verklaard nu deze, nadat hem een hersteltermijn was gegeven, een machtiging heeft overgelegd die niet aan de eisen voldoet. De kantonrechter heeft in dat verband overwogen dat niet valt in te zien hoe een op 4 april 2013 afgegeven machtiging kan zien op een daarna nog te plegen gedraging en de daaruit voortvloeiende bezwaar- en beroepsprocedure.

2. [gemachtigde] voert aan dat door de kantonrechter slechts om een leesbaar exemplaar van de in het dossier aanwezige machtiging is verzocht en niet om een machtiging van recenter datum. Voorts is de datum van de machtiging niet relevant. Hij verwijst in dit verband naar een uitspraak van de Hoge Raad, d.d. 7 maart 2014 (gepubliceerd onder vindplaats ECLI:NL:HR:2014:446).

3. Op grond van artikel 8:24, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat in WAHV-procedures analoog wordt toegepast, kan een betrokkene zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een gemachtigde. Uit het tweede lid van deze bepaling volgt dat van een gemachtigde kan worden verlangd dat hij een schriftelijke machtiging overlegt.

4. Het hof stelt vast dat [gemachtigde] bij het in stellen van het administratief beroep een stuk heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij op 4 april 2013 door [betrokkene], aan wie de sanctie is opgelegd, is gemachtigd om, kort gezegd, hem te vertegenwoordigen en alle handelingen te verrichten teneinde boetes en parkeerbelastingen in en buiten rechte te bestrijden. De machtiging is algemeen geformuleerd en ziet dus niet specifiek op één of meer nader aangeduide zaken.

5. Kennelijk heeft [betrokkene] door het afgeven van de machtiging willen bewerkstelligen dat [gemachtigde] hem in voorkomende zaken met betrekking tot verkeersboetes als gemachtigde vertegenwoordigt. Een algemeen geformuleerde machtiging als de onderhavige is op zichzelf niet in strijd met artikel 8:24 Awb of andere wettelijke voorschriften. Een machtiging moet wel zodanig specifiek zijn dat daaruit de grenzen van de vertegenwoordigingsbevoegdheid kunnen worden afgeleid. Uit de tekst van de machtiging blijkt genoegzaam dat [gemachtigde] gerechtigd was om namens [betrokkene] beroep in te stellen tegen de beslissing van de officier van justitie. Niet is gebleken dat zich een omstandigheid als bedoeld in artikel 3:72 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft voorgedaan als gevolg waarvan de volmacht is geëindigd. Dat de machtiging dateert van vóór de datum van de gedraging (of de beschikking waarbij de sanctie is opgelegd) doet aan de geldigheid van de machtiging niet af. In dit verband overweegt het hof dat, gezien de aangevoerde bezwaren, het niet anders kan zijn dan dat [betrokkene] aan [gemachtigde] de aan het geschil ten grondslag liggende sanctiebeschikking heeft verstrekt, daarmee tot uitdrukking brengende dat ook deze zaak onder de reeds eerder afgegeven machtiging dient te worden begrepen.

6. Gelet op het voorgaande kan de beslissing van de kantonrechter niet in stand blijven. Het hof zal deze beslissing vernietigen en de zaak, naar analogie van artikel 20d van de WAHV, terugwijzen naar de rechtbank ter behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest.

7. [gemachtigde] heeft verzocht om vergoeding van kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het hof zal dit verzoek afwijzen, nu [gemachtigde] in de onderhavige procedure op eigen titel procedeert en er derhalve geen sprake is van door een derde verleende rechtsbijstand.

Beslissing

Het gerechtshof:

  • vernietigt de bestreden beslissing en wijst de zaak terug naar de rechtbank Limburg ter behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest;
  • wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Huizenga als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

Eén gedachte over “ECLI:NL:GHARL:2016:1084”

  1. ECLI:NL:HR:2014:446
    Uit de overgelegde machtiging blijkt de bevoegdheid van [A] om (onder meer) in de onderhavige zaak namens belanghebbende beroep in te stellen. De uitspraak van de Rechtbank en de stukken van het geding bevatten geen aanwijzingen dat zich tussen het verlenen van die machtiging en het instellen van het onderhavige beroep een omstandigheid als bedoeld in artikel 3:72 BW heeft voorgedaan waardoor de vertegenwoordigingsbevoegdheid van [A] zou zijn geëindigd. De Rechtbank kon daarom in redelijkheid geen aanleiding vinden om eraan te twijfelen of die bevoegdheid ten tijde van het instellen van het beroep nog bestond en op die grond van [A] een nieuwe schriftelijke machtiging te verlangen. Het beroep is mitsdien ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van bewijs ten aanzien van de bevoegdheid van [A] (vgl. HR 11 oktober 2013, nr. 13/00924, ECLI:NL:HR:2013:840, BNB 2013/244) (ECLI:NL:HR:2014:446).

    ECLI:NL:HR:2013:840
    Uit de overgelegde machtiging blijkt de bevoegdheid van [B] en [C] om (onder meer) in de onderhavige zaken namens belanghebbende beroep in te stellen. De uitspraak van de Rechtbank en de stukken van het geding bevatten geen aanwijzingen dat zich tussen het verlenen van die machtiging en het instellen van de onderhavige beroepen een omstandigheid als bedoeld in artikel 3:72 BW heeft voorgedaan waardoor de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de gemachtigden zou zijn geëindigd. De Rechtbank kon daarom in redelijkheid geen aanleiding vinden om eraan te twijfelen of die bevoegdheid ten tijde van het instellen van de beroepen nog bestond, en op die grond van hen een nieuwe schriftelijke machtiging te verlangen. De beroepen zijn mitsdien ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van bewijs ten aanzien van de bevoegdheid van [B] en [C] (ECLI:NL:HR:2013:840).

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *