ECLI:NL:GHARL:2016:10324

De hoofdofficier van justitie in het arrondissement Utrecht heeft in een algemeen mandaatbesluit de bevoegdheid om te beslissen op beroepschriften in de zin van de WAHV gemandateerd aan de officier van justitie bij de CVOM / directeur van de CVOM. In dit mandaatbesluit is door de mandaatgever toestemming verleend om deze bevoegdheid in schriftelijk ondermandaat op te dragen aan medewerkers van de CVOM die belast zijn met het inhoudelijk beoordelen van en het beslissen op bezwaar- en beroepschriften. Het algemeen mandaatbesluit is als gemandateerde ondertekend door de toenmalige officier van justitie en directeur van de CVOM. In een ondermandaatbesluit heeft directeur van / hoofdofficier bij de CVOM, ondermandaat verleend aan, onder meer, medewerkers bij een unit van de CVOM, om te beslissen op beroepschriften in de zin van de WAHV.

 

Uitspraak

WAHV 200.174.534
21 december 2016
CJIB 149330564

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
locatie Leeuwarden

Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland
van 24 juni 2015
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
gevestigd te [plaats],
voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde],
advocaat te [plaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft – voor zover in hoger beroep aan de orde – het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Bij het beroepschrift is verzocht om een behandeling ter zitting. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal heeft een reactie gegeven op de nadere toelichting op het beroep.

Op 28 november 2016 is nog een brief van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen, waarin hij – voor zover hier van belang – verzoekt de behandeling van de zaak ter zitting van het hof aan te houden. De griffier van het hof heeft de gemachtigde bij brief van 1 december 2016 bericht dat zijn aanhoudingsverzoek is afgewezen.

De zaak is behandeld ter zitting van 7 december 2016. De betrokkene noch de gemachtigde is verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. H. de Ruijter.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 212,- opgelegd ter zake van “overschrijding maximum snelheid op autosnelwegen, met 30 km/h (verkeersbord A1)”, welke gedraging zou zijn verricht op 26 januari 2011 om 20.30 uur op de Rijksweg A12 links te Bunnik met het voertuig met het kenteken [kenteken].

2. De gemachtigde van de betrokkene voert het volgende aan. Naar zijn mening is onvoldoende gebleken dat de snelheidsmeting, waarbij de hiervoor genoemde gedraging zou zijn geconstateerd, volgens de daarvoor geldende regels is verricht. De gemachtigde stelt dat niet duidelijk is hoe de meetapparatuur was opgesteld. De verklaring van de betrokken verbalisant vermeldt daar niets over. Het ijkrapport met betrekking tot de meetapparatuur is volgens de Nmi-verklaring alleen geldig bij een opstelling zonder afscherming. Daarnaast is niet de laatste opdracht tot inbedrijfstelling getoond of enig ander onderhoudslogboek van het meetapparaat, waaruit zou kunnen worden afgeleid of er na de ijkdatum van 7 april 2010 wellicht nog herstellingen of veranderingen hebben plaatsgevonden. De gemachtigde wordt gesterkt in zijn vermoeden dat het ijkrapport was komen te vervallen, doordat bij de meetdetails bij de foto van de gedraging, die hij van de CVOM heeft ontvangen, geen ijkdatum is vermeld. De betreffende foto heeft hij ook via het KLPD verkregen, waarbij het gele vakje “ijkdatum” onzichtbaar is gemaakt. Het lijkt er dus op, volgens de gemachtigde, dat men zich ervan bewust is geweest dat er iets niet klopte.

Verder blijkt volgens de gemachtigde onvoldoende dat alle relevante opsporingshandelingen door een daartoe bevoegde verbalisant zijn verricht. In dat verband wijst de gemachtigde erop dat op de door hem ontvangen documenten (een besluit van aanstelling, een proces-verbaal en akte van beëdiging en een opleidingsverklaring van een verbalisant) weliswaar het verbalisantnummer 8933 is vermeld, welk nummer overeen komt met het in het zaakoverzicht vermelde verbalisantnummer, maar dat dit nummer handgeschreven is. Niet duidelijk is wie deze handgeschreven notitie heeft gemaakt en wat de status ervan is.

Verder is volgens de gemachtigde onvoldoende duidelijk wat de exacte pleeglocatie zou zijn geweest, nu bij de foto van de gedraging hectometerpaal 66,3 is vermeld, terwijl in de verklaring van de verbalisant hectometerpaal 67,3 is vermeld.

De gemachtigde klaagt er verder over dat hem geen originele foto op ware grootte is verschaft. De door hem ontvangen foto van de gedraging is van zeer slechte kwaliteit, zodat door hem niet kan worden beoordeeld of er nog andere voertuigen, met gedoofde of minder felle achterlichten, op de foto te zien zijn. Verder is opvallend dat het voertuig van de betrokkene midden op de foto is afgebeeld. Dat strookt, volgens de gemachtigde, niet met een correcte uitlijning van de meetapparatuur. De kantonrechter heeft blijkens zijn beslissing gebruik gemaakt van een betere kwaliteit foto. Die is niet aan de gemachtigde verschaft, zodat hij in zijn processuele belang is geschaad.

De gemachtigde voert tenslotte aan dat de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep onbevoegd is genomen. De CVOM-medewerker die feitelijk op het administratief beroep heeft beslist werkte onder mandaat van de heer [naam 1], directeur van de CVOM, van wie niet kan worden vastgesteld dat hij beëdigd is. De akte daarvan ontbreekt. Bovendien ontbeert dit mandaat de instemming van het hoofd van het parket van de bevoegde officier van justitie, zo stelt de gemachtigde. Dat op grond van de stukken in het dossier wél blijkt dat de heer [naam 1] is benoemd tot officier van justitie en directeur van de CVOM maakt het voorgaande volgens de gemachtigde niet anders.

Voorts roept het algemeen mandaatbesluit van 28 november 2005, waaraan de kantonrechter heeft gerefereerd, nieuwe vragen op. Dat besluit is ondertekend door de heer [naam 2] als gemandateerde, terwijl op dat moment de heer [naam 1] al directeur van de CVOM zou zijn geweest. Daar komt bij dat uit het ondermandaatbesluit van 13 december 2010 niet kan worden afgeleid dat de beslissing op administratief beroep is genomen door een ambtenaar die door dat besluit was gemandateerd.

Ten aanzien van de bevoegdheid om op het administratief beroep te beslissen

3. Artikel 6, eerste lid, van de WAHV schrijft voor dat degene tot wie de beschikking is gericht daartegen beroep kan instellen bij de officier van justitie in het arrondissement waar de gedraging is verricht dan wel, indien niet kan worden vastgesteld in welk arrondissement de gedraging is verricht, bij de officier van justitie in het arrondissement van de woonplaats van de betrokkene.

4. De gedraging die de betrokkene wordt verweten zou zijn verricht in het toenmalige arrondissement Utrecht, zodat de officier van justitie in dat arrondissement bevoegd was om op het administratief beroep in deze zaak te beslissen.

5. Ingevolge artikel 10:3, eerste lid, van de Awb kan een bestuursorgaan mandaat verlenen, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald of de aard van de bevoegdheid zich tegen de mandaatverlening verzet.

Ingevolge artikel 10:9, eerste lid, van de Awb kan de mandaatgever toestaan dat ondermandaat wordt verleend.

6. De hoofdofficier van justitie in het arrondissement Utrecht heeft in een algemeen mandaatbesluit van 28 november 2005 de bevoegdheid om te beslissen op beroepschriften in de zin van de WAHV gemandateerd aan de officier van justitie bij de CVOM / directeur van de CVOM. In dit mandaatbesluit is door de mandaatgever toestemming verleend aan de gemandateerde om deze bevoegdheid in schriftelijk ondermandaat op te dragen aan medewerkers van de CVOM die belast zijn met het inhoudelijk beoordelen van en het beslissen op bezwaar- en beroepschriften. Het algemeen mandaatbesluit is als gemandateerde ondertekend door de toenmalige officier van justitie en directeur van de CVOM, mr. [naam 2]. In een ondermandaatbesluit van 13 december 2010 heeft mr. drs. [naam 1], directeur van / hoofdofficier bij de CVOM, ondermandaat verleend aan, onder meer, (senior) secretarissen, (junior) administratief juridisch medewerkers en (junior) administratief medewerkers / callcenter, werkzaam bij een unit van de CVOM, om te beslissen op beroepschriften in de zin van de WAHV.

7. Verder blijkt uit de gedingstukken dat [naam 1] bij Koninklijk besluit van 25 maart 2010 met ingang van 1 april 2010 is benoemd als hoofdofficier van justitie / directeur van de CVOM. Op grond van het algemeen mandaatbesluit van 28 november 2005 was [naam 1], als functioneel opvolger van [naam 2], als (hoofd)officier van justitie / directeur van de CVOM bevoegd om te beslissen op beroepschriften in de zin van de WAHV en deze bevoegdheid in ondermandaat over te dragen aan medewerkers van de CVOM. De enkele omstandigheid dat de akte van beëdiging van [naam 1] niet is overgelegd, maakt niet dat de mandaatconstructie als gebrekkig moet worden aangemerkt. Het hebben van de hoedanigheid van (hoofd)officier van justitie is niet vereist voor het in mandaat kunnen overdragen aan [naam 1] van de bevoegdheid om te beslissen op beroepschriften ingevolge de WAHV. In dit verband is enkel van belang dat degene die het mandaat verleent daartoe bevoegd was. Niet in geschil is dat de hoofdofficier van justitie in het arrondissement Utrecht die bevoegdheid bezat.

8. Het hof volstaat verder met verwijzing naar zijn eerdere arrest van 24 november 2016 in de zaak met kenmerk WAHV 200.168.567 (gepubliceerd op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2016:9412). Het hof heeft in dat arrest geoordeeld dat de in die zaak getoetste mandaatconstructie, die bestond uit een algemeen mandaatbesluit en een ondermandaatbesluit van latere datum, doch die voor zover hier van belang dezelfde inhoud hadden als onderhavige besluiten, in overeenstemming is met het bepaalde in de artikelen 10:3 en 10:9 van de Awb. Dit geldt evenzeer voor de thans ter beoordeling voorliggende mandaatconstructie.

Ten aanzien van de verweten gedraging en de daarvoor opgelegde sanctie

9. In WAHV-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

10. Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houdt de ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB onder meer het volgende in:

“De werkelijke snelheid stelde ik vast m.b.v. een voor de meting geteste, geijkte en op de voorgeschreven wijze gebruikte radarsnelheidsmeter.

Gemeten (afgelezen) snelheid: 135 km per uur.
Werkelijke (gecorrigeerde) snelheid: 130 km per uur.
Toegestane snelheid: 100 km per uur.
Overschrijding met: 30 km per uur.

(…)

De geldende limiet werd bepaald door borden A1 (RVV 1990). De borden werden voorafgaand en na afloop van de handhaving gecontroleerd en stonden: bij hmp 67,3 links en rechts van de rijbaan.

IJkdatum geldig van 07-04-2010 tot 07-04-2011.
Setnummer: 55

(…)

Rijrichting van: Arnhem
Rijrichting naar: Utrecht
Ter hoogte van hectometerpaalnummer: 66,3.

(…)

Nummer akte van beëdiging: 4103334/2”

11. Aldus heeft de verbalisant verklaard dat de snelheidsmeting is verricht met een geijkte snelheidsmeter die op voorgeschreven wijze is gebruikt. Hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd geeft geen aanleiding tot twijfel aan die verklaring. Zijn stelling, dat moet blijken of de meetopstelling was afgeschermd ten tijde van de meting, berust op een onjuiste lezing van hetgeen daaromtrent in de door hem overgelegde Nmi-verklaring is vermeld. Daarin is vermeld dat het meetmiddel dient te worden opgesteld zonder afscherming tussen het meetapparaat en het te meten voertuig, hetgeen aldus moet worden begrepen dat er geen sprake moet zijn van objecten die invloed kunnen hebben op de snelheidsmeting. Voornoemde verklaring van de verbalisant in aanmerking genomen, bestaat geen aanleiding om aan te nemen dat daarvan sprake was of daaromtrent nader onderzoek te verrichten.

Er bestaat evenmin aanleiding te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant dat het meetmiddel ten tijde van de meting geijkt was. De enkele suggestie van de gemachtigde, die er op neerkomen dat er na de ijking, waarvan de door hem overgelegde Nmi-verklaring getuigt, aanpassingen aan het meetmiddel zouden (kunnen) zijn gedaan, waardoor de geldigheid van die ijking zou kunnen zijn vervallen, vindt geen enkele steun in de stukken van het dossier. Bij gebrek aan elke onderbouwing van die suggestie, bestaat er geen aanleiding om voornoemde verklaring van de verbalisant als onvoldoende terzijde te stellen. Dat de ijkdatum niet is vermeld op de foto van de gedraging, zoals de gemachtigde stelt, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel.

12. Het hof ziet evenmin aanleiding om te twijfelen aan de bevoegdheid van de verbalisant. De enkele omstandigheid dat het verbalisantnummer handgeschreven op het aan de gemachtigde verstrekte geanonimiseerde afschrift van het proces-verbaal en de akte van beëdiging en het plaatsingsbesluit is genoteerd, geeft daartoe geenszins aanleiding. In het proces-verbaal van beëdiging van de verbalisant, dat de gemachtigde over heeft gelegd, is het aktenummer vermeld dat ook in voormelde verklaring van de verbalisant is genoemd. Ook op grond daarvan blijkt voldoende dat de door de gemachtigde overgelegde stukken betrekking hebben op de verbalisant die bij de onderhavige snelheidsmeting is betrokken. Van onbevoegdheid van die verbalisant is derhalve niet gebleken.

13. De klachten van de gemachtigde met betrekking tot de foto van de gedraging treffen evenmin doel. De foto van de gedraging, zoals die zich bij de dossierstukken bevindt, is als gevolg van het tijdstip van de snelheidsmeting grotendeels donker. Slechts de achterlichten en de kentekenplaat aan de achterzijde zijn te zien. De suggestie van de gemachtigde, dat de kantonrechter over een foto beschikte waaruit meer viel af te leiden, vindt geen steun in de overwegingen van de beslissing van de kantonrechter: de kantonrechter heeft slechts overwogen dat een duidelijk exemplaar van de foto in het dossier aanwezig is. Dit wordt bevestigd door het exemplaar van de foto van de gedraging die door de advocaat-generaal in hoger beroep is overgelegd. Ook daarop is niet meer te zien dan hiervoor is beschreven. Overigens heeft de gemachtigde, zoals hem in de uitnodigingen voor de zittingen van de kantonrechter is medegedeeld, voor de zitting van de kantonrechter kennis kunnen nemen van alle stukken van het geding, waaronder de foto waaraan de kantonrechter heeft gerefereerd. Ook daarom faalt dit verweer van de gemachtigde.

14. Ten aanzien van de niet nader onderbouwde stelling van de gemachtigde, dat het voertuig van de betrokkene op de foto van de gedraging op een zodanige positie is afgebeeld dat dit niet strookt met een correcte uitlijning van het meetapparaat, oordeelt het hof dat niet is gebleken van een zodanige afwijkende positie. De suggestie van de gemachtigde, dat er mogelijk andere voertuigen zonder verlichting of met dimlichten op de foto staan, leidt evenmin tot een ander oordeel. Bij gebrek aan enige aanwijzing daarvoor is die suggestie niet aannemelijk geworden en bestaat geen aanleiding voor enig nader onderzoek hieromtrent.

15. Op grond van het voorgaande staat naar de overtuiging van het hof vast dat de onder 1. genoemde gedraging is verricht. Daarvoor is terecht de onderhavige sanctie opgelegd. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

Ter zake van het verzoek om vergoeding van proceskosten

16. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het hof het verzoek tot vergoeding van kosten afwijzen.

Beslissing

Het gerechtshof:

  • bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
  • wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Verdoorn als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *