ECLI:NL:GHARL:2016:10323

De gemachtigde voert aan dat de verbalisant, een buitengewoon opsporingsambtenaar, in strijd met de toepasselijke wettelijke voorschriften is beëdigd namens de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie en niet namens de minister, die daartoe bevoegd was. In het arrest ECLI:NL:GHARL:2016:9412 heeft het hof op een soortgelijk verweer een beslissing genomen. Temeer nu de gemachtigde ook in die zaak was betrokken, verwijst het hof naar dat arrest.
Het verzoek aan de officier van justitie om terug te komen op zijn beslissing op het administratief beroep, is een verzoek om gebruik te maken van een ambtshalve bevoegdheid. Onbetwist is dat de officier van justitie de ambtshalve bevoegdheid tot heroverweging heeft. De WAHV voorziet echter niet in de mogelijkheid om de officier van justitie te verzoeken van die bevoegdheid gebruik te maken. Het verzoek is geen aanvraag in de zin van artikel 1:3 juncto artikel 4:17 van de Awb.

Uitspraak

WAHV 200.168.188
21 december 2016
CJIB 175238274

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
locatie Leeuwarden

Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissingen
van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland
van 24 februari 2015
Betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats],
voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde],
advocaat te [plaats].

De beslissingen van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing, betrekking hebbend op de aan voornoemde betrokkene opgelegde administratiefrechtelijke sanctie, ongegrond verklaard. Bij separate beslissing heeft de kantonrechter voorts ongegrond verklaard het beroep van de betrokkene, gericht tegen het door de officier van justitie niet tijdig, dan wel afwijzend, beslissen op het verzoek om heroverweging van de beslissing op administratief beroep en het vaststellen van dwangsommen.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissingen van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Bij het beroepschrift is verzocht om een behandeling ter zitting.

Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal heeft een reactie gegeven op de nadere toelichting op het beroep.

Op 28 november 2016 is nog een brief van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen, waarin hij – voor zover hier van belang – verzoekt de behandeling van de zaak ter zitting van het hof aan te houden. De griffier van het hof heeft de gemachtigde bij brief van 1 december 2016 bericht dat zijn aanhoudingsverzoek is afgewezen.

De zaak is behandeld ter zitting van 7 december 2016. De betrokkene noch de gemachtigde is verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. H. de Ruijter.

Beoordeling

Ter zake van de aan de betrokkene opgelegde administratiefrechtelijke sanctie

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 124,- opgelegd ter zake van “overschrijding maximum snelheid binnen bebouwde kom, met 15 km/h”, welke gedraging zou zijn verricht op 25 augustus 2013 om 15.49 uur op de Provincialeweg N247 te Broek op Waterland met het voertuig met het kenteken [kenteken].

2. De gemachtigde van de betrokkene voert ter zake van de aan de betrokkene opgelegde sanctie als enige grond voor het hoger beroep aan – zakelijk weergegeven – dat de in deze zaak betrokken verbalisant, een buitengewoon opsporingsambtenaar – in strijd met de toepasselijke wettelijke voorschriften is beëdigd namens de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie en niet namens de minister, die daartoe bevoegd was. De gemachtigde wijst in dit verband op het bepaalde in artikel 142 van het Wetboek van Strafvordering. Zijns inziens is onvoldoende gebleken dat de minister daartoe mandaat heeft verleend aan de Staatssecretaris, dat hij daarbij ondermandaatverlening heeft toegestaan en ook feitelijk door de staatssecretaris is verleend aan de ondertekenaar – [naam] , teammanager BTR – van de akte van beëdiging van onderhavige verbalisant.

3. In het arrest van 24 november 2016 in de zaak met kenmerk WAHV 200.168.567 (gepubliceerd op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2016:9412) heeft het hof ter zake van een soortgelijk verweer van de gemachtigde een beslissing genomen. Temeer nu de gemachtigde ook in die zaak was betrokken, verwijst het hof hier kortheidshalve naar dat arrest. Samengevat heeft het hof in dat arrest geoordeeld dat de minister de staatssecretaris heeft belast met de beëdiging van (buitengewoon) opsporingsambtenaren en dat deze taak geacht kan worden binnen de portefeuille te vallen die aan de staatssecretaris is toebedeeld. Dat oordeel geldt evenzeer in de onderhavige zaak.

4. Nu het hoger beroep ter zake van de aan de betrokkene opgelegde sanctie zich voor het overige niet richt tegen het oordeel van de kantonrechter dat terecht voor de onder 1. omschreven gedraging aan de betrokkene een sanctie is opgelegd, zal het hof verder volstaan met de vaststelling dat de overwegingen van de kantonrechter diens beslissing kunnen dragen. Deze beslissing van de kantonrechter zal dan ook worden bevestigd.

Ter zake van het verzoek tot vaststelling van dwangsommen

5. De gemachtigde heeft voorts aangevoerd dat hij, na het instellen van beroep tegen de beslissing van de officier van justitie, de officier van justitie heeft verzocht om die beslissing te heroverwegen en de inleidende beschikking alsnog te vernietigen. Dat verzoek heeft volgens de gemachtigde te gelden als een aanvraag als bedoeld in artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat in zijn optiek dwangsommen zijn verbeurd omdat, ondanks de ingebrekestelling d.d. 1 augustus 2014, niet tijdig op die aanvraag is beslist. Volgens de gemachtigde heeft de kantonrechter ten onrechte geoordeeld dat hier geen sprake was van een aanvraag als hiervoor bedoeld en dat geen dwangsommen zijn verbeurd.

6. Uit de stukken van het dossier blijkt, voor zover hier van belang, het volgende. Nadat hij beroep had ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep, heeft de gemachtigde bij brief van 6 juni 2014 aan de officier van justitie verzocht de inleidende beschikking na heroverweging alsnog te vernietigen, omdat hij sinds het indienen van het beroepschrift tegen de beslissing van de officier van justitie geen reactie heeft ontvangen van de CVOM. Bij brief van 1 augustus 2014 heeft de gemachtigde de officier van justitie vervolgens in gebreke gesteld. Bij brief van 6 augustus 2014 heeft de officier van justitie de gemachtigde bericht dat zijn verzoek van 6 juni 2014 op goede gronden is opgevat als een beroep bij de kantonrechter, dat dit niet kan gelden als een aanvraag om een beschikking en dat er geen dwangsom is verbeurd. Vervolgens heeft de gemachtigde op 13 oktober 2014 een hernieuwd verzoek tot heroverweging en vernietiging van de beschikking aan de officier van justitie gedaan.

7. Ingevolge artikel 4:17 van de Awb kan een bestuursorgaan een dwangsom verbeuren als een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven. De gemachtigde heeft, nadat de officier van justitie op het administratieve beroep had beslist, aan de officier van justitie een verzoek gedaan tot heroverweging van de beslissing op het administratief beroep en vernietiging van de inleidende beschikking. Dit verzoek moet worden aangemerkt als een verzoek aan de officier van justitie om terug te komen op zijn beslissing op het administratief beroep. Het gaat hier om een verzoek om gebruik te maken van een ambtshalve bevoegdheid. Onbetwist is dat de officier van justitie de ambtshalve bevoegdheid tot heroverweging heeft. De WAHV voorziet echter niet in de mogelijkheid om de officier van justitie te verzoeken van die bevoegdheid gebruik te maken. Het standpunt van de gemachtigde, dat sprake is van een aanvraag in de zin van artikel 1:3 juncto artikel 4:17 van de Awb is derhalve niet juist. Gelet hierop kan het niet tijdig reageren op een zodanig verzoek niet leiden tot verbeurte van een dwangsom.

8. Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat de kantonrechter het verzoek tot vaststelling van een dwangsom terecht heeft afgewezen. Ook deze beslissing van de kantonrechter zal derhalve worden bevestigd.

Ter zake van het verzoek om vergoeding van proceskosten

9. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het hof het verzoek tot vergoeding van kosten afwijzen.

Beslissing

Het gerechtshof:

  • bevestigt de beslissingen van de kantonrechter;
  • wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Verdoorn als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *