ECLI:NL:GHARL:2016:10316

De beslissing van de kantonrechter wordt vernietigd omdat gemachtigde niet is opgeroepen voor de zitting. De gemachtigde is ter zitting van het hof verschenen, waar hij verbaasd reageerde op de stelling van de advocaat-generaal dat het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie te laat is ingediend en dat niet gesteld is dat dit verschoonbaar kan worden geacht. De gemachtigde verzocht om aanhouding van het onderzoek ter zitting, om een en ander met de betrokkene te kunnen bespreken. Het hof heeft dit verzoek afgewezen, omdat de gemachtigde op geen enkel moment in de procedure met de betrokkene heeft gesproken, terwijl dat wel voor de hand zou hebben gelegen, alsmede dat op zijn weg had gelegen om hierover met de betrokkene te spreken en hem zonodig mee te nemen naar de zitting van het hof. Gelet daarop kan de wijze waarop de gemachtigde heeft geprocedeerd niet redelijkerwijs geacht worden het belang van de betrokkene te dienen. Dit belang was hier immers (vooreerst) gelegen in het ontvankelijk doen zijn van het beroep.

Uitspraak

WAHV 200.160.282
21 december 2016
CJIB 173575996

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
locatie Leeuwarden

Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag
van 15 oktober 2014
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats],
voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde],
h.o.d.n. [naam 1], te [plaats].

Het tussenarrest

De inhoud van het tussenarrest van 26 augustus 2016 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

De zaak is behandeld ter zitting van 7 december 2016. Namens de betrokkene is verschenen [naam 2], werkzaam bij [naam 1], voornoemd. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. H. de Ruijter.

Beoordeling

1. Gelet op hetgeen in het tussenarrest van 26 augustus 2016 is overwogen, zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen.

2. Ter beoordeling van het hof staat vervolgens het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie.

3. De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat dit beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard, aangezien het beroepschrift tegen de beslissing van de officier van justitie niet binnen de daartoe gestelde termijn is ingediend.

4. Ingevolge het bepaalde in artikel 9, eerste lid, van de WAHV in verbinding met de artikelen 3:41, 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen een termijn van zes weken, welke termijn aanvangt op de dag na die waarop een afschrift van de beslissing van de officier van justitie aan de betrokkene is toegezonden.

5. Deze beroepstermijn betreft een voorschrift van openbare orde waaraan het hof in hoger beroep ambtshalve dient te toetsen.

6. De beslissing van de officier van justitie is blijkens de stukken op 7 oktober 2013 aan de betrokkene toegezonden. De beroepstermijn eindigde derhalve op 18 november 2013. Het beroepschrift is gedateerd 20 november 2013 en het is op diezelfde datum per faxbericht door de CVOM ontvangen. Het beroep is dus niet tijdig ingesteld. Aangezien niet gesteld of gebleken is dat deze termijnoverschrijding verschoonbaar is, zal het hof het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren.

7. Omdat de beslissing van de kantonrechter wordt vernietigd, is vervolgens de vraag aan de orde of termen aanwezig zijn voor toewijzing van het verzoek om de in hoger beroep door de betrokkene gemaakte kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand te vergoeden. Het hof kan een partij veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het hoger beroep, het beroep bij de kantonrechter en het administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De beslissing van de kantonrechter wordt vernietigd in verband met de klacht van de gemachtigde van de betrokkene dat hij niet behoorlijk is opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter. De gemachtigde van de betrokkene is ter zitting van het hof verschenen, waar hij verbaasd reageerde op de stelling van de gemachtigde van de advocaat-generaal, onder verwijzing naar diens verweerschrift, dat het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie te laat is ingediend en dat niet gesteld is dat dit verschoonbaar kan worden geacht. De gemachtigde van de betrokkene stelde vervolgens dat dergelijke redenen hem ook niet bekend zijn en verzocht om aanhouding van het onderzoek ter zitting, om een en ander met de betrokkene te kunnen bespreken. Het hof heeft dit verzoek afgewezen, omdat gebleken is dat de gemachtigde op geen enkel moment in de procedure met de betrokkene heeft gesproken, terwijl dat gelet op het vorenstaande wel voor de hand zou hebben gelegen, alsmede dat het, mede in het licht van zijn klacht dat niet is gehoord, op zijn weg had gelegen om hierover met de betrokkene te spreken en hem zonodig mee te nemen naar de zitting van het hof. Gelet daarop kan de wijze waarop de gemachtigde heeft geprocedeerd niet redelijkerwijs geacht worden het belang van de betrokkene te dienen. Dit belang was hier immers (vooreerst) gelegen in het ontvankelijk doen zijn van het beroep. Ook bij een uiterst terughoudende toetsing, kunnen de door de gemachtigde verrichte werkzaamheden niet redelijkerwijs geacht worden hierop gericht te zijn geweest. Aldus is niet gebleken van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand die de betrokkene redelijkerwijs heeft moeten maken. Daarom zal het hof het verzoek tot vergoeding van proceskosten afwijzen.

Beslissing

Het gerechtshof:

  • vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
  • verklaart het beroep de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk;
  • wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Verdoorn als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *