ECLI:NL:GHARL:2016:10

Hangende de procedure bij de kantonrechter heeft de officier van justitie de inleidende beschikking vernietigd. De gemachtigde heeft de officier van justitie geantwoord dat de betrokkene het beroep bij de kantonrechter wil intrekken onder de voorwaarde van toewijzing van proceskostenvergoeding. Er is een ingebrekestelling verstuurd, maar de officier van justitie verbeurt geen dwangsom wegens het niet tijdig beslissen. De officier van justitie heeft de ambtshalve bevoegdheid tot het vergoeden van proceskosten, maar de WAHV kent niet de bevoegdheid om de officier van justitie te verzoeken van die bevoegdheid gebruik te maken. Er is geen sprake van een aanvraag van een beschikking in de zin van de Awb.
Het appelverbod wordt doorbroken omdat is verzuimd aan de gemachtigde een uitnodiging voor de zitting van de kantonrechter te sturen.
In dit geval bestaat er aanleiding om alleen de kosten van rechtsbijstand in hoger beroep te vergoeden. De betrokkene heeft zelf beroep bij de officier van justitie en kantonrechter ingesteld. Hangende de procedure bij de kantonrechter heeft de gemachtigde zich in het geding gevoegd. Dat de gemachtigde de betrokkene heeft geadviseerd alvorens deze zijn beroepschriften heeft ingediend, maakt dat niet anders.

Uitspraak

WAHV 200.162.188
4 januari 2016
CJIB 169270323

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
locatie Leeuwarden

Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant
van 6 oktober 2014
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats],
voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde],
advocaat te [plaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft de officier van justitie veroordeeld in de kosten als bedoeld in artikel 13b juncto artikel 13a van de WAHV, ten behoeve van de betrokkene, tot een bedrag van € 243,50.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Bij het beroepschrift is verzocht om een behandeling ter zitting. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

De zaak is behandeld ter zitting van 21 december 2015. De betrokkene en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. C.T. Brontsema.

Beoordeling

1. Uit het dossier blijkt het volgende, voor zover van belang. Bij beschikking van 20 februari 2013 is aan de betrokkene op grond van de WAHV een administratieve sanctie opgelegd. De betrokkene heeft tegen die beschikking administratief beroep ingesteld bij brief van 2 april 2013. Bij beslissing van 26 augustus 2013 heeft de officier van justitie het beroep van de betrokkene ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft de betrokkene bij brief van 7 oktober 2013 beroep ingesteld bij de kantonrechter. Bij brief van 17 april 2014 heeft de gemachtigde van de betrokkene de officier van justitie verzocht de beslissing op het administratieve beroep te heroverwegen.

De officier van justitie heeft bij brief van 20 mei 2014 de gemachtigde bericht dat hij besloten heeft de inleidende beschikking alsnog te vernietigen. De officier van justitie heeft de gemachtigde in deze brief tevens in de gelegenheid gesteld het beroep bij de kantonrechter in te trekken door middel van het bijgevoegde antwoordformulier.

De gemachtigde heeft bij brief van 2 juni 2014 te kennen gegeven dat de betrokkene het beroep wil intrekken onder de voorwaarde dat de verzochte proceskosten van € 487,- conform het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) worden toegewezen, omdat de gemachtigde [gemachtigde] hem heeft bijstaan. Bij schrijven van 29 juli 2014 heeft de gemachtigde de officier van justitie in gebreke gesteld wegens het niet tijdig nemen van een beslissing op het verzoek om vergoeding van proceskosten. Vervolgens heeft de kantonrechter bij beslissing van 6 oktober 2014 op het beroep beslist in de hiervoor genoemde zin.

2. Artikel 14 WAHV bepaalt in welke gevallen hoger beroep van de beslissing van de kantonrechter openstaat bij het hof. Ingevolge het bepaalde in artikel 14 WAHV kan tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep worden ingesteld, indien de opgelegde administratieve sanctie bij die beslissing meer bedraagt dan € 70,-, of indien de betrokkene niet-ontvankelijk is verklaard wegens het niet of niet tijdig stellen van zekerheid als bedoeld in artikel 11, derde lid, WAHV. Geen van beide situaties doet zich hier voor. In beginsel is er in een geval als het onderhavige geen hoger beroep mogelijk.

3. De gemachtigde doet een beroep op doorbreking van het appelverbod. Hij klaagt er in dat verband over dat hij geen uitnodiging voor de zitting van de kantonrechter heeft ontvangen.

4. Het hof is van oordeel dat, wanneer een beroep wordt gedaan op schending van zo fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging dat geen sprake is van een eerlijke en onpartijdige behandeling en dit beroep gegrond moet worden geacht, doorbreking van het appèlverbod van artikel 14, eerste lid, WAHV is gewettigd. Van schending van het beginsel van hoor en wederhoor kan sprake zijn indien een partij niet behoorlijk is opgeroepen om te worden gehoord en de rechter niettemin een beslissing in de zaak van die partij neemt.

5. Artikel 6:17 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat indien iemand zich laat vertegenwoordigen, het orgaan dat bevoegd is op het bezwaar of beroep te beslissen, de op de zaak betrekking hebben stukken in ieder geval aan de gemachtigde toezendt.

6. Hoewel door de betrokkene zelf het beroepschrift aan de kantonrechter is ingediend, staat vast dat de gemachtigde zich nadien namens de betrokkene in het geding heeft gevoegd. Bij die stand van zaken diende de gemachtigde, zoals hij zelf ook aanvoert, te worden opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter van 6 oktober 2014. Uit het dossier blijkt niet dat dit is gedaan, het dossier bevat slechts een aan de betrokkene gerichte oproeping voor die zitting. Gelet hierop is sprake van een zodanige schending van het beginsel van hoor en wederhoor dat het appelverbod van artikel 14, eerste lid, van de WAHV moet worden doorbroken. Het hof zal daarom de beslissing van de kantonrechter vernietigen en doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen.

7. Het hof stelt daartoe voorop dat het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet is ingetrokken door of namens de betrokkene, gelet op de inhoud van de brief van de gemachtigde van 2 juni 2014. Het hof zal het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren, aangezien de betrokkene geen belang meer heeft bij een uitspraak op zijn beroep. Immers, nu de officier van justitie de inleidende beschikking heeft vernietigd, is bewerkstelligd hetgeen de betrokkene met zijn beroep beoogt te verkrijgen.

8. De gemachtigde heeft in hoger beroep verzocht om vaststelling van een door de officier van justitie verschuldigde dwangsom wegens niet tijdig beslissen. Met betrekking tot de verschuldigdheid van dwangsommen overweegt het hof het volgende.

9. Artikel 1:3 van de Awb houdt in, voor zover hier van belang:

"1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

2. Onder beschikking wordt verstaan: een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag daarvan.

3. Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen."

10. Artikel 4:17 van de Awb houdt in, voor zover hier van belang:

"1. Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. (…).

2. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 20 per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 30 per dag en de overige dagen € 40 per dag.

3. De eerste dag waarop de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking zijn verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen."

11. Ingevolge voornoemde artikelen kan een bestuursorgaan een dwangsom verbeuren als een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven. Het verzoek om proceskosten vast te stellen zoals de gemachtigde van de betrokkene bij brief van 2 juni 2014 aan de officier van justitie heeft gedaan, betreft een verzoek om gebruik te maken van een ambtshalve bevoegdheid. Met de gemachtigde van de betrokkene is het hof thans van oordeel dat de officier van justitie de ambtshalve bevoegdheid tot het vergoeden van proceskosten heeft. De WAHV kent echter niet de mogelijkheid om de officier van justitie te verzoeken van die bevoegdheid gebruik te maken. Het standpunt van de gemachtigde van de betrokkene dat sprake is van een aanvraag in de zin van artikel 1:3 juncto 4:17 Awb, is om die reden niet juist. Gelet daarop kan het niet tijdig reageren op een zodanig verzoek niet leiden tot het verbeuren van dwangsommen.

12. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen stelt het hof vast dat geen dwangsommen zijn verbeurd wegens niet tijdig beslissen door de officier van justitie. Het verzoek tot vaststelling van dwangsommen wordt derhalve afgewezen.

13. Het voorgaande in aanmerking genomen, ziet het hof zich vervolgens gesteld voor de vraag in hoeverre het verzoek om vergoeding van proceskosten van de betrokkene moet worden toegewezen.

14. Namens de betrokkene is verzocht om vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De vergoeding van kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is in het Besluit proceskosten bestuursrecht forfaitair bepaald per proceshandeling. In de bijlage bij het Besluit is limitatief bepaald welke proceshandelingen voor vergoeding in aanmerking komen. Uit het dossier blijkt voorts niet dat door de gemachtigde in de fase van het administratieve beroep en het beroep bij de kantonrechter één of meer van de limitatief opgesomde proceshandelingen heeft verricht; het administratieve beroepschrift en het beroepschrift aan de kantonrechter zijn door de betrokkene zelf ingediend, terwijl ook overigens niet blijkt van voor vergoeding komende proceshandelingen in deze fasen van de procedure. Dat de gemachtigde, zoals hij heeft aangevoerd, de betrokkene heeft geadviseerd alvorens deze zijn beroepschriften heeft ingediend – en daar kennelijk ook kosten voor in rekening heeft gebracht bij de betrokkene – maakt dat niet anders.

15. In hoger beroep is wél gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende proceshandelingen: het indienen van het hoger beroepschrift en het indienen van een nadere toelichting. Aan het indienen van het hoger beroepschrift en het verschijnen ter zitting van het hof dient (telkens) 1 punt te worden toegekend, aan het indiende van de nadere toelichting 0,5 punt. De waarde per punt bedraag € 487,-. Gelet op de aard van de zaak past het hof wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 487,- (= 2 x € 487,- x 0,5).

Beslissing

Het gerechtshof:

  • vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
  • verklaart het tegen de beslissing van de officier van justitie gerichte beroep niet-ontvankelijk;
  • wijst af het verzoekt tot vaststelling van een dwangsom;
  • veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 487,-.

Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

Eén gedachte over “ECLI:NL:GHARL:2016:10”

  1. De volgende opmerking heeft betrekking op punt 3 tot en met 6 van onderhavig arrest.

    In het arrest van 10 februari 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:1004, wordt vermeld dat de advocaat-generaal zich op het standpunt had gesteld dat de schending van het beginsel van hoor en wederhoor in het onderhavige geval geen doorbreking van het appelverbod rechtvaardigt. Doorbreking is immers slechts geboden indien moet worden vastgesteld dat sprake is van een zodanige schending dat geen sprake is van een eerlijke en onpartijdige behandeling. In het onderhavige geval is niet gebleken op welke wijze de betrokkene in zijn belangen is geschaad doordat de gemachtigde, een professionele rechtsbijstandverlener die veelvuldig schriftelijk procedeert en slechts bij hoge uitzondering ter zitting verschijnt voor het geven van een mondelinge toelichting, niet behoorlijk voor de zitting van de kantonrechter is opgeroepen, zodat niet is gebleken dat geen sprake is van een eerlijke en onpartijdige behandeling.

    Het hof is van oordeel dat met een schending van het beginsel van hoor en wederhoor zo een fundamenteel beginsel van behoorlijke rechtspleging is geschonden dat reeds daardoor geen sprake meer is van een eerlijke en onpartijdige behandeling. Het hoger beroep van de betrokkene zal derhalve ontvankelijk worden geacht en de beslissing van de kantonrechter zal in verband met de hiervoor vastgestelde schending van het beginsel van hoor en wederhoor worden vernietigd.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *