ECLI:NL:GHARL:2015:9490

De gemachtigde voert aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat de officier van justitie de gemachtigde niet in de gelegenheid hoefde te stellen om de gronden van het beroep in te dienen. De gemachtigde heeft tegen de inleidende beschikking een pro forma beroepschrift ingediend waarbij nadrukkelijk is verzocht om een termijn te stellen om de gronden van het beroep in te dienen. Het hof heeft bij arrest van 12 januari 2015 (ECLI:NL:GHARL:2015:195) beslist, dat indien een betrokkene of diens gemachtigde aangeeft dat het gaat om een pro forma ingesteld beroep en dat het beroep nader zal worden gemotiveerd, de indiener van het beroepschrift in de gelegenheid dient te worden gesteld de gronden van het beroep op te geven binnen een daartoe gestelde termijn. Het hof stelt vast dat de officier van justitie de gemachtigde niet behoorlijk in de gelegenheid heeft gesteld zijn beroep van argumenten te voorzien, nu de gemachtigde ondanks zijn verzoek hiertoe niet een nadere termijn is gegeven om zijn beroep aan te vullen. Het Hof overweegt in dit verband, dat de officier van justitie bij het stellen van die termijn niet had hoeven te wachten totdat alle in het kader van het Wob-verzoek gevraagde stukken zouden zijn verstrekt.

Uitspraak

WAHV 200.150.835
14 december 2015
CJIB 174137709

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
locatie Leeuwarden

Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland
van 17 april 2014
betreffende
[betrokkene 1] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats],
voor wie als gemachtigde optreedt mr. J. van Gemert,
kantoorhoudende te Nijmegen.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

Verkeersbord A1 Maximumsnelheid
Verkeersbord A1 Maximumsnelheid

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 80,- opgelegd ter zake van “overschrijding maximum snelheid op autosnelwegen, met 11 km/h (verkeersbord A1)” (Feitcode VM011), welke gedraging zou zijn verricht op 17 juli 2013 om 11.01 uur op de trajectcontrole A2 links te Breukelen met het voertuig met het kenteken [kenteken].

2. De gemachtigde van de betrokkene voert in hoger beroep aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat de officier van justitie de gemachtigde van de betrokkene niet in de gelegenheid hoefde te stellen om de gronden van het beroep in te dienen. De gemachtigde heeft tegen de inleidende beschikking een pro forma beroepschrift ingediend waarbij nadrukkelijk is verzocht om een termijn te stellen om de gronden van het beroep in te dienen. Voorts stelt de gemachtigde dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat de officier van justitie onder geen geval dient te reageren op een verzoek om stukken en geen gevolg hoeft te geven aan een dergelijke verzoek nu geen wettelijke bepaling voorschrijft dat de gevraagde stukken deel dienen uit te maken van het dossier. Daarnaast voert de gemachtigde aan dat de officier van justitie ten onrechte niet is overgegaan tot het horen van betrokkene of zijn gemachtigde.

3. Uit het dossier blijkt het volgende. De gemachtigde heeft op 9 september 2013 beroep ingesteld tegen de inleidende beschikking, waarbij hij de CVOM verzoekt om hem alle relevante zaaksbescheiden die voor de beoordeling van de beschikking en het beroep van belang kunnen zijn (waaronder het zaakoverzicht) te verstrekken. Vooruitlopend op de gronden die de gemachtigde na het bestuderen van de opgevraagde stukken zal indienen, waarvoor hij de CVOM verzoekt een termijn te stellen, geeft de gemachtigde als initieel bezwaar aan dat de gedraging en de aanwezigheid op de pleeglocatie wordt ontkend. Voorts betwist de betrokkene preliminair de bevoegdheid van de verbalisant en de juiste werking van eventuele gebruikte meetmiddelen.

Op 18 september 2013 bevestigt de CVOM de ontvangst van het door de gemachtigde ingediende beroepschrift.

Bij besluit van 24 september 2013 heeft de CVOM op het Wob-verzoek van de gemachtigde beslist en aan de gemachtigde het zaakoverzicht toegezonden. Tevens is aan de gemachtigde medegedeeld dat het verzoek is doorgestuurd naar het Korps Landelijke politie Diensten voor zover dat betreft documenten waarover de CVOM niet beschikt.

Bij beslissing d.d. 9 oktober 2013 heeft de officier van justitie het beroep van de betrokkene ongegrond verklaard.

4. Het hof heeft bij arrest van 12 januari 2015 (ECLI:NL:GHARL:2015:195) beslist, dat indien een betrokkene of diens gemachtigde aangeeft dat het gaat om een pro forma ingesteld beroep en dat het beroep nader zal worden gemotiveerd (al dan niet na ontvangst van gevraagde stukken), de indiener van het beroepschrift in de gelegenheid dient te worden gesteld de gronden van het beroep op te geven binnen een daartoe gestelde termijn.

5. Het hof stelt vast dat de officier van justitie de gemachtigde niet behoorlijk in de gelegenheid heeft gesteld zijn beroep van argumenten te voorzien, nu de gemachtigde ondanks zijn verzoek hiertoe niet een nadere termijn is gegeven om zijn beroep aan te vullen. Het Hof overweegt in dit verband, dat de officier van justitie, ondanks het daartoe strekkende verzoek van de gemachtigde, bij het stellen van die termijn niet had hoeven te wachten totdat alle in het kader van het Wob-verzoek gevraagde stukken zouden zijn verstrekt.

6. Bovenstaande brengt mee dat de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie niet in stand had mogen laten. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen en doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, te weten het beroep gegrond verklaren en de beslissing van de officier van justitie vernietigen. Gelet daarop behoeven de klachten van de gemachtigde met betrekking tot het uitblijven van een reactie van de officier van justitie op het verzoek om stukken en met betrekking tot schending door de officier van justitie van de hoorplicht geen bespreking meer.

7. Het hof heeft thans te beoordelen of er voldoende grondslag is voor de vaststelling dat de gedraging is verricht.

8. In WAHV-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

9. Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houdt de ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB onder meer het volgende in:

“De werkelijke snelheid stelde ik vast m.b.v. (het hof begrijpt: met behulp van) een voor de meting geteste, geijkte en op de voorgeschreven wijze gebruikte trajectsnelheidsmeter op basis van de factoren tijd en afstand.

Gemeten (afgelezen) snelheid: 115 km per uur.
Werkelijke (gecorrigeerde) snelheid: 111 km per uur.
Toegestane snelheid: 100 km per uur.
Overschrijding met: 11 km per uur. 
(….)
Rijrichting van: Maarssen.
Rijrichting naar: Abcoude.
Ter hoogte van hectometerpaal/pandnummer: 49.9L. 
(…)
Naam van ambtenaar 1: [verbalisant]
Eed / belofte ambtenaar 1: BOA domein generieke opsporing.
Nummer akte van beëdiging: 6033761/0. 
(…).”

10. Het hof ziet in hetgeen de gemachtigde namens de betrokkene heeft aangevoerd geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant. Nu de gemachtigde, anders dan de ontkenning dat de betrokkene de hem verweten gedraging heeft verricht, geen voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert die aanleiding geven te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant, noch uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken, is naar de overtuiging van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Dat de verbalisant niet bevoegd zou zijn gedragingen als de onderhavige vast te stellen, acht het hof niet aannemelijk. Verbalisant [verbalisant] was blijkens het zaakoverzicht ten tijde van de gedraging beëdigd als ‘BOA domein generieke opsporing’ en het hof ziet geen reden aan die verklaring te twijfelen, temeer nu de verbalisant hierbij ook het nummer van zijn akte van beëdiging heeft opgegeven. Bij die stand van zaken bestaat geen aanleiding tot het doen van nader onderzoek naar de bevoegdheid van de verbalisant.

11. Het voorgaande brengt mee dat de sanctie terecht is opgelegd. Het hof zal, met vernietiging van de beslissingen van de kantonrechter en van de officier van justitie, het beroep tegen de inleidende beschikking dan ook ongegrond verklaren.

12. Nu de beslissingen van de kantonrechter en de officier van justitie worden vernietigd zijn er termen aanwezig om de door de betrokkene gemaakte kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de procedure bij de kantonrechter en in hoger beroep te vergoeden. De gemachtigde van de betrokkene heeft de volgende proceshandelingen verricht: het indienen van een beroepschrift bij de kantonrechter en een hoger beroepschrift. Ingevolge de Bijlage bij het toepasselijke Besluit proceskosten bestuursrecht wordt aan het indienen van de beroepschriften 1 punt (elk) toegekend. Het hof zal derhalve 2 punten toekennen. De waarde per punt bedraagt € 487,- (voor beroepschriften ingediend voor 1 januari 2015 zoals te dezen het geval). Gelet op de aard van de zaak past het hof de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Het hof zal de advocaat-generaal derhalve veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 487,- (2 x 487 x 0,5).

13. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, beslist het hof als volgt.

Beslissing

Het gerechtshof:

  • vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
  • vernietigt de beslissing van de officier van justitie d.d. 9 oktober 2013;
  • verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;
  • veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 487,-.

Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. Van der Meulen als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *