ECLI:NL:GHARL:2015:9177

Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de WAHV stelt de kantonrechter alvorens te beslissen partijen in de gelegenheid om op een openbare zitting hun zienswijze nader toe te lichten. De WAHV bevat geen bepaling waarin is voorgeschreven dat partijen ter zitting van de kantonrechter nog in de gelegenheid moeten worden gesteld te reageren op elkaars standpunt of dat de betrokkene het recht heeft om het laatst te spreken. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de WAHV zijn in geval van een administratieve sanctie voorzieningen van strafrechtelijke of strafvorderlijke aard uitgesloten. Artikel 311, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering, waarin is bepaald dat aan verdachte het recht wordt gelaten om het laatst te spreken, is derhalve niet van toepassing op een procedure ingevolgde de WAHV. Nu de betrokkene blijkens het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter de gelegenheid heeft gehad het woord te voeren en zijn zienswijze nader toe te lichten, is aan het vereiste van artikel 12 van de WAHV voldaan en is geen sprake van schending van het beginsel van hoor en wederhoor. Van enige reden tot doorbreking van het appelverbod is in het onderhavige geval derhalve geen sprake.

Uitspraak

WAHV 200.149.532
3 december 2015
CJIB 171102824
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
locatie Leeuwarden

Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag
van 10 april 2014
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats],
voor wie als gemachtigde optreedt mr. J.J. Hofland,
kantoorhoudende te Pijnacker.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Ingevolge het bepaalde in artikel 14 van de WAHV kan tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden worden ingesteld, indien de opgelegde administratieve sanctie bij die beslissing meer bedraagt dan € 70,-. De aan de betrokkene opgelegde sanctie bedraagt € 46,-. Op grond hiervan dient het hoger beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk te worden verklaard.

2. De gemachtigde heeft aangevoerd dat er reden is voor doorbreking van het appelverbod nu het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden omdat de (gemachtigde van de) betrokkene niet in de gelegenheid is gesteld om te reageren op hetgeen door de officier van justitie ter zitting naar voren was gebracht. De officier van justitie heeft pas ter zitting van de kantonrechter een uitdrukkelijke en toegespitste weerlegging kenbaar gemaakt ten aanzien van het betoog van de betrokkene over de onverbindendheid van artikel 1 van de regeling vaststelling administratiekosten 2012.

3. Het hof is van oordeel dat wanneer een beroep wordt gedaan op schending van zo fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging dat geen sprake is van een eerlijke en onpartijdige behandeling en dit beroep gegrond moet worden geacht, doorbreking van het appelverbod van artikel 14, eerste lid, WAHV is gewettigd.

4. Uit het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter leidt het hof af dat de betrokkene de gelegenheid heeft gehad ter zitting het woord te voeren, waarna de vertegenwoordiger van de officier van justitie het woord heeft gevoerd. Vervolgens heeft de kantonrechter overwogen dat de uitspraak over twee weken zal volgen.

5. Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de WAHV stelt de kantonrechter alvorens te beslissen partijen in de gelegenheid om op een openbare zitting hun zienswijze nader toe te lichten. De WAHV bevat geen bepaling waarin is voorgeschreven dat partijen ter zitting van de kantonrechter nog in de gelegenheid moeten worden gesteld te reageren op elkaars standpunt of dat de betrokkene het recht heeft om het laatst te spreken. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de WAHV zijn in geval van een administratieve sanctie voorzieningen van strafrechtelijke of strafvorderlijke aard uitgesloten. Artikel 311, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering, waarin is bepaald dat aan verdachte het recht wordt gelaten om het laatst te spreken, is derhalve niet van toepassing op een procedure ingevolgde de WAHV.

6. Nu de betrokkene blijkens het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter de gelegenheid heeft gehad het woord te voeren en zijn zienswijze nader toe te lichten, is aan het vereiste van artikel 12 van de WAHV voldaan en is geen sprake van schending van het beginsel van hoor en wederhoor. De omstandigheid dat de betrokkene, blijkens het proces-verbaal van de zitting, niet de gelegenheid heeft gekregen om te reageren op het ter zitting naar voren gebrachte standpunt van de officier van justitie en dat hij niet het laatste woord heeft gekregen van de kantonrechter maakt dat niet anders.

7. Van enige reden tot doorbreking van het appelverbod is in het onderhavige geval derhalve geen sprake. Het staat de rechter – behoudens uitzonderlijke gevallen – niet vrij de wet terzijde te schuiven en de zaak ondanks het in de wet opgenomen verbod alsnog te behandelen. Tot die uitzonderlijke gevallen behoort niet de omstandigheid dat de kantonrechter in de visie van de betrokkene een onjuiste beslissing heeft gegeven en/of niet in voldoende mate is ingegaan op zijn argumentatie.

8. Gelet hierop verwerpt het hof het beroep op doorbreking van het appelverbod en zal het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren. Voor vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het gerechtshof:

  • verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
  • wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

2 gedachten over “ECLI:NL:GHARL:2015:9177”

  1. ECLI:NL:GHARL:2016:1558
    Het hof heeft reeds eerder uitgemaakt dat de WAHV geen gevolgen verbindt aan het niet voorafgaand aan de zitting verstrekken van door de kantonrechter verlangde informatie. De WAHV kent geen bepaling -zoals artikel 8:58 Awb- met betrekking tot het tijdstip dat nog aanvullende stukken kunnen worden ingediend bij de kantonrechter. Behandeling van een zaak ter zitting van de kantonrechter in het kader van de WAHV heeft onder meer tot doel om partijen in de gelegenheid te stellen te reageren op de in het dossier aanwezige stukken (ECLI:NL:GHARL:2016:1558).

  2. ECLI:NL:GHARL:2015:9422
    De WAHV kent geen bepaling – zoals bijvoorbeeld artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) – met betrekking tot het tijdstip dat nog aanvullende stukken kunnen worden ingediend bij de kantonrechter. De behandeling van een zaak ter zitting van de kantonrechter in het kader van de WAHV heeft onder meer tot doel om partijen in de gelegenheid te stellen hun zienswijze nader toe te lichten. Daarbij kunnen partijen reageren op de in het dossier aanwezige stukken. Indien één van de partijen ter zitting nadere stukken overlegt, kan de kantonrechter deze stukken ter zitting aan de orde stellen en partijen daarop laten reageren. Mocht één van de partijen – gelet op het korte tijdsbestek – aangeven niet in staat zijn adequaat te reageren op de aanvullende informatie, dan dient de kantonrechter de behandeling van de zaak aan te houden. Onder deze omstandigheden zijn er geen beginselen van een behoorlijke procesorde die zich verzetten tegen voeging van de aanvullende informatie in het dossier.

    Gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen dat als niet is gebleken dat de betrokkene, voorafgaand aan de zitting, een termijn is gesteld waarbinnen hij nadere stukken kan indienen, is het hof van oordeel dat de kantonrechter ten onrechte de betrokkene heeft geweigerd ter zitting aanvullende informatie over te leggen. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter vernietigen en het tegen de beslissing van de officier van justitie ingestelde beroep beoordelen (ECLI:NL:GHARL:2015:9422).

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *