ECLI:NL:GHARL:2015:8150

De officier van justitie (OvJ) heeft, zonder dat de gemachtigde in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord, het administratieve beroep kennelijk ongegrond verklaard. Het hof is van oordeel dat de gemachtigde in dit geval had moeten worden gehoord door de OvJ, aangezien het beroep niet kennelijk – dat wil zeggen: aanstonds blijkend, zonder dat daarvoor nader onderzoek noodzakelijk is – ongegrond is. Het hof acht van belang dat de inhoud van het administratieve beroep de OvJ heeft genoopt de uit het dossier blijkende informatie betreffende de constatering van voormelde gedraging te raadplegen; uit de door de OvJ gebezigde motivering kan overigens ook worden afgeleid dat de OvJ dat onderzoek heeft gedaan. Nu het raadplegen van die gegevens noodzakelijk was voor de beoordeling van het administratieve beroep, kan niet worden gesproken van een kennelijk ongegrond beroep. Dat de OvJ ter beoordeling van het administratieve beroep geen aanvullende gegevens heeft hoeven opvragen, zoals de advocaat-generaal aanvoert, kan daar niet aan afdoen.

Uitspraak

WAHV 200.145.656
28 oktober 2015
CJIB 164061599

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
locatie Leeuwarden

Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Limburg
van 27 februari 2014
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats],
voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde],
[gemachtigde], gevestigd te [plaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 96,- opgelegd ter zake van “overschrijding maximum snelheid binnen bebouwde kom, met 12 km/h”, welke gedraging zou zijn verricht op 11 juli 2012 om 10.45 uur op de Fregatweg te Maastricht met het voertuig met het kenteken [kenteken].

2. De gemachtigde voert in hoger beroep aan – zakelijk weergegeven – dat de officier van justitie het administratieve beroep tegen de beschikking waarbij voormelde sanctie is opgelegd, ten onrechte kennelijk ongegrond heeft verklaard en ten onrechte heeft afgezien van het horen van de gemachtigde, ondanks diens verzoek daartoe.

3. Ingevolge artikel 7:16 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 7, tweede lid, van de WAHV moet de officier van justitie de indiener van het beroepschrift in de gelegenheid stellen te worden gehoord. Hij kan daar alleen van afzien, indien het beroep kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, de betrokkene niet gehoord wil worden of de officier van justitie hem volledig gelijk geeft (artikel 7:17 van de Awb).

4. Uit het dossier blijkt het volgende. In het (pro forma) beroepschrift van 30 augustus 2012 heeft de gemachtigde van de betrokkene de officier van justitie verzocht om in de gelegenheid te worden gesteld telefonisch te worden gehoord. Voorts heeft de gemachtigde in zijn schrijven van 1 oktober 2012 de gronden van het administratieve beroep opgegeven: de betrokkene stelt ten tijde van de vermeende gedraging niet ter plaatse te zijn geweest en dat het kenteken van het betreffende voertuig verkeerd moet zijn uitgelezen.

5. Bij beslissing van 27 december 2012 heeft de officier van justitie, zonder dat de gemachtigde in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord, het administratieve beroep kennelijk ongegrond verklaard. Daartoe heeft de officier van justitie overwogen, voor zover hier van belang:

“Hetgeen u heeft aangevoerd geeft geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de ambtsedige verklaring van de verbalisant. Aan de wettelijke vereisten is voldaan, onder meer dat de apparatuur is geijkt. Daarmee staat voor de officier van justitie vast dat met het voertuig te snel is gereden. Evenmin is gebleken van andere (persoonlijke) omstandigheden op grond waarvan de sanctie zou moeten worden gematigd of vernietigd.

Gelet op het voorgaande acht de officier van justitie het beroep kennelijk ongegrond. Om die reden wordt voorbij gegaan aan een eventueel verzoek te worden gehoord.”

6. Het hof is van oordeel dat de gemachtigde in dit geval had moeten worden gehoord door de officier van justitie, aangezien het beroep niet kennelijk – dat wil zeggen: aanstonds blijkend, zonder dat daarvoor nader onderzoek noodzakelijk is – ongegrond is. Het hof acht van belang dat de inhoud van het administratieve beroep de officier van justitie heeft genoopt de uit het dossier blijkende informatie betreffende de constatering van voormelde gedraging te raadplegen; uit de door de officier van justitie gebezigde motivering kan overigens ook worden afgeleid dat de officier van justitie dat onderzoek heeft gedaan. Nu het raadplegen van die gegevens noodzakelijk was voor de beoordeling van het administratieve beroep, kan niet worden gesproken van een kennelijk ongegrond beroep. Dat de officier van justitie ter beoordeling van het administratieve beroep geen aanvullende gegevens heeft hoeven opvragen, zoals de advocaat-generaal aanvoert, kan daar niet aan afdoen.

7. Gelet op het voorgaande heeft de officier van justitie er ten onrechte van afgezien de betrokkene te horen. Het hof zal daarom de beslissing van de kantonrechter vernietigen en, doende hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren, die beslissing vernietigen en beoordelen of de onderliggende sanctiebeschikking in stand kan blijven.

8. Ter zake van de onder 1. genoemde gedraging heeft de gemachtigde aangevoerd dat de betrokkene stelt ten tijde van de vermeende gedraging niet ter plaatse te zijn geweest en dat het kenteken van het betreffende voertuig verkeerd moet zijn uitgelezen.

9. In WAHV-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

10. Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houdt de ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB onder meer het volgende in:

“De werkelijke snelheid stelde ik vast m.b.v. een voor de meting geteste, geijkte en op de voorgeschreven wijze gebruikte snelheidsmeetmiddel.

Gemeten (afgelezen) snelheid: 65 km per uur.
Werkelijke (gecorrigeerde) snelheid: 62 km per uur.
Toegestane snelheid: 50 km per uur.
Overschrijding met: 12 km per uur.”

11. Daarnaast bevindt zich een foto van de gedraging in het dossier, waarop het voertuig met het onder 1. vermelde kenteken is te zien. De gegevens in de databalk bovenin de foto stroken met de in het zaakoverzicht vermelde gedragingsgegevens.

12. Het hof ziet in hetgeen de gemachtigde hier tegenover heeft gesteld – in feite de enkele ontkenning dat de gedraging is verricht – geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant. Nu namens de betrokkene, anders dan de ontkenning dat hij de hem verweten gedraging heeft verricht, geen voor deze zaak specifieke feiten en omstandigheden zijn aangevoerd die aanleiding geven te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant, noch uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken, is naar de overtuiging van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht.

13. Het hof zal derhalve het beroep, gericht tegen de inleidende beschikking, ongegrond verklaren.

14. Namens de betrokkene is verzocht om vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Naar het oordeel van het hof komen de gevraagde kosten voor vergoeding in aanmerking, voor zover het betreft de kosten gemaakt in hoger beroep en in de procedure bij de kantonrechter. De vergoeding van kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand zijn in het Besluit proceskosten bestuursrecht forfaitair bepaald per proceshandeling. De gemachtigde van de betrokkene heeft de volgende proceshandelingen verricht: het indienen van een beroepschrift bij de kantonrechter en het indienen van een hoger beroepschrift Aan het indienen van een beroepschrift dient één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraag € 487,-. Gelet op de aard van de zaak past het hof wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 487,- (=2 x € 487,- x 0,5).

Beslissing

Het gerechtshof:

  • vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
  • verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
  • verklaart het beroep tegen de beschikking waarbij onder CJIB-nummer 164061599 de administratieve sanctie is opgelegd ongegrond;
  • veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 487,-.

Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. Verdoorn als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *