ECLI:NL:GHARL:2015:7804

De kantonrechter heeft de beslissing van de officier van justitie vernietigd en de inleidende beschikking is in stand gebleven. Om die reden ziet het hof geen grond voor het oordeel dat voor het indienen van het beroepschrift tegen de inleidende beschikking een vergoeding toegekend had moeten worden. Evenmin ziet het hof grond voor het oordeel dat de kantonrechter een hogere wegingsfactor had moeten toepassen. Artikel 13a, eerste lid, van de WAHV brengt mee dat de kantonrechter een zekere beoordelingsruimte heeft bij de beantwoording van de vraag of en in hoeverre een verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding moet worden ingewilligd. Het antwoord op de vraag, welke wegingsfactor moet worden toegepast, is afhankelijk van het gewicht van de zaak. Het is bij uitstek de over het beroep oordelende kantonrechter die het gewicht van die zaak kan beoordelen. Deze beoordeling door de kantonrechter kan in hoger beroep slechts marginaal worden getoetst.

Uitspraak

WAHV 200.143.129
15 oktober 2015
CJIB 168194395
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
locatie Leeuwarden

Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant
van 4 maart 2014
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats],
voor wie als gemachtigde optreedt mr. H.P. Olthof,
kantoorhoudende te Zoeterwoude.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing gegrond verklaard, de beslissing van de officier van justitie vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Voorts heeft de kantonrechter de officier van justitie veroordeeld in de kosten als bedoeld in artikel 13a van de WAHV, ten behoeve van de betrokkene, tot een bedrag van € 121,75.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 340,- opgelegd ter zake van “parkeren op een invalidenparkeerplaats anders dan met het voor die gereserveerde invalidenparkeerplaats bestemde voertuig”, welke gedraging zou zijn verricht op 5 december 2012 om 16.30 uur op de Prins Hendrikstraat te Middelburg met het voertuig met het kenteken [kenteken].

2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de betrokkene uit automatisme op de betreffende plek heeft geparkeerd. Het bord was enkele dagen voorafgaand aan de gedraging geplaatst en de betrokkene heeft het niet gezien. De gemachtigde merkt daarbij op dat de straat ten tijde van de gedraging nagenoeg leeg was en dat de betrokkene met gemak elders had kunnen parkeren. De gemachtigde verzoekt de sanctie daarom te matigen.

3. Gelet op de stukken in het dossier en in aanmerking genomen dat de betrokkene de gedraging niet ontkent, is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Gelet op hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd, dient het hof te beoordelen of er redenen zijn om het bedrag van de sanctie te matigen.

4. Op grond van artikel 2, derde lid, van de WAHV is de hoogte van de sanctie voor elke gedraging vastgesteld in de bij de wet behorende bijlage. Deze in hoge mate tariefsmatige afdoening van gedragingen brengt mee dat de omstandigheden van het concrete geval niet licht van invloed zullen zijn op de hoogte van de opgelegde sanctie. Slechts bijzondere omstandigheden kunnen aanleiding geven om van de vastgestelde tarieven af te wijken.

5. Naar het oordeel van het hof is er in het onderhavige geval geen sprake van bijzondere omstandigheden als vorenbedoeld. Dat de betrokkene het bord niet heeft gezien, kan niet als een zodanige omstandigheid gelden. Uitgangspunt is immers dat van iedere weggebruiker mag worden verwacht dat hij oplettend is op aanwezige bebording, en dat men zich er eventueel na het parkeren van vergewist of parkeren op de betreffende parkeerplaats voor hem toegestaan is. Indien de betrokkene het betreffende bord heeft gemist, is dat een omstandigheid die voor zijn rekening en risico komt.

6. De kantonrechter heeft het beroep tegen de inleidende beschikking derhalve terecht ongegrond heeft verklaard.

7. Verder voert de gemachtigde aan dat de kantonrechter bij de proceskostenveroordeling ten onrechte slechts één punt in aanmerking heeft genomen. De gemachtigde stelt dat de kantonrechter twee punten had moeten toekennen, namelijk één punt voor het indienen van het administratieve beroepschrift en één voor het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter. Voorts verzet de gemachtigde zich tegen het toepassen van de wegingsfactor van 0,25 (zeer licht). Hij is van mening dat wegingsfactor 0,5 (licht) had moeten worden toegepast.

8. Nu de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie heeft vernietigd, bestond er aanleiding om de betrokkene een proceskostenvergoeding toe te kennen. De inleidende beschikking is daarentegen in stand gebleven. Om die reden ziet het hof geen grond voor het oordeel dat voor het indienen van het beroepschrift tegen de inleidende beschikking een vergoeding toegekend had moeten worden (vgl. artikel 7:28, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht). De kantonrechter heeft derhalve terecht één punt toegekend.

9. Evenmin ziet het hof grond voor het oordeel dat de kantonrechter een hogere wegingsfactor had moeten toepassen. Artikel 13a, eerste lid, van de WAHV brengt mee dat de kantonrechter een zekere beoordelingsruimte heeft bij de beantwoording van de vraag of en in hoeverre een verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding moet worden ingewilligd. Het antwoord op de vraag, welke wegingsfactor moet worden toegepast, is afhankelijk van het gewicht van de zaak. Het is bij uitstek de over het beroep oordelende kantonrechter die het gewicht van die zaak kan beoordelen. Deze beoordeling door de kantonrechter kan in hoger beroep slechts marginaal worden getoetst. De gemachtigde heeft in het beroepschrift bij de kantonrechter de motivering van de beslissing van de officier van justitie en de hoorplicht van de officier van justitie aan de orde gesteld. Niet kan worden geoordeeld dat de kantonrechter in redelijkheid niet de wegingsfactor 0,25 (zeer licht) heeft kunnen toepassen.

10. Derhalve zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

11. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het hof het verzoek tot vergoeding van kosten in hoger beroep afwijzen.

Beslissing

Het gerechtshof:

  • bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
  • wijst af het verzoek tot vergoeding van kosten.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Vlieger-Dijkstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *